Uch
Waar een mens al niet mee rondloopt in heurlie arme hoofd. Welk een neuronenbanen worden geprikkeld en synapsen afgeschoten bij de minste klank, het kleinste woord. Uch bijvoorbeeld. Daarbij moet ik altijd allereerst aan de Indianen uit Lucky Luke denken. Uch zeiden die.
Indianen zijn heel stug,
ze zeggen uch en daarmee uch.
Vond ik altijd heel stoer. Uch. Ik heb gezegd. En dan de armen over elkaar. Dat was attitude.

Maar uch is ook het klassieke hoestgeluid.
Uche uche,
zei meneer Van Puche.
– zei mijn moeder als er gehoest werd. Het zal wel iets Maastrichts zijn, of een geintje van de een van haar negenkoppige sibbelingschap.
Als ik het koekel krijg ik eerst de leugenachtige AI te zien die beweert dat het van Vader Abraham is, afkomstig uit het liedje Uche uche uit 1973. Wat niet het geval is, leert mij een oog op de tekst en een oor op het liedje zelf. Kunnen we die leugenbot gewoon niet verbieden?
Uchen en kuchen dus. Hoes-t-ie? Ja, tie hoest. En dan moet ik ook denken aan de antirookmagiër en Jantje Tabak alias Het Lieverdje op het Spui (een geschenk aan de stad van de Hunter Cigarette Company). Uche-uche-uche! En mijn gedicht was af:
Uch!
Uche!
Uch!
Uche uche!
Beetje kort? Het zijn anders wel memorabele regels, en van Rodaan Al-Galidi weet ik, dat je je gedichten zo moet terugsnoeien dat er alleen de memorabele regels overbleven. Maar goed, proberen we er nog wat anders van te maken.
Uche uche
Uch!
Uche!
Uch!
Uche uche!
Wat is dat voor gehoest?
Wat is dat voor geproest?Uche uche!
Het hoest en het kucht,
het proest en het zucht.
Wat kan dat wezen? Wat kan dat zijn?Uche uche!
Er loopt door de straat een hoest,
die kucht en kucht
en hoest en proest
en geen adem krijgt, geen lucht –Uche uche!
En alle mensen zijn gevlucht,
naar binnen toe of om het hoekje,
of ze lopen met een doekje
voor hun mond,
want zo’n hoest is ongezond.Uche uche,
kucht de hoest,
uche uche, wild en woest.
Hoor hem rochelen en schrapen,
niemand in de straat kan slapen
(zelfs als het van de burgemeester moest)
van die loslopende hoest…Uche uche!
Uche uche! Uche uche uch!
kucht de hoest,
de hele straat door en weer terug,
in de regen zonder regenjas
en zonder hoge hoed,
heen en weer, en keer op keer,
en hoesten dat hij doet!Uche uche!
Uche uche! Uche uche uch!
En uche uche! Uche uche uch!
Ga toch slapen, hoest,
en hou je eindelijk eens een keertje koest!
Ga ergens anders spoken!
Straks heb je iedereen
hier in de buurt
met je hoesten aangestoken!Uche uche!
Het bleef maar hoesten,
bleef maar kuchen –
Maar!
Toen kwam meneer Van Vlaar
(die woont schuin aan de overkant)
(Nee, niet daar, maar daar)
en die gaf de hoest een paraplu
en vroeg: Hoe’s ’t nu?
en vroeg: Hoe’s ’t met u?Uche uche! antwoordde de hoest,
Uche uch! maar al iets zachter,
en toen in enen,
zonder dat je ’t zag of wist,
pardoezer dan pardoest,
was de hoest verdwenen,
opgelost en uitgewist,
En bleef alleen de paraplu
In een plasje achter.En sinds die tijd,
en sinds die tijd
is het weer rustig in de straat:
geen gekuch
en geen ge-uch
van ’s morgens vroeg,
tot ’s avonds laat,
maar als je vraagt:
Waar is die hoest,
waar is die hoest gebleven,
dan kan ik je daarop helaas
geen antwoord geven.
—
De illustratie is van de Kortrijkenaar Maurice de Bevere uit het Lucky Luke-album De trek naar Oklahoma.
