De gezongen petrogliefen van Jelangasj, deel drie
Wat voorafging: Eitsi-Heibib is onderweg met een opdracht van de sjamaan Cordaan, die hem heeft beloofd te helpen om de opdracht die Eitsi-Heibib van de Maan heeft gekregen te volbrengen, namelijk de Manedochter bevrijden uit de klauwen van het Beest met twintig Oren. Maar eerst moet Eitsi-Heibib van de sjamaan Cordaan naar de toverheks in het moeras om van haar te weten te komen Wat is en Wat was. Mocht Eitsi-Heibi in gevaar komen, mag hij Cordaan één keer te hulp vragen, die dan in de gedaante van een kauw zal verschijnen. Eitsi-Heibib, op Akrim-Bes, zijn zespotige paard en met Bor, zijn zessnijdende zwaard, gaat op weg naar het moeras om de toverheks te vinden. Onderwijl zingt hij over Luna, de Manedochter die hij moet bevrijden. Plotseling wordt zijn weg versperd door een Hert, die hem niet wil doorlaten. Eitsi-Heibib strijdt met het Hert, vele uren lang, maar moet uiteindelijk de hulp van de sjamaan Cordaan inroepen. De sjamaan Cordaan verschijnt, zoals beloofd in de gedaante van een kauw en verjaagt het Hert, zodat Eitsi-Heibib zijn weg kan vervolgen. Lees en luister nu verder. (Dit deel van het gezongen petroglief werd vertolkt door Evgeny Ulugbashev op de plaats Snowcapped Mountains, te horen hier.)

Eitsi-Heibib 3
Rara: hij woont in het ondersteboven land,
in zijn ondersteboven hut aan het ondersteboven strand,
en met zijn ondersteboven hemd en zijn ondersteboven vlag,
zwaait hij ons toe, bij dag en bij nacht.Eitsi reed door het moeras,
stapvoets, totdat hij er was.‘Ik ben Kará-Kará, de toverheks.
En jij bent Eitsi? Zeg eens iets geks.
Of nee, beantwoord liever deze vraag:
zeg mij, wanneer is gisteren vandaag?’De heks bleef in haar ketel roeren,
en onderwijl naar Eitsi loeren.‘Kom-kom, Eitsi, geen getreuzel,
anders ga je, hopsa, met de reuzel,
in de pot. Dus grijp je kansen,
of anders zal ik op je botjes dansen.’Eitsi-Heibib dacht diep na,
en hij antwoordde Kará-Kará:‘Het antwoord kan ik je bezorgen,
want vandaag is gisteren morgen,
en morgen gisteren vandaag.
Ziedaar het antwoord op je vraag.’De toverheks was opgelucht,
en ze sprak met diepe zucht:‘Bedankt, zo had ik het niet bekeken.
Jaren ben ik mij het hoofd aan ’t breken.
Maar help mij, Eitsi, eerst met koken,
kom het vuur onder de ketel stoken.’En met de blaasbalg en de pook
bracht Eitsi ’t water aan de kook.‘Heksenvet en heksentengels!’
Zingt de heks. ‘Walvisblub en oorsmeerstengels!
Soep maak ik van plaatselijke kindjes,
met dille, slangenstaart en bintjes!’En ze proefde met haar lepel:
‘Nog een mespunt vleermuistepel!’En ze zegt: ‘Zo jongeman,
vertel mij nu maar hoe ik helpen kan.’
En Eitsi zegt: ‘De tovenaar Cordaan
verzocht mij naar jou toe te gaan.’‘Zozo’, lachte Kará-Kará,
‘die ouwe boef, jaja.’‘Hij zei: “Ga naar de heks in het moeras,
vraag eerst ‘Wat is?’ en dan ‘Wat was?’
Keer met het antwoord naar mij weer,
dan help ik, op mijn woord van eer.”‘Wat is wat was, dat is niet mis,’
zo kakelde de heks, ‘wat was wat is.’En ze gniffelt en ze gnuift nog wat,
en zegt: ‘Je krijgt het antwoord, schat,
ik zal je helpen met je zaak,
maar eerst krijg je van mij een taak.’En Eitsi-Heibib wachtte af,
welke taak de heks hem gaf.‘Op een eiland midden in de oceaan,
hier honderdduizend mijl vandaan,
bewaakt een Reus een zeldzaam ei,
gemaakt van lucht. Haal dat voor mij.’Na afloop, zei de heks toen, gaf ze graag
aan Eitsi antwoord op zijn vraag.‘En kom je vóór het eiland in gevaar,
zal ik je helpen, één keer maar.
Roep me, dan kom ik als Schorpioen,
maar verder moet je het zelf doen.’Eitsi boog, rechtte zijn rug,
en ging weer op de weg terug.
