Gepubliceerd op: maandag 20 juli 2026

Pogingen na raad

 

Biertjes drinken, had hij met enige nonchalance geantwoord op mijn vraag. We zaten net buiten het drukbevolkte centrum van de hoofdstad, op een plek waar ik uit eigen keuze nooit zou zijn aanbeland. Een bruin café op een dinsdagochtend, dat misschien door dit tijdstip nog miserabeler aandeed dan dat het doorgaans was. En blijven nahangen, had hij toegevoegd, zonder uit te weiden wat dat nahangen precies inhield. Ik constateerde, terwijl mijn vingers met een viltje speelde, dat het twee zaken waren die niet in mijn aard lagen.

Het waren praktische vragen die tot de ontmoeting geleid hadden: hoe kom ik aan opdrachten, hoe zorg ik voor aansluiting bij een nijverig netwerk? Maar de nijpende vraag achter deze façade was uiteraard: hoe vind ik een weg uit mijn berooide bestaan? Een toestand die allesomvattend was en mijn dagelijks leven lamlegde. Hoffelijk als hij was, gaf D netjes antwoord, want hij had mijn financiële gesteldheid allang gezien aan mijn jas, een ding dat al acht vochtige jaren had doorgemaakt en dit ook uitstraalde. D was nooit te beroerd om een vakgenoot te helpen, bij te staan. Van de buitenkant leek het hem altijd voor de wind te gaan. Dat had wellicht te maken met zijn gemoedelijke voorkomen; half bohemién die ongekookt uit de hoek kon komen, half knuffelbeer. Iemand die je iets gunt, nog voordat hij het vraagt. Dus met liefde deelde hij de verhulde stapstenen van het letterkundige vak. Waar het kon zou hij zelfs moeite doen om me een optreden te bezorgen, zoals voetbalvriendjes uit mijn jeugd hun vingers vervlechten om me zo een opstapje aan te reiken waarmee ik makkelijker over het hek van het verlaten voetbalveld kon klimmen. Ik had veel aan D te danken.

De volgende maanden trachtte ik tenminste één van de twee tips van D te gebruiken. Gezien ik geen alcohol nuttig, en ik ook geen heil zag daarin een verandering in aan te brengen, besloot ik te blijven ‘nahangen’ tijdens literaire evenementen.

Poging één voerde ik uit tijdens een literaire avond waar ik een dot geld van mijn karige bankrekening had geïnd om het entreegeld te kunnen bekostigen. Na afloop van het reguliere program, liep ik de foyer in. Aldaar had schrijvend allooi zich geschaard rond statafels. Mijn aanname was dat zij zich allen gevoegd hadden bij de collegae die ze kenden, zodat er vertrouwde kringetjes ontstonden. Gezien ik bij geen eilandje hoorde, liep ik schoorvoetend naar een tafeltje waar ik een gezicht meende te herkennen. Eenmaal aangekomen glimlachte ik naar het bewuste gezicht, waarop hij mijn groet met een hautaine uitdrukking beantwoordde. Ik probeerde een gesprek uit met de dame die naast me stond, maar zij leek een gelofte van zwijgen te hebben afgelegd en keek me schaapachtig aan bij mijn verbale pogingen tot contact. Ik voelde iets opbollen in mijn binnenste en besloot te vertrekken. De aanblik van mijn fiets deed de bolling verdwijnen.

Bij poging twee nam ik wederom een som uit mijn slinkende rekening om een toegangsticket voor het evenement te bestellen. Het voelde ambigu: mijn initiatieven tot aanwezigheid bij dergelijke activiteiten waren juist bedoeld om opdrachten binnen te hengelen zodat de kas waar ik uit nam weer aangevuld kon worden. Het duizelde wanneer ik erover nadacht.
De sfeer was uitgelaten in het afgehuurde theater. Presentatoren op het podium maakten ronkende grappen en schetterende muziek klonk na iedere voordracht. Het publiek genoot hoorbaar. Het programma liep na anderhalf uur jolijt ten einde. Op naar de foyer. Ik sprak een enthousiaste jongeman. Hij was niet zo van de literatuur, zei hij, maar had vooral interesse in de architectuur en geschiedenis van het theater. Hij kwam uit een andere provincie. Dit evenement hoorde bij zijn dagje uit. Ik besefte al gauw dat hij niet tot de uitverkorenen behoorde waar ik mezelf over het voetlicht kon plaatsen, maar ik vond het behoorlijk onbeschoft om het gesprek om deze reden af te kappen. En de eerlijkheid gebood me te zeggen dat het ook comfortabel was met iemand te interacteren, in plaats van het onnozel ronddolen tussen de tafels van de foyer, dorstig naar contact. Nadat ik was ingelicht over de architectuur van Ben van Berkel en welk gebouw de citruspers heette, vertrok de provinciaal naar de garderobe. Hij moest zijn trein halen. Ik zag hem me nog charmant nawuiven. Ik inhaleerde lucht door mijn neus en draaide me om aan de bar. Een aantal lui waarvan ik aannam dat ze kunstzinnig moesten zijn keuvelden iets verderop met elkaar. Ik naderde ze, maar merkte al snel dat ze in verregaande staat van dronkenschap verkeerden. Een verstandig woord zat er niet meer tussen, tenzij de discussie of een fopspeen gekoppeld kon worden aan een batterij zodat het tot energieopwekker getransformeerd kon worden mocht doorgaan als een beschaafd gesprek. Toen een luide oprisping door de inmiddels bijna verlaten foyer echode, wist ik dat ik naar huis moest gaan. Mijn appelsap had ik nauwelijks aangeraakt.

Poging drie was goddank een vrij toegankelijk festival, waarbij ook literatuur aan bod zou komen. Naast een rits aan amateurs, die nerveus trippelden voordat ze hun vers met gesloten ogen het publiek in mochten lanceren, waren er redacteurs van een tijdschrift aanwezig. Zowaar was er ook een schare aan dichters present, die ik herkende van enkele bundels waar hun tronies op het achterplat prijkten. Strategisch nam ik plaats midden in de zaal, zodat ik omringd zou worden door publiek en ik heimelijk hun gesprekken kon opvangen. Met die informatie kon ik vervolgens bepalen wie ik later quasi spontaan zou aanschieten. Halverwege de tweede voordracht klonk een loeiend geluid. Het nam aan in scherpte, zodat enkele toeschouwers met handen hun oren bedekten tegen het geweld. Meteen schoten de lampen boven ons aan. Nu werden er handen voor ogen gestoken vanwege de plotse felheid. Een stem gebood ons de ruimte te verlaten. We volgden dit commando op, niet in staat tot weerstand. Het was vreemd, bedacht ik me nog, hoe een autoritaire stem beweging afdwingt.
Eenmaal in de kille buitenlucht leek iedereen te bekomen van de ervaring. Het ene moment zaten we in een beeldend gedicht, een volgend moment stonden we tegenover een neonbelichte snackbar waar luide balkanbeats door de open deur joegen.
Ik meende dat dit een uitgelezen mogelijkheid was om onbevangen een gesprek met elkaar te voeren. Een gezamenlijk beleefde ervaring verbindt, meende ik ergens te hebben opgepikt. Maar niets van dit alles. De helft van de groep waaierde naar het westen uit in de straat, waarvan ik nog een tweetal de snackbar zag inschieten, en de andere helft bewoog zich langzaam in oostelijke richting. Bovendien had ik in geen van de gezichten de dichters herkend. Het was alsof zij onderweg naar de nooduitgang waren opgelost. Een paar tellen later stelde ik enigszins verbaasd vast dat ik als enige nog bij de nooduitgang van het gebouw stond.

Met een zwaar gemoed liep ik naar het station. Drie pogingen hadden niets opgeleverd. Een dag daarvoor was een publicatie bij een tijdschrift afgewezen en een project waarbij ik als schrijver betrokken zou worden was niet gehonoreerd door het fonds. De pressie deed mijn nek gloeien.

Mijn gsm trilde. Ik haalde het onding tevoorschijn en keek op het display. Het was een sms van D. ‘Om terug te komen op mijn advies: de kern ervan is natuurlijk dat literatuur an sich natuurlijk totaal ongeschikt is als commerciële inspanning. Tenzij je hevige concessies maakt. Maar dat had je allicht al begrepen.’

 

Over de auteur

- dichter, schrijver, theatermaker - publiceerde eerder bij o.a. Tirade, Liter en Hollands Maandblad. Zijn dichtdebuut 'Het Firmament Tussendoor' werd genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs. In 2025 publiceerde hij zijn tweede dichtbundel 'Aardvark Tremendum'.