Gepubliceerd op: zaterdag 26 september 2026

KP63: De parabel van de verloren vader

 

De parabel van de verloren vader

Zoon wil wereld veranderen.
Vader eigenlijk liever zoon.
Maar hij kan alleen een zin veranderen
tot die niet meer anders wil.

Je zal maar jong zijn en meningen hebben
van anderen, en verder niks,
niet eens een dode vader.

‘Dat eigen leven, begin daar gvd. eens mee,
en kom over tien jaar eens terug met verdriet
in plaats van gelijk, bijvoorbeeld na een vrouw of twee.
Dat ik kan zeggen: je bent dezelfde gebleven.’

Het bovenstaande is tien jaar geleden geschreven.
En aldus is tien jaar later geschied.

 

Het gedicht
Dit strofische gedicht van Herman de Coninck beslaat 4 strofen: een kwatrijn, een terzine, weer een kwatrijn en een distichon. Dus net geen sonnet. Dat is een bewuste actie van de dichter die zich daarmee onttrekt aan de vormconventies van de klassieke poëtica. Daartoe kunnen eveneens andere kenmerken van de experimentele poëtica genoemd worden, zoals de onregelmatige verslengte, het eenvoudige, alledaagse taalgebruik, de afwezigheid van rijmpatronen en metrum.

De dichter maakt gebruik van intertekstualiteit, wat wil zeggen dat de inhoud verbonden is met een bestaande tekst. De titel van het gedicht verwijst naar het Nieuwe Testament, naar Lucas 15: 11-32. Een Bijbelpassage die over de verloren zoon gaat. De Coninck schrijft daarop een geheel eigen versie. Hij draait in zijn gedicht een aantal feiten om.

Enerzijds is het gedicht een speelse link naar de bekende Bijbelpassage. Anderzijds geeft het een verrassende visie op de vastgeroeste vader-zoonrelatie in het Lucasfragment, waarin een zekere mate van ironie de dichter niet vreemd is. Heel concreet gaat het in het gedicht om een meningsverschil tussen een vader en zijn opgroeiende zoon.

Een kort biografisch intermezzo
Enige kennis betreffende de dichter draagt bij tot een beter begrip van het gedicht. Herman De Coninck wordt kort na zijn huwelijk in 1969 weduwnaar. Zijn vrouw komt na twee jaar samenzijn door een verkeersongeval in 1971 om het leven. Herman blijft achter met hun zoontje, Tomas. De zoon in het gedicht.

Na een moeilijke periode hertrouwt hij in 1974 met Lieve Coppens. In 1978 wordt een dochtertje geboren, Laura. Aan dit huwelijk komt in het jaar 1985 echter een eind, nu door echtscheiding. De Coninck blijft achter met twee opgroeiende kinderen. De vijftienjarige Tomas die in de puberteitsfase zit en de zevenjarige Laura die dan net naar de grote school gaat.

Dat zijn gevoelige perioden, waarin kinderen extra aandacht nodig hebben. Die aandacht ontbreekt. De kinderen hebben daardoor geen onbekommerde jeugd, wat tot spanningen tussen vader en zoon leidt. De Coninck ergert zich in die periode aan het liederlijke gedrag van zijn zoon. Zo schrijft hij in zijn gedicht ‘Enkelvoud’ onderstaande versregels over hem:
‘Zeggen, nadat hij
zes uur voor de televisie heeft gelegen,
dat hij uit moet kijken voor doorligwonden, kan ik alleen’

Terug naar de parabel van de verloren vader
In V1 en 2 leidt het lyrisch subject het conflict tussen vader en zoon in met de tegenstelling. De zoon is een wereldverbeteraar terwijl de vader iets heel anders wil, als hij in V2 zegt dat hij als ‘Vader eigenlijk liever [de] zoon’ wil veranderen. De macrokosmos van de zoon en de microkosmos van de vader botsen met elkaar.
In V3 en 4 wordt dieper op die tegenstelling ingegaan. De zoon heeft grote ambities de wereld te kunnen verbeteren. De vader is door het leven echter al zo beschadigd dat zijn idealisme is gesmoord. Hij moet zien te overleven. Het kost hem moeite de waarheid in woorden te vangen. Het enige wat hem rest, is de kracht van zijn taal. Gedichten waarin hij nog iets van waarde kan scheppen.

In de tweede strofe voert de vader een gesprek met de lezer. Hij vergoelijkt daarin het gedrag van de zoon. Hoe begrijpelijk het is dat je op zo’n jonge leeftijd geen mening hebt en enkel anderen napraat. Dat je nog niks hebt bereikt en het moet stellen met een vader die jou niet begrijpen wil. Een vader aan wie je in je kwetsbare tijd nog minder hebt dan aan ‘een dode vader’. De vraag is of de vader meent wat hij zegt of is hij ironisch?

De derde strofe betreft een boze uitbarsting van de vader. Als hij zijn zoon, de idealist, met een ‘gvd’ zegt nu eens iets van zijn leven te maken. Dat het hoog tijd wordt een ‘eigen leven’ op te bouwen. Dat hij alleen door schade en schande wijs wordt en beseft wat ‘verdriet’ werkelijk betekent.
Dat is beter dan zelfbeklag vanwege een paar vrouwen: ‘een vrouw of twee’. De vader pakt de zoon hard aan. Hij stuurt hem de als het ware de wijde wereld in. De zoon moet in overdrachtelijke zin op zwerftocht gaan en over ‘een jaar of tien’ maar eens terugkomen.

De apotheose van het vers is het moment, waarop de zoon na tien jaar terugkeert. Een periode waarin hij het echte leven heeft leren kennen, verdriet en tegenslagen heeft gekend en tot inkeer is gekomen. Een moment waarop de vader kan zeggen: Ik heb je weer terug: ‘je bent dezelfde gebleven’.

 

Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com
Nieuwsgierig naar de volgende KP? Noteer zaterdag 24 oktober 2026, KP64 met daarin het intrigerende gedicht van Hannemieke Stamperius: Eventjes.

Over de auteur

- belicht in de serie Kamerpoëzie maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.