De gezongen petrogliefen van Jelangasj, deel vier
Wat voorafging: Eitsi-Heibib is onderweg met een opdracht van de toverheks Kará-Kará, die hem beloofd heeft de vragen te beantwoorden die hij van de sjamaan Cordaan aan haar moest stellen (Wat is? Wat was?), die hem beloofd heeft daarna helpen te helpen met de opdracht die hij gekregen heeft van de Maan, om de Manedochter te bevrijden uit de klauwen van het Beest met twintig Oren. Maar eerst moet Eitsi-Heibib dus van de toverheks Kará-Kará naar een eiland midden in de oceaan, hier honderdduizend mijl vandaan, om een ei te halen dat van lucht gemaakt is en door een reus bewaakt wordt. Mocht Eitsi-Heibib in gevaar komen, mag hij de toverheks Kará-Kará één keer te hulp vragen, die dan in de gedaante van een schorpioen zal verschijnen. En dus gaat Eitsi-Heibib, op Akrim-Bes, zijn zespotige paard en met Bor, zijn zessnijdende zwaard, weer op weg.

Lees en luister nu verder. (Dit deel van het gezongen petroglief werd vertolkt door het jonge driemanschap (er is nog hoop voor de wereld als er zulke mensen zijn) van Bai Terek als Zegen van de Altaj, hier op YouTube.)
Eitsi-Heibib 4
Rara: de rechterhand is licht, in schitterende luister,
de linkerhand is donker, ondoorzichtig duister.
Langs bomen, stromen, stranden, landen, over alle daken
rennen ze en reiken ze, maar kunnen elkaar niet raken.Eitsi-Heibib, niet veel later,
ging in galop over het water.Plat op zijn zespotige paard,
met Bor, zijn zessnijdende zwaard,
galoppeert hij op de golven,
als wordt hij achtervolgd door wolven.‘Akrim-Bes!’ riep Eitsi. ‘Blijf niet staan,
of we zinken in de oceaan!’En zijn zespotige paard vliegt dapper
over de golven, steeds maar rapper,
duizend mijlen in een uur
en uit zijn neusgaten schiet vuur.En het eiland met het ei
kwam steeds sneller dichterbij.Plots duikt uit de oceaan
een Zeedraak op, recht in hun baan.
Groot, gigantisch is het dier,
en hij brult ze toe: ‘Tot hier!’En de Zeedraak met zijn staart
sloeg Eitsi-Heibib van zijn paard.Eitsi hoeft niet lang te dubben:
hij hakt meteen in op de schubben,
maar die lijken wel geëmailleerd,
niets is er wat het monster deert.En Eitsi en ook Akrim-Bes, ze zonken,
en Eitsi en ook Akrim-Bes verdronken.Met zijn laatste kracht roept hij dan luid:
‘Kará-Kará, haal ons hieruit!’
En zij verschijnt, zoals beloofd,
als Schorpioen, bovenop het drakenhoofd.‘Zeedraak van de oceaan!’
zei ze. ‘Ik beveel: laat Eitsi gaan!’en steekt hem in z’n oog: hij piept en
schiet meteen weer in de diepte.
Akrim klautert uit de golven op
met Eitsi hangend aan zijn kop.‘Eitsi!’ riep nog net de Schorpioen,
‘Nu moet je het verder zelf doen!’Het zespotige paard vliegt op het water,
op de zee die kolkt, en even later,
onder wolkenluchten zien ze land,
en kijk, daar staan ze op het strand.Er viel een schaduw, als een rots:
het was de Reus, met reuzenknots.Hij brult: ‘Wat is een hamer die niet slaat?
Een glas waar drinken niet uit gaat?
Wat is een lichtje dat niet brandt?
Antwoord! Anders maak ik je van kant!’En met zijn knots zwaaide de Reus
voor Eitsi-Heibibs pipse neus.‘Een hamer slaat niet als hij is geroofd,
een lichtje brandt niet als het is gedoofd,
een glas waaruit je niet kan drinken is kapot,
laat ons door nu, of ik sla jou verrot!’zei Eitsi, ‘Nu genoeg geleuterd!’
De Reus keek enigszins beteuterd,maar hij laat ze gaan en voert het ros
naar een berg dwars door het bos.
Aan de voet zegt hij: ‘Ik stop.
Je vindt het ei van lucht daar op de top,boven in de witte wolkentoren,
bij het Beest met twintig oren.’
