De gezongen petrogliefen van Jelangasj, deel vijf en slot
Wat voorafging: Eitsi-Heibib, op Akrim-Bes, zijn zespotige paard en met Bor, zijn zessnijdende zwaard, heeft de reus verslagen die de toren bewaakte waar het ei ligt dat van lucht is gemaakt, dat hij naar de heks Kará-Kará moet brengen die hem zal helpen om de vraag te beantwoorden die de sjamaan Cordaan hem gesteld heeft als voorwaarde om hem te helpen met zijn opdracht van de Maan om de Manedochter te bevrijden. Loopt het nog goed af? (Dit laatste deel van het gezongen petroglief werd vertolkt door het ensemble Altai KhaiKhan als Altai Magtaal op de plaat Whistle in the Wind, hier, en ook, met filmische indrukken van de Altaj, hier.)

Eitsi-Heibib 5
Rara: wat is wat was, wat was wat is,
de zon, de maan, de vogel en de vis.
De wolken die er zijn voor jou en mij.
Wat maar doorgaat, gaat ook niet voorbij.Eitsi, hij besteeg de berg.
De Reus leek spoedig wel een dwerg.De klim is zwaar, de klim is lang.
De berg is steil, met overhang.
Zie ze struikelen over keien,
en strompelen over rotspartijen.Ademen ging nauwelijks meer
in de ijle atmosfeer.Intussen, in de wolkentoren
hoort het Beest met twintig oren
Eitsi en zijn paard al heel lang komen,
en hij heeft zijn plek al ingenomen.Hij watertandde, likkebaardde:
hij hield van mensen én van paarden.Na elke rots komt nog een rots
voor Eitsi en zijn paard, tot plots
de wolkentoren voor ze staat,
waar niemand zomaar binnengaat.Het gruwelijk twintigorig Beest
gnuifde: ‘Nu zijn ze er geweest.’Eitsi staat voor de enorme poort
en luistert scherp of hij iets hoort.
Hij hoort een zacht snuivend geluid,
en pakt dan stilletjes zijn fluit.Hij liet een toverwijsje horen,
een slaaplied, en betrad de toren.Daar ligt het Beest op apegapen,
kwijlend, snurkend, diep te slapen.
Eitsi aait hem op zijn kop
en rent de torentrappen op.Hij kwam in grote spiegelzalen,
gangen, lang, om in te verdwalen:De toren is een labyrint,
en geen mens die hij er vindt.
Uren dwaalt hij, tot hij staat
voor de deur waar het om gaat.Het torenkamertje ging open,
daar kwam Luna aangelopen,Luna, dochter van de Maan.
‘Snel, we moeten hiervandaan,’
zegt Eitsi, ‘of anders wordt het Beest
Weer wakker, en dan zijn we er geweest.’En de twee, ze namen
elkaar bij de hand, en samenrennen ze door alle zalen,
gangen, door de trapportalen,
tot bij het bakbeest in de hal,
en die beweegt zijn oren al.Precies op tijd stonden ze weer buiten,
en konden snel de poort weer sluiten.En terwijl het bakbeest binnen raast,
spoeden zij zich weg in grote haast,
van de berg af, door het bos,
op Akrim-Bes, het trouwe ros.Zelfs het ei, gemaakt van lucht,
nam Luna mee op beider vlucht.Eerst Kará-Kará en dan Cordaan
bezoeken ze – en dan de Maan!
Ze galopperen ernaartoe, en daar
blijven ze voor altijd bij elkaar.En op bergen, zeeën en woestijn
lag al wat was en is en ooit zal zijn.
