Gepubliceerd op: maandag 7 september 2026

Flambard

 

Ik liep te hannesen, probeerde mijn pasje op te rapen van de gladde, brede plavuis van het plein, wat niet zo eenvoudig was vanwege mijn gisteren kortgewiekte vingernagels. Eenmaal opgeraapt schoof ik het terug in mijn portemonnee en keek op naar een man met een flambard. Deze kwibus stond verdacht dicht naast me. Hij keek me met verbazing aan. Even dacht ik dat ik een faux-pas had gemaakt, gelijk mijn natuur, waarbij ik er altijd vanuit ging dat ik een sociale code overschreden had. Maar er kon toch niets slechts schuilen in het verliezen van een pasje op de grond van het overdekte plein van het historische kwartier? Ik strekte mijn mondhoeken en sperde mijn oogleden in een poging een vriendelijke uitdrukking uit te stralen. De flambardman had een volle baard en een stompneus. Met zijn veloursachtige jas, die borduursels aan de mouwen had, was hij een vreemde eend in de bijt te noemen, te midden van het winkelend publiek. En er begon een zacht vermoeden bij me te dagen. Het was of er een balletje in mijn schedel had rond gerold op een schijf, tot het door het gat in het midden ervan verdween. Deze flambardman was natuurlijk zo’n speler, een acteur die de historische tijd moest vertolken.

‘Welk personage stelt u voor?’ vroeg ik de man. Ik verwachtte een aangedikte monoloog over het leven in de stad anno veertiende eeuw, een gegeven waar ik wel even tijd voor kon maken.
‘Welk personage moet jij goddomme voorstellen?’ diende de man me van repliek. Het was of hij de woorden op de grond voor mijn schoenen uitspuugde.
‘Het spijt me,’ zei ik, vervallend in mijn tweede natuur van verontschuldigingen.
De flambardman hield oogcontact, onderwijl graaiend in zijn zak. Zonder zijn blik te verbreken, flapte hij zijn buideltje shag open en rolde een sigaret.
‘Frappant, nietwaar?’ sprak hij plots, op een evenzeer verongelijkte toon als eerder.
Indien dit een rollenspel was, dacht ik, dan werd dit veel te ver doorgevoerd.
‘Dank u wel,’ zei ik, omdat ik niets anders te zeggen wist.
De flambardman bevroor even, alsof iemand hem een slag in zijn gezicht had uitgedeeld.
‘Ik zal jou eens iets laten zien waar je echt dankbaar voor zult zijn.’
Hij nam een stap achteruit, als was het een aanloop om op mijn lichaam te gaan beuken. Ik zette me schrap.
‘We kunnen dit oplossen,’ klonk mijn kelig stemmetje. Ik baalde van de samentrekking in mijn keel. Jarenlang had ik moeite moeten doen om mijn aandacht bij mijn stem te houden. Oefeningen om te ontspannen, zodat mijn stem kon indalen, zodat die zwaarder werd. Zware stemmen hebben overwicht, meende ik. Toen keek ik weer op naar de flambardman, in afwachting van hoon. In afwachting van een beuk.
‘Wat wil je oplossen?’ vroeg de flambardman bars, die zijn intimiderende beweging had ingetrokken, als ingegeven door een volgende opwelling. Hij had zijn gewikkelde shag in zijn mond geprikt zonder het aan te steken. ‘Het is al te laat.’

Ik veegde voor de vorm onder mijn neus en keek om me heen. Ik wilde de winkelstraat inlopen, ver weg van dit tafereel waar ik momenteel een rol in speelde. Maar op het moment dat ik weer een blik op de man wierp, had deze een gegriefde expressie. De man keek van me weg.
‘Ik vind het niet eens gek,’ sprak de man ingetogen verder. ‘Je ziet er goed uit. En ik ben een klootzak geweest.’
Mijn hoofd werkte op volle toeren. Er goed uitzien was niet mijn forté. Tenzij vergeleken met een zwerver. Of met deze flambardman. Ik ging alle plekken af waar ik regelmatig kwam. Mijn flat, de chocoladewinkel, bar La Mousse. Had ik iets gedaan op de poëzie-evenementen die ik eens in de zoveel tijd bezocht? Was dit de partner van een vrouw waar ik een onenightstand mee had gehad? En hoeveel waren er dat nu geweest? Ik kon met geen mogelijkheid deze flambardman plaatsen. Nogmaals keek ik naar de figuur voor me. Die potsierlijke plooien op zijn mouwen, die neus, die baard. ‘Ik geloof niet dat ik u ken.’
‘Dat zou ik ook zeggen.’

De man was misschien dronken. Of hij had een willekeurig persoon, moedwillig of niet, deelgenoot gemaakt van zijn opgekropte frustratie. Was ik vangnet voor randfiguren?
De flambardman nam zijn flambard van zijn hoofd. In zijn handen zakte het ineen, was het plots doods.
‘Ik zweer het je,’ zei de man zonder flambard op zijn hoofd. ‘Ik wilde je van kant maken. Maar nu realiseer ik me dat ik een onbenul ben. Het is mijn eigen schuld.’ Hij sloot zijn ogen en kantelde zijn gezicht naar de hemel zodat het zonlicht ving. ‘Het is allemaal wederkerig, weet je.’ Zijn lichaam stond stil als een pilaar. ‘Alles.’

En ik zag in gedachten hoe ik zelf met een meewarige blik uit de trein keek. De trein die ik dagelijks nam om dit oord te bereiken en vervolgens te lopen naar een plek waar ik uren achter een computer zat om er symbolen in te voeren. Hoe ik dit tot mijn pensionering zou doen en misschien zelfs vrijwillig daarna. Hoe elke dag overvloeide tot de volgende en zich klonterde tot één grote, vettige kluwen. Ik rook natte jassen en zag sombere, in zichzelf gekeerde forenzen, net als ikzelf. In mijn buik begon het te gloeien, tergend te gloeien. Het gloeide zo erg dat ik dacht dat het mijn buikwand zou uitbranden en iedereen op het plein mijn ingewanden kon bekijken.

 

Over de auteur

- dichter, schrijver, theatermaker - publiceerde eerder bij o.a. Tirade, Liter en Hollands Maandblad. Zijn dichtdebuut 'Het Firmament Tussendoor' werd genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs. In 2025 publiceerde hij zijn tweede dichtbundel 'Aardvark Tremendum'.