DE PLUNDERING (gevonden in L’s dagboek)
Ze noemden me vlijtig, een toegewijde arbeider. Ik heb daarop geglimlacht. Op het moment dat ik terug kroop achter mijn notitieblok, namen ze de twee zorgvuldig geconserveerde bibliofiele uitgaven uit mijn boekenkast. Ze drukten me op het hart dat ze die zouden teruggeven. Ik werkte aan hoofdstuk drie. Dit hoofdstuk gaat over een soldaat die na gediend te hebben in twee oorlogen ongedeerd huiswaarts keert en drie dagen later zich een dwarslaesie valt van het keukentrapje. Zij vertelden me tussendoor dat ze de waaierpalm in mijn halletje mooi vonden.
‘Neem mee, neem mee’ zei ik, en ze vertrokken met mijn gezonde plant die nu de hunne was. De ambiance in het halletje was zodoende veranderd dat het alle persoonlijkheid ontbeerde. De kale muren vielen me meteen op. En in alle eerlijkheid miste ik het groen. Er bestond weinig tijd om een nieuwe plant aan te schaffen, want de plicht bleef onverminderd roepen. Ik was aangekomen bij het volgende hoofdstuk. Een vrouw die het lukte om na 22 jaar drankgebruik weer geheel sober te leven. Een week later werd ze aangereden door een dronkenlap. Uit mijn volgeschreven vellen uit het notitieblok kon ik me een weg naar het volgende hoofdstuk bestijgen. Ik bleef onvermoeid schrijven, zat in een scheppende modus.
Zij kwamen bij me eten en bleven lang dralen. Ze namen mijn vloerkleed mee naar huis, om het te reinigen. Dat kon wel even duren, zeiden ze. Ik begon geschreven teksten te redigeren. Concentratie was een vereiste. Zij hadden keukengerei nodig. Ik opperde dat ze het mochten lenen van me.
‘Neem maar mee.’
Ze benadrukten dat het maar voor een paar weekjes was. Vooral pannen en de mobiele oven waar ze zich elk bezoek over hadden verlekkerd.
Toen ik naar de koelkast liep om er smeersels voor op brood uit op te duikelen, staarde een leeg koelkastrek me terug aan. Ik sloot de deur en wendde me tot mijn fruitschaal.
Op een dag in april, toen Pasen reeds gepasseerd was, kreeg ik mijn manuscript teruggestuurd. Er waren geen aantekeningen in gemaakt. Wel zat er een afwijzingsbrief bij, die netjes getypt was door een uitgevers-assistent. In een zin legde ik het aan ze uit, terwijl ze de canapé in de richting van de voordeur schoven. Daarna klopten ze me op mijn schouders en vonden het heel zuur voor me. Dat is het exacte woord dat ze gebruikten, zuur. Vervolgens dronken we heet water, omdat ik geen thee in huis had. Ik had al opgemerkt dat ze mijn sokken droegen.
Nadat we ons water hadden opgedronken, stopten ze de kopjes in hun tas. Ik meende mijn eigen schoudertas te herkennen. Kussens werden van mijn bank gehaald. Mijn lijstjes met daarin impressionistische ansichtkaarten werden leeggehaald op het moment dat ik me hurkte om op een omgekeerde plastic bak te zitten. Ik had besloten dat het vanaf vandaag een zitmeubel zou zijn. Een kartonnen doos liet ik dienstdoen als tafel. Ze hadden mijn houten tafel al achterin hun auto liggen, met de bedoeling die te reinigen.
‘Dan hoef je je er geen zorgen om te maken.’
‘Oké,’ zei ik.
Ik zuchtte diep en haalde een herinnering op van tante Franca. Op late lentedagen nam ze me altijd mee naar de stad. We aten een broodje vis en liepen daarna naar een echte Italiaanse ijssalon, met medewerkers die met hun lokale accent de hele Mediterrane ervaring om zeep hielpen. Mijn tante Franca vond dat dolkomisch. In mijn gedachten hoorde ik haar holle lach echoën, terwijl in de gang de voordeur dichtviel. Vanuit de leegstaande woonkamer, waarin een lampenpeer teder aan zijn draadje zwierde, tuurde ik naar de openstaande deuren van mijn lege kledingkast.

