Ritten op de Honda
Ik zou er niets op tegen hebben als mijn verdere leven zich had afgespeeld op Vinh’s rijdende scooter. En dat kwam niet door de weelderig groene vergezichten die we passeerden, de wonderlijke capriolen van medeweggebruikers, de wind die je uit de cocon van plakkende hitte verloste of het gelijkmatige geluid van zijn in wit uitgevoerde Honda Lead 125 cc. Het kwam door Vinh. Het was zijn onwrikbare kalmte. Deze benige man met zijn scherpe jukbeenderen was geschapen, en alleen gemaakt, om in deze van licht opgezogen plek te bewegen.
Vinh wees, zonder zelf in de richting van zijn uitgestrekte vinger te kijken, naar rijstvelden en karde even later naar armoedige straatjes waar hij duidelijk maakte dat er op deze plek een familielid zijn eerste levenslicht gezien had. Maar vooral jakkerde hij voort in een buitengewoon gerieflijk tempo. We doorkruisten de hele regio.
Vinh was een zwijgzame man, zowel op als van het zadel, zonder dat dit ooit ongemakkelijk werd. Integendeel, in zijn gemoedsrust werd comfort geboren. Het was niet in woorden te vangen. Het was vredig, misschien kan ik het thuis noemen.
Vinh, met zijn brede hoofd en een huid die zo strak om zijn skelet geplooid leek dat je knikkers op zijn sleutelbeen kon laten balanceren, straalde van levenslust. Als ik naar hem keek, dan zag ik vertrouwen gepersonifieerd. Met een sigaret in zijn getekende hand was hij een onaantastbaar ideaal.
Een rit op de scooter was een verademing, een hoogtepunt van de dag. Overigens was ik zeer blij dat ik nu geen gebruik meer hoefde te maken van het openbaar vervoer. Er zijn veel dingen die me storen aan die publieke dienst, maar de meeste moeite had ik met het moment dat de schuifdeuren van de trein zich openden en er een massa mensen verscheen die zich voortbewoog met de fijnzinnigheid van een kudde gnoes. Ik zou er geen moeite mee hebben om me nooit meer in een dergelijk vervoersmiddel te begeven.
Wanneer Vinh en ik samen dronken, ook als hij zichzelf daarna naar huis moest rijden, kwam hij altijd op die ene zin uit: ‘Ik ben geboren onder een slecht gesternte.’ Hij keek er triest bij, als een slecht toneelspeler. Zijn uitspraak was uit karakter. Het strookte niet met de realiteit, meende ik. Vinh was voornaam en had een onverslijtbare kalmte. Juist hij, de man die zijn communistische vader tegensprak, die zich opwerkte tot ingenieur, die zijn autistische zoon zonder inspanning veilige structuur bood, was in mijn ogen de laatste man die geplaagd werd door tegenspoed. Hoe meer hij dronk, hoe meer er zich snauwerige kuchklanken in die éénlettergreep-taal van hem in het gesprek mengden. Sommige van die woorden klonken zo schel, dat het mijn trommelvliezen haast openreet. In deze taal had je geen sabels nodig.
Vinh droeg een voetprothese. Ik dacht altijd dat dit het resultaat was van een onfortuinlijke mijn uit een heldhaftige oorlog, maar zijn vrouw vertelde ooit het verhaal dat hij als tiener regelmatig meeging met zijn oom om klusjes in pas opgeleverde gebouwen uit te voeren. In de groeiende stad werden in de periferie nog altijd betonsels uit de grond getrokken. Obscure aannemers rekenden op goedkope amateurs om zo kosten te drukken. Op een dag, in een dwaling van aandacht, viel Vinh van het dak en bleef met zijn voet aan een hoogspanningskabel hangen.
Zijn vrouw maakte altijd deel uit van het scala aan gespreksonderwerpen tijdens het drank-gerelateerde gelamenteer van Vinh.
‘Het zijn huichelaars, egoïsten en manipulators,’ verzuchtte hij. ‘Maar uiteindelijk heb je vrouwen nodig.’ Een glimlach kon hij moeilijk onderdrukken en zo viel hij al snel uit zijn rol van verongelijkte kinkel. Dan tikte hij voor de zoveelste keer tegen mijn glas en proostten we opnieuw, nu op de vrouwen.
Vinhs gemalin was roekeloos inconsequent, radicaal onbezonnen en neurotisch subjectief. Ze was de tegenstelling van de nuchtere Vinh. In het dagelijks bestaan was hij kalm, tegen het schuchtere aan, en zelden onbezonnen – met uitzondering van de ritjes op zijn scooter in beschonken toestand. Zijn vrouw verklaarde me vorige week dat mijn maanteken steenbok was. Zodoende stond mijn maan in het tiende huis tijdens mijn geboorte.
‘Ambitie,’ zo zei ze, ‘is jouw drijfveer.’
Als mijn vader dat eens zou horen!
Vinh grijnsde verlegen op het moment dat ik hem deze geschiedenis vertelde. Het had iets aandoenlijks. Het kon me op dat moment weinig schelen of dit een uiting van schaamte was voor de buitensporigheden van zijn vrouw of de plaatsvervangende gêne voor mijn directheid van spreken. Zeker omdat ik haar vingerafdrukken nog kon voelen op mijn pols in dat ogenblik dat ze het lege glas van me overnam. Hoe eerst de aarzeling erin sprak, maar daarna meteen de belangstelling het overnam. Hoe ze me met een schok losliet en mijn hele arm daarna koud aanvoelde. Ik zag haar weglopen naar de keuken in een nieuw licht. Ik zag het blauwe schijnsel op haar zwarte haar. De spitse schouders die zich onder een t-shirt hulden. Een t-shirt van waaruit een stijlvolle nonchalance sprak. Nu pas hoorde ik het subtiele ritme van haar passen op haar pluche binnenhuisslippers. Toen ik haar achternaliep, douchte de kale peer van de gang me in een streng licht.
Deze week reden Vinh en ik weer op zijn scooter de stad door, zoals hij het noemde ‘de doelloosheid van het bestaan tegemoet’. Ik realiseerde me pas later dat de zin van mijn levenswandel samengeperst was in de tijd die ik doorbracht op de krappe zitting van de Honda Lead 125 cc, achterop bij Vinh.

