Gepubliceerd op: zaterdag 27 juni 2026

KP61: Cees Buddingh’

 

Kleine gelijkenis

een oude dominikaan, die heel
zijn leven lang had gebeden, kwam
in de hemel. hoopvol vroeg hij: Heer,
mag ik roken onder het bidden?

nee, sprak de Heer. de monnik bad
en bad, zonder morren, als altijd, tot
hij een wolk zag, met twee jezuïeten, aan
enorme sigaren lurkend.

en die dan, Heer, wees hij. o, dat,
sprak de Heer, is heel wat anders: die
hebben gevraagd of zij onder het roken bidden mochten.

 

Cornelis Buddingh’ 1918 – 1985
Zijn populariteit dankt Buddingh’ vooral aan zijn gedichten ‘De blauwbilgorgel’ (1942) en zijn light verse ‘Pluk de dag’ (1966). Gedichten die op het eerste gezicht grappig zijn en over futiliteiten gaan, maar bij nader inzien dichters onbenullige observaties verheffen tot poëzie. Toch doen we Buddingh’ daarmee tekort, zoals we verderop zullen merken.

Cees is een jongen van het volk, geboortig in Dordrecht in een eenvoudig milieu. Ooit zei hij zelf daarover: ‘’Ik ben opgegroeid in de lower middle class’’. Hij doorloopt de HBS-A en studeert daarna met goed gevolg voor de 2e graads onderwijsbevoegdheid M.O.-A Engels. Hij is in die tijd en daarna voor langere perioden aan bed gekluisterd als gevolg van tuberculose.

De 2e Wereldoorlog is naderbij gekomen en Cees is inmiddels dienstplichtig, zodat hij wordt opgeroepen voor de militaire dienst. Hij dient in diverse regimenten en schrijft in die jaren zijn eerste gedichten die gepubliceerd worden in Criterium, waarna al snel dichtbundels volgen, waaronder zijn befaamde gorgelrijmen; gedichten die surrealistisch van aard zijn.
Het draait in die gedichten om dadaïstische karakteristieken, zoals veel onzinwoorden, absurditeiten, irrationele taal en experimenteel qua klank, rijm en vorm. Toch is Buddingh’ veel meer een dichter die te scharen is onder het keurmerk neorealisme aangevuld met dieper gelegen maar veelal verborgen neoromantische sentimenten.

Het surrealisme kwam als exponent in het Interbellum opzetten in de jaren dertig en zou een belangrijke voedingsbodem worden van de latere beweging van Vijftig. Buddingh’ was echter veel meer dan een experimenteel dichter. Hij was een bezielde performer, schreef proza, vertaalde uit het Engels, publiceerde dagboeknotities en was presentator op de televisie. Soms werkte hij samen met vooraanstaande Vijftigers: Vinkenoog en Schierbeek. Geborneerd was Cees niet. Daarnaast was hij in deeltijd werkzaam als vertaler aan het Instituut voor Vertaalkunde van de UvA. De eenvoudige jongen uit zomaar een straat in Dordrecht werd uiteindelijk ereburger van Dordrecht.

Maar dan komt in 1978 opeens die zure Willem Frederik Hermans om de hoek kijken en sabelt Buddingh’ in het NRC genadeloos neer. Zo gaat het met schrijvers; ze weten het altijd beter, zijn niet zelden arrogant en lopen altijd te zeuren over anderen en voor een dolkstoot in de rug deinzen ze niet terug. Buddingh’ lijkt daarna te zijn gebroken; hij raakt op de achtergrond en sterft na een operatie in 1985.
NB: Er is geen direct verband tussen Hermans’ kritiek en het overlijden van Buddingh’.

Buddingh’ was vooral een humorvolle dichter die zijn publiek veelvuldig aan het schaterlachen bracht. Remco Campert zei ooit: “Sinds Buddingh’ verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen”. Toch was zijn poëzie niet wars van ernst en diepgang. Niet altijd doorzag de lezer dat achter zijn daverende lach soms een traan schuil ging.
In de jaren zestig is Cees actief in de nieuwe bewegingen van die tijd en schrijft hij voor representatieve bladen, waaronder Gard Sivik en Barbarber.

Het gedicht ‘Kleine gelijkenis’
Een gelijkenis is een parabel in Bijbelse of filosofische zin, die te beschouwen is als beeldverhaal, waarachter meestal een diepere intentie of reflectie schuil gaat. Het verhaal of de anekdote op zich is realistisch, herkenbaar en heeft vaak te maken met het leven van alledag en is soms – zoals in dit geval – doorspekt met onschuldige humor.

Het strofische gedicht is modern in die zin dat het zich weinig gelegen laat liggen aan de regels van de interpunctie; ook het als beklemmend ervaren keurslijf van eindrijmschema’s laat de dichter achterwege. De taal is eenvoudig, grappig en soms van geveinsde eerbied. Kortom, een gedicht dat thuis hoort in de beweging van ’60 met onder meer Armando, Vaandeldrager en Verhagen.

Het gedicht is zijn titel waardig. Het gaat om een vergelijking tussen een dominicaan en twee jezuïeten. De dominicaan heeft een leven van godsvrucht achter de rug; zijn dagen werden gevuld met een niet-aflatende litanie van gebeden. En deze pater heeft dan ook de hoop en verwachting dat hij een streepje voor heeft bij Onze Lieve Heer. Hij vraagt zijn Heer dan ook, zodra hij over de drempel van de hemelpoort is gestapt of hij tijdens het bidden mag roken. Maar nee, dat mag niet.
De dominicaan, trouw aan zijn gelofte van gehoorzaamheid, berust daarin en zet in de hemel zijn aardse gewoonte voort met bidden. En dat doet ie zonder te mopperen of kwaad te spreken. Maar halverwege de tweede strofe is er een wending. De biddende pater ziet opeens een wolk naderen, waarop hij twee medebroeders van een andere orde ziet. En wat blijkt? Twee jezuïeten zitten daar samen heerlijk te lurken aan een grote bolknak. Maar dat mocht toch niet! Had de Heer hem dat niet eerder gezegd! De dominicaan laat het er niet bij zitten en gaat verhaal halen bij Onze Lieve Heer. ‘’Waarom zij wel en ik niet?’’, vraagt hij.
Het antwoord is verrassend. Het gaat bij de jezuïeten namelijk om een geheel andere kwestie, namelijk of er onder het roken ook gebeden mag worden. En daarover lijdt geen twijfel. Dat kan de Heer toch alleen maar toejuichen, niet dan?

Heerlijke naïviteit en grappigheid waarmee Buddingh’ zijn lezers onderdompelt. Tegelijkertijd een heel subtiel en speels besef dat ook in de hemel Gods wegen ondoorgrondelijk zijn. Zit achter deze koddigheid een diepere laag, zoals we in de eerste alinea hebben geopperd? Zeker wel. We kunnen eruit afleiden:
• dat je leven lang bidden op aarde je in de hemel geen privileges geeft;
• dat er ook in de hemel ongelijkheid is;
• dat de aardse genietingen niet te veel en te lang uitgesteld moeten worden;
• dat ook de Heer niet alles begrijpt;
• dat je vandaag al de dag moet plukken voor het te laat is;
• dat heilige zaken een beetje bespot dan wel geridiculiseerd worden.

Wat minder bekend over Buddingh’ is dat hij in de periode ’70 – ’80 diverse klassieke toneelstukken van William Shakespeare hertaalde. Dat wil zeggen dat hij bestaande vertalingen in een ander register herschreef met het oogmerk nieuwe doelgroepen te bereiken. Voor die hertalingen kreeg hij veel waardering.

Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com
Nieuwsgierig naar de volgende KP? Noteer zaterdag 24 juli 2026, KP62: J.M.W. (Pim) Scheltema, van een rechtenstudent die door dwaalkogel tragisch om het leven kwam.

Over de auteur

- belicht in de serie Kamerpoëzie maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.