Kan van denken poëzie gemaakt worden?
In 2013 ontving Henk Ester de C. Buddinghprijs voor zijn bundel Bijgeluiden. De jury noemde zijn poëzie ‘uiterst persoonlijk’ en ‘buitenpersoonlijk’ geschreven. Ester maakt ‘een weergaloze poëtische rondgang door de wereld, en wie zich met Ester op pad waagt, ontdekt hoe geestverruimend poëzie kan zijn.’ Dertien jaar later is Bijgeluiden uitgegroeid tot een cyclus, waarvan het recent verschenen zesde deel nu voor me ligt.
Om met de deur in huis te vallen. Vorm of vent? Ikzelf ben van 95% vent en 5% vorm. Als dichter van de vent-kant meen ik dat een dichter die wordt uitgegeven, zeker bij de Arbeiderspers, zijn stem maskerloos moet laten horen. Een dichter is geen toneelspeler.
Bijgeluiden. Ester geeft nergens zijn betekenis aan het woord ‘bijgeluiden’. Voor mij zijn bijgeluiden ongewenste geluiden; storende geluiden, door mechanische slijtage, een brom in de versterker. Hangt er iets los, kan het doorbranden? Bijgeluiden komen ongevraagd, zijn alarmerend. Ik lees zijn poëzie alsof het uit een dode kamer komt. Je hoort je eigen hartslag – kun je dat een bijgeluid noemen?
Voor mij is Ester een dichter van de vorm – niet steriel, verre van, strikt hygiënisch – een denkende dichter. Kan van denken poëzie gemaakt kan worden? Deze vraag, die ik me van filosoof Gaston Bachelard herinner, zoemt mee bij het lezen van zijn werk – als bijgeluid?
Dichters mijmeren over de geluiden van de tijd, die van toen, die van nu. Ik meen bij Ester de geluiden te horen van de intellectuele chaosjaren ’60- ’80, de tijd van de authentieke muzikale uitvoeringspraktijk, de Harnoncourts en het radicale tegenover, en de tijd van de radicale filosofen, en dichters als Rolf Dieter Brinkmann. En nu er toch namen vallen: Ester gebruikt graag namen van kunstenaars, niet de minste! Alsof zijn poëzie geschreven is voor het genootschap van gelijkgestemde ingewijden. Ik vind nergens een innerlijke noodzaak daartoe. Wat bijvoorbeeld Kurtág met mij doet weet ik, maar wat doet Kurtág met Ester? Oestvolskaja idem? Zijn het voor hem decorstukken? Reclameborden langs de snelweg van de dichtkunst? Of is hun muziek het bijgeluid? Moet ik de cyclus Bijgeluiden soms zien als een voorstudie voor een duiding later? Raamsopranen en alle eerdere bundels van Ester brengen mij terug naar mijn eigen houthakkerspaadjes.
In Raamsopranen staan gedichten met een intrigerende structuur. Zoals ‘Mijn brein staat open’, naar een spreuk van de wiskundige Paul Erdös, mijn prototype van de schobberdebonker:
Het spookdeeltje in het denken schreeuwt tutti en vertrekt
Motor van meercelligheid Drijft kamers uiteen Voordat zij
zijn ingericht Zijn lyriek is vreugde Opmerkzaamheid
Dirigeert een onuitgesproken vlucht Verlangt niets
Hoort eenvoud, neemt afscheid Deelt geen begrip, geen
onbereikbaar slotakkoord Spookdeeltje Dat het diepste
zwart bedacht Het felste licht heeft voorgesteld Het duurt
Blijft achter bij wat het voorstelt en vertrekt Er huist
een dichter in het denken.
Een zin begint met een hoofdletter, blijft (ogenschijnlijk) onafgemaakt doordat er een woord volgt met een hoofdletter, die het begin aangeeft van een nieuwe zin. Enzovoort. Indachtig de plaats die muziek in Raamsopranen inneemt, komt het beeld bij me op dat ik luister naar een meerstemmig koor. Om de structuur te kunnen verklaren, stel ik me voor dat iedere stem een eigen spoor heeft, waar de opnameleider (hier, de dichter zelf) naar believen de schuif bedient. Het effect is een ‘geschubd’ gedicht. Iedere stem is, om
in de beeldspraak van Ester te blijven, de drager geworden van een wegstervend vuur, een niet doorgekomen boodschap, een gesnoerde mond, een afgekapte suggestie, een betekenis in wording.
Is de rijke poëzie van Ester de uitdrukking van wat taal werkelijk is, het aanwezige in ons brein? Misschien is het geschubde de uitdrukking van ‘er is een overvloed aan taal, dat gezegd, geschreven moet worden, en welnu!’ Is de interface tussen brein en papier overstuurd? Is zijn akoestische omzetter in geluid of een getypt woord niet berekend op zo’n opwinding, dat er opstoppingen ontstaan, dat er iets begint te stotteren, dat de taal
wordt ingehaald door paradoxen, door zichzelf – door stenen die van de berghelling rollen, die op hun beurt weer worden ingehaald door andere stenen die op hun beurt weer worden ingehaald door nog meer andere stenen? De dichter is in een toestand van oververhitting. De duur van elke seconde verandert per seconde. Ofwel, zo ik me nog kan herinneren, het fatale probleem van een phase locked loop. Er is adem, en er is ademdood. Is deze innerlijk ontsporing door teveel willen zeggen in dezelfde fractie van de tijd, de bron van het bijgeluid?
Is de tijd van Ester in de toestand geraakt van ‘scheuren’, ‘rijten’, ’tekorten’,’breken’, ‘scheiden’, ‘ontbreken’, ‘graf’. Ik volg zijn zijpaadjes richting de nevel. Ik begin te vermoeden dat zijn bijgeluiden komen van de ongenoemde, de verhuld sprekende actor Dood. Dit zou alleen kunnen als mijn meta-logica, de logica van mijn wereld, ook toepasbaar is op de wereld van Ester.
Raamsopranen
Henk Ester
Uitgeverij de Arbeiderspers
ISBN 9789029555593
