Als ik later groot ben
Wat wil je worden als je later groot bent? – is een van de irritantere volwassenenvragen aan kleintjes. ‘Ik ben toch al groot?’ is mijn eerste reactie. Alsof klein zijn alleen maar een opstapje is naar groot worden in plaats van iets van zichzelf.
‘Wat wil je later worden?’ Niks! Ik wil niks worden! Want iets worden, iets zijn, betekent automatisch dat je een heleboel andere dingen niet bent geworden – dingen die waarschijnlijk veel leuker zijn. Overwegwachter. Speleoloog. Boekhouder. Kikkerviskundige. Fietsenmaker.
Nee, zelfs dat is het niet wat mij zo tegen de borst stuit van de vraag ‘Wat wil je later worden?’ Het is het hele idee dat een mens samenvalt met zijn beroep, dat is er zo erg aan. Dat je een etiket kan plakken op een mens. Overwegwachter. Speleoloog. Boekhouder. Kikkerviskundige. Fietsenmaker. En dat die mensen dan niets anders zijn. Bijvoorbeeld mensen. Alsof het wat uitmaakt wat je doet. Alsof dat leven is, een beroep hebben. Werken voor je geld. Dat walgt mij er nog steeds zo van aan. In een spoor geduwd worden. Mee moeten doen.
Ik heb in elk geval nooit antwoord op die vraag gegeven, ‘Wat wil je worden als je later groot bent?’ Ik heb zelfs nooit willen weten wat ik wilde worden als ik later groot was. Zelfs toen er beroepskeuzetests werden gedaan op de middelbare school was ik de enige die het vertikte me te laten testen. Ik wilde helemaal niet weten waar ik voor deugde. En al helemaal niet de verkeerde kant op gestuurd worden door zo’n stom advies. Laat staan de goede kant. Dan ga je daar maar weer over nadenken, en voor je het weet is dat wat je later wordt. Brr.

Eén voordeel van later groot zijn is dat je dan dingen mag doen die je niet mocht toen je vroeger klein was. Vandaar deze kleine, maar eindeloos uitbreidbare tirade om het volwassenenvolk achter een schutting te doen vluchten. Want er is nog veel meer mogelijk om te doen als je later groot bent. Bijvoorbeeld scheepjes vouwen van de krant, kijken of een iPad drijft, over straat in Batmanpak, al je ratten, fretten, vogelspinnen en megaknuffels van de kermis meenemen op vakantie, zelf je haren knippen, alle woorden fout schrijven, de hele dag met de lift op en neer gaan, je spookkostuum aantrekken en iedereen bespringen in het donker, tegen iedereen “Hé, oen!” roepen, en dat zijn nog de onschuldigere dingen.
En wat doe ik op dit moment, nu ik later groot ben? Beter om daar niet al te diep over na te denken. Er zijn veel te veel dingen die ik alleen maar doe omdat anderen het ook doen. Voor de lieve vrede. Omdat het makkelijker is. Omdat het de weg van de minste weerstand is. Omdat ik ook mee moet doen.
Groot worden, mensen, doe het niet. De roeping van de mens is mens te zijn.
Als ik later groot ben
als ik later groot ben
1 neem ik geen schildpadden maar krokodillenals ik later groot ben
2 ga ik wedstrijden houden in hard gillenals ik later groot ben
3 ga ik met m’n onderbroek op hoofd naar schoolals ik later groot ben
4 smeer ik de keuken vol met boerenkoolals ik later groot ben
5 gooi ik waterbommetjes naar de burenals ik later groot ben
6 teken ik poppetjes op de murenals ik later groot ben
7 laat ik niemand ooit z’n zin afmakenals ik later groot ben
8 ga ik vogels vangen op de dakenals ik later groot ben
9 ga ik nooit meer nooit meer ook maar iets meer doenals ik later groot ben
10 zet ik elke dag voor Sinterklaas mijn schoenals ik later groot ben
11 mag niemand met mijn speelgoed spelenals ik later groot ben
12 bouw ik de hele zomer zandkastelenals ik later groot ben
13 was ik nooit meer m’n gezichtals ik later groot ben
14 doe ik nooit de deur meer dichtals ik later groot ben
15 ga ik overal m’n naam in krassenals ik later groot ben
16 kies ik zelf uit wie er ’s avonds op komt passenals ik later groot ben
17 spring ik op mijn bed zolang ik wilals ik later groot ben
18 ben ik nooit meer eindelijk eens stilals ik later groot ben
19 eet ik alleen maar friet en hagelslagals ik later groot ben
20 doe ik alles wat ik nu niet mag
—
De illustratie is van Vladimir Konasjevitsj uit Kornej Tsjoekovski, Tsjerepacha (Schildpad), Gosizdat, 1929, op togdazine, hier.
