Voorwoord voor ongepubliceerd proza
V zocht een klankbord voor haar manuscript. Zo had ze het aangekondigd: klankbord. Maar ik mocht hierin een zeer kritische lezer zijn, verzekerde ze me, dat werd zelfs gewaardeerd. Twee weken nadat ze me het manuscript had opgestuurd, waar ik nog niet aan toegekomen was, volgde een voorwoord dat van toepassing was op het manuscript. Er zat geen verdere toelichting bij het voorwoord. Ik besloot het snel door te nemen. De tekst bracht me in een eigenaardige stemming. Het trof me zodanig dat ik besloot alle taken van die dag te schrappen en terstond haar manuscript ter hand nam. Dit was het voorwoord dat ze me toezond.
Mijn agent raadde me af dit werk te publiceren. Nou ja, Ezin is niet echt mijn agent. Hij noemt zichzelf een soort tussenpersoon, maar hij dringt vaak genoeg zijn mening op. Wat in principe best vermakelijk is, want hij leest bar weinig. Vlak nadat ‘De lichten die zich uitdijen’ uitkwam, deelde hij me mee dat hij het verhaal over die souschef van een wegrestaurant een beetje smakeloos vond. Zijn vrouw gaf meer context, nadat ze mijn beduusde uitdrukking opnam en vertelde me dat Ezin tegelijkertijd met mijn boek een uitgave van T.C. Boyle probeerde te lezen. Ezin haalde verhalen door elkaar. Uiteindelijk heeft hij geen van beide boeken uitgelezen.
Hoe dan ook, Ezin vertelde me dat ernstige problemen – hij maakte hierbij het universele gebaar van zijn opgeheven rechterwijsvinger – in het verschiet lagen. Grote filmstudiobonzen zouden zich volgens hem handenwrijvend opmaken voor dure claims indien ik dit boek, dat u nu in handen heeft, zou publiceren. Om juridische redenen heb ik daarom maar de voornaam van onze bijzondere ster weggelaten.
Ja: dit is een bizar boek. Mijn proeflezers definiëren het als “fantasierijk”, wat naar mijn mening een groots compliment is. Maar de beschreven ervaringen uit dit boek zijn waar. Behalve dat verhaal met de kangoeroe, secondelijm en de vlucht naar Des Moines. Dat is enigermate aangedikt voor dramatisch effect.
Waar het allemaal precies begon, kan ik niet helder vastleggen. Wanneer hij voor het eerst contact met me opnam kan ik terughalen, maar dit was geen begin van ons contact. Inderdaad: Fabier was degene die met mij contact opnam. Het moet in 2011 geweest zijn, want ik herinner me dat Suki, een Japanse vis van een vriend, een paar weken bij me logeerde. Ik werkte op dat moment als docent aan een universiteit (het noemt zichzelf ‘University’ in het Engels, maar het is meer een hogeschool voor beroepsonderwijs) en kwam thuis op mijn boot (en ik besef dat ik door mijn woonplek te noemen een vrijmoedige indruk geef, maar geloof me, de aanwezige diesellucht in alle vertrekken was nu niet bepaald erg verantwoord). Weldra rinkelde mijn telefoon. Ik moet toegeven dat ik geen liefhebber van elektronica ben. Die tijd, net als nu, waren er momenten dat mijn mobiele telefoon uit stond. Wat ook vaker voorkwam was dat ik het ding vergat mee te nemen zodra ik de deur uitging. Telefoons boeiden en boeien me niet, misschien komt het door het gevoel van isolatie dat ze me geven. Ik kan er hier wel een verhandeling over schrijven, maar zoals mijn salescoach altijd zegt: ik schiet er niets mee op. Hoe dan ook hoorde ik iets trillen op het glas van mijn dressoir. Er stond een rij cijfers op het display van de telefoon. Ik herinner me dat er veel negens tussenstonden. Omdat ik dol ben op het cijfer 9 – bij een vier had me het koud gelaten – nam ik op. Eerst hoorde ik een hoop lawaai. Door het ruisen ontcijferde ik een menselijke stem, maar geen gesproken woord. Wel gehijg. Daarna zelfs een beetje gekreun. Ik verviel tot de voor de hand liggende routine door herhaaldelijk hallo te zeggen. Met een verhoging op de o, als was het een omgekeerde glijbaan. Net op het moment dat ik wilde ophangen, hoorde ik duidelijk: “Hé Cossie, ben je daar? Ik ben in de…” en vervolgens nam het geruis het weer over. Het klonk alsof iemand belde vanaf de buitenkant van een net opgestegen vliegtuig. Er volgde niets meer en zodoende verbrak ik de verbinding.
Ik heb mezelf altijd als een bevoorrecht mens beschouwd. Niet vanwege mijn huidskleur, hoewel ik terdege weet dat het me voor benarde situaties behoed heeft, maar zoals men aangezet zou zeggen: ‘de zegeningen van het leven’. Na een fantastische jeugd, ondanks armoede, en een heerlijke adolescentie, heeft die lijn zich voortgezet in mijn verdere leven. Maar ondanks die weelde aan al dat fortuin zijn er maar vijf momenten in mijn leven geweest waarop ik echt gelukkig was. Wat ik hiermee wil zeggen is: ik had Fabier niet nodig. Hij was geen reddende engel in mijn wanhoop, geen gewenste oudere broer of een orakel in tijden van nood. Integendeel. In het begin was hij ronduit irritant, koppig en ongelooflijk vaag. Maar ik moet toegeven dat hij de tint van mijn dagen een beetje verlichtte.
Elf dagen verstreken na het eerste telefoontje.
Ik had geen verwarming in mijn slaapkamer, die zich bevond onder de brug, de achtersteven van de boot. Dus op die koude nachten kon het gebeuren dat ik wakker werd van de kou. In dat geval nam ik mijn dekbed mee naar de woonkamer, waar de temperatuur iets behaaglijker was. Met het dekbed om me heen gewikkeld, liep ik door de brug naar de hal en schoof de deuren van de woonkamer open. Een kwart ervan werd bevolkt door mijn gigantische hoekbank. Ik liet me in de armen van dit blauwe wezen vallen en probeerde verder te gaan waar ik gebleven was. Nadat ik me had neergestort op de bank klonk er na enkele minuten iets vibreren op het glas. Ik was te loom om naar het tafeltje te reiken. Maar na vier trilreeksen begon ik me te ergeren. Ik griste het ding van tafel, drukte op de groene knop en zette het aan mijn oorschelp. En toen, zoals ze zeggen, zou niets ooit weer hetzelfde zijn.

