Gepubliceerd op: zaterdag 25 juli 2026

KP62: J.M.W. Scheltema

 

Huil niet, Majorca

Want je vader zal komen en zal je slaan
En zijn hand zal rood op je lichaam staan.
Hoor je de honden,
De honden, Majorca,
Heel in de verte blaffen gaan?
Hoor je de dronkenmanspraat in de wind?

Je dronken vader komt er aan.
De weg is te smal en het meer is diep:
Hoorde je, hoe hij mijn naam daar riep?
‘Maria!’
Zet het raam wijd open, dan kun je goed horen,
‘Maria… Maria!’
Heeft dovemansoren,
We doen net alsof we niets verstaan,
‘Maria! Kom hier!’
Nee, Majorca, niet gaan.
Hoor je de plons in het zwarte meer?
Zijn vuist slaat vergeefs in het water neer
En de golven klotsen in zijn mond;
Drink! Als je drinken zo lekker vond.
Luister, zijn stem is al zwakker gaan klinken:
‘Maria…’ Ja, jongen, ik laat je verdrinken,
Sst! Nog eenmaal zijn stem in de wind:
‘Maria… vergeef me… en zorg voor…’

Langzaam verstrijken de rimpels in ’t water
En langzaam verschijnen ze op mijn gezicht;
Drie jaar geleden is vader verdronken,
Slaap zacht, Majorca, want morgen is ’t licht.

 

De dichter J.M.W. Scheltema
Zo veelbelovend zijn leven aanvangt, zo tragisch komt het aan zijn eind. Pim Scheltema aanschouwt in het prille voorjaar van 1921 als zoon van een Delftse huisarts het levenslicht in de prinsenstad. Pim kan goed leren, doorloopt het gymnasium, waarna hij rechten gaat studeren in Leiden. Zoals het een student uit bevoorrechte kringen betaamt, wordt hij lid van een van de Leidse studentenverenigingen, L.S.C. Minerva. Intussen ontpopt hij zich als veelbelovend dichter.

Zijn literaire talent blijft dan ook niet onopgemerkt. De dichter Adriaan Morriën, eindredacteur van het toenmalige, gezaghebbende literaire blad Criterium, ontdekt zijn gedichten in studentenblaadjes en vraagt hem bijdragen te leveren aan zijn magazine. Dan slaat het noodlot toe. De jonge student komt door een tragisch incident, een dwaalkogel, om het leven. Wat is er gebeurd?

Studenten van het Leidse corps, waarvan Pim lid is, begeven zich met studentikoze onbezonnenheid, lichtelijk aangeschoten buiten hun verenigingslokaal. Pim etaleert daarbij enig kwajongensachtig gedrag. Hij slaat met genoegen hoedjes van het hoofd van eerzame dames, waarna een gewaarschuwde agent ingrijpt. Die interventie loopt echter vreselijk uit de hand; de agent voelt zich op een zeker moment bedreigd door de plagende meute, waardoor hij genoodzaakt is zich met zijn pistool te verdedigen. Een afgezwaaide kogel raakt Pim dusdanig, dat hij met spoed naar het Leids Academisch Ziekenhuis wordt gebracht, waar hij aan zijn verwondingen overlijdt. Korte tijd daarna wordt zijn gedicht ‘Huil niet Majorca’ in Criterium opgenomen als hommage aan zijn wrange dood.

In zekere zin is Scheltema, waarschijnlijk zonder daarvan enig besef te hebben, een van de vroege trompettisten van de beweging van Vijftig. Hij schrijft ooit een gedicht in het pseudo-Hongaars, dat bij declamatie als Nederlands is te verstaan. Hij demonstreert daarbij een creatief en vernuftig spel van vorm, klank en betekenis, een artistieke prestatie die de beweging van Vijftig waardig is.

Een vriend van Scheltema, de latere scheepsarcheoloog-dichter Louis Th. Lehmann (1920 – 2012) verzorgt in 1948 een uitgave van Scheltema’s werk onder de naam: ‘Chansons, Gedichten en Studentenliederen’. De bloemlezing bereikt zes keer een herdruk. De bekende recensent Anton van Duinkerken is lovend over de bundel, getuige zijn artikel daarover in zijn lijfblad De Tijd van mei 1948.

De vorm van het gedicht
We hebben hier te maken met een episch gedicht. Veel eerder proza dan poëzie. Naadloos is de wijze waarop de directe rede in het prozagedicht in de verhaallijn is geïntegreerd. Ook de structuur van het gedicht is doordacht. Allereerst een korte inleiding, een anteludium, waarin de piketpalen van een klein maar heus gezinsdrama zijn uitgezet. Daarna volgt het corpus: de moeder die de toedracht van de verdrinkingsdood van haar echtgenoot aan bed van haar slapend dochtertje opbiecht. Vervolgens het postludium of het slot: de wroeging enerzijds over wat is geschied en anderzijds de blijdschap dat haar kind in zorgeloosheid kan opgroeien. Maar in het besef dat haar zelfverwijt is gezwollen tot ondraaglijke proporties.

De regellengte is onregelmatig en a-metrisch. Het gedicht staat dan ook bol van emoties: angst, rancune, rouw, verdriet. En dat zijn gemoedsaandoeningen die nu eenmaal niet vanuit een strak gereguleerde metriek maar vanuit een natuurlijke, ongekunstelde ritmiek opwellen. Heel bijzonder daarbij is de wijze waarop de moeder over haar dronken echtgenoot spreekt.
In V1 en V2 spreekt zij de afstandelijke woorden: ‘je vader’; in de laatste twee versregels wordt liefdevoller over hem gesproken in de vorm van ‘vader’. Opvallend daarbij is ook het verschil tussen moeders beschuldigingen en verwijten jegens de vader bij aanvang van het gedicht en haar enigszins verholen maar voelbare zelfbeschuldiging aan het slot.

In het gedicht speelt het tijdsaspect een belangrijke rol. De eerste en tweede strofe spelen zich in het verleden af. Een verleden waarover de moeder een monoloog houdt in flash backs aan het bed van Majorca. Een alleenspraak die verhaalt over die ene avond, waarop de dronken vader te water raakt en verdrinkt. Hoe hij om hulp roept. Hoe hij wanhopig naar zijn vrouw schreeuwt. Uiteindelijk voelt en weet hij dat zij hem deze keer niet meer te hulp schiet. Het enige wat rest, is zijn smeekbede hem te vergeven.

De derde strofe speelt zich af in het heden, namelijk het moment, waarop inmiddels drie jaar na vaders verdrinkingsdood zijn verstreken.

De inhoud van het gedicht
Toeval of niet? De inhoud van het voorliggende gedicht van de jong omgekomen rechtenstudent, Pim Scheltema, is in zekere zin een voorbode van zijn eigen dood. Bovenmatig alcoholgebruik kan leiden tot mentale overmoed, pesterig gedrag, ruzie of fysiek geweld met niet zelden tragische gevolgen.

Ging het bij Scheltema om een fatale combinatie van alcohol en onbezonnen plagerijen. In het gedicht gaat het om door alcohol aangedreven, fysiek geweld van een vader jegens zijn gezin. Het gedicht wordt gedragen door hevige emoties van moeder en kind, van een steeds terugkerende angst en van alsmaar groeiende haatgevoelens van de moeder jegens haar man. Hij heeft het leven van zijn gezin tot een ware hel gemaakt. Een leven waarin radeloosheid leidt tot zijn fatale verdrinkingsdood.

In de eerste strofe lijkt het erop dat de vader opnieuw in diep beschonken staat huiswaarts keert, want ‘in de verte’ slaan ‘de honden’ aan en draagt de wind zijn brallende ‘dronkenmanstaal’ tot aan het vensterraam. En de moeder weet dat hij haar nu nog slapend kind weer zal slaan uit woede vanwege zijn onmacht en in het besef dat hij zijn vrouw allang kwijt is.
Moeders intuïtie lijkt haar te zeggen dat hun helse leven nu snel voorbij is: dus ‘huil niet Majorca’. In de lange, tweede strofe, het corpus van het gedicht, gaan de gedachten van de moeder verder als zij Majorca zegt: “Hoorde je, hoe hij mijn naam daar riep? ‘Maria!’”
Maria weet welk drama zich daarginds afspeelt, want de weg is smal en het zwarte water van het meer is diep. En opnieuw klinkt wanhopig zijn angstige hulproep: ‘Maria . . . Maria!’ Maar het verbitterde hart van Maria luistert niet. Reageert ook niet op zijn dreigende toon: ‘Maria! Kom hier!’

Als het meisje in haar slaap lijkt te zeggen dat pappa gered moet worden, zegt moeder: ‘Nee, Majorca, niet gaan’. Het heeft geen zin meer; hij is met zijn dronken kop in het water beland, slaat met de armen woest om zich heen en slurpt wanhopig maar tevergeefs de golfslag in zijn mond: ‘Drink! Als je drinken zo lekker vond’. Langzaam worden zijn noodkreten zwakker; klinkt zijn ‘Maria’. . . breekbaarder: ‘Ja, jongen ik laat je verdrinken’. En dan klinkt nog eenmaal zijn stem en hoort zij zijn laatste woorden: ‘Maria . . . vergeef me . . . en zorg voor. . .’

Dan volgt de staart van het gedicht. De jaren verstrijken. Langzaam zijn de laatste rimpels in het dodelijke water verdwenen. Maar in plaats daarvan zijn in het gezicht van de moeder diepe kerven verschenen als sporen van een diepe tragiek, waarvan alleen zij weet heeft. Ooit hield zij van hem maar meer nog van haar kind tegen wie ze in gedachten zegt: ‘Drie jaar geleden is vader verdronken, / Slaap zacht, Majorca, want morgen is ’t licht.’

 

Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com

In verband met de zomervakantie zal er in de maand augustus geen KP verschijnen. Op de 4e zaterdag van september pakken we de draad weer op met een analyse van een gedicht van Herman de Coninck: ‘De parabel van de verloren vader’.

Over de auteur

- belicht in de serie Kamerpoëzie maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.