Mijn vervloekte slopende knagende ongeneeslijke eetstoornis
Mijn eetstoornis begon onschuldig: op een dag kwam mijn vader op bezoek bij mijn grootouders in De Panne (zijn schoonouders). Mijn genereuze grootouders hadden wel veertig verschillende taartjes op tafel gezet. De taartjes blonken, glommen, kraakten, barstten uit hun voegen, smolten, gonsden, glansden, straalden. Ik begon te watertanden. Mijn grootvader gaf het startschot: ‘Neem, eet.’
Dat moest ik me geen twee keer laten zeggen: ik nam een éclair. Maar vrijwel meteen had ik spijt… De éclair was toch vrij banaal: een dun langwerpig buisje gemaakt van licht luchtig deeg. Het deeg was gevuld met dikke slobberige pudding (dat dan weer wel). En op het buisje lag een strook glanzende gesmolten chocolade. Maar soms was de strook te dik, gestold, en dan kon je hem zomaar van de éclair schrapen. Of de strook viel op de grond en dan ging Fredo, mijn geliefde immorele clowneske onverzadigbare boxerhond, ermee vandoor. Wat er dan overbleef, was deerniswekkend: huilen met de pet op.
Dus greep ik naar een tweede stuk taart: een kolossale exotische spie Zwitserse kaastaart met twee parmantige geglazuurde clementinepartjes op de top, zo mooi, haast adembenemend… ‘Halt! Gulzigaard!’ zei mijn vader hard en nijdig. Mijn klauwtje bevroor vlakbij de verleidelijke weelderige ingewikkelde mierzoete fabelachtige onbereikbare torenhoge spie uit Zwitserland. Mijn vader vervolgde pinnig en kijverig: ‘Niemand neemt twee stukken, het hoort niet. Je moet genieten van het gebakje op je bord. Tevreden zijn. Sober zijn. Altijd terughoudend en beleefd zijn. De ascese vieren.’ Mijn angstvallige lafhartige nerveuze grootmoeder deed alsof ze doof was. Zelfs mijn gulzige genereuze liefdevolle warmbloedige rechtschapen grootvader schoot me niet ter hulp! Ik trok mijn hand terug en keek mismoedig naar mijn banale éclair, ik zag mijn reflectie in het glazuur: mijn gezicht zag er bedroefd, onbetrouwbaar, antipathiek en ouwelijk uit. Ik liet de éclair onaangeroerd, om mijn vaders liefde terug te winnen.
Mijn vader negeerde mij, op zijn bord lag de helft van een Javanais. De andere helft lag al in de maag van mijn grootmoeder, de grotere helft. De halve Javanais van mijn vader en mijn volledige éclair werden uiteindelijk aan Fredo gegeven. Mijn grootmoeder stond op en begon de tafel af te ruimen. Mijn vader en mijn grootvader betraden arrogant de tuin, dronken whisky en spraken over Annie Hall. Het vrouwvolk bestond niet meer voor hen. ‘La-di-da, la-di-da!’ riep ik brutaal vanuit de keuken, maar de verwaande verwende wrede veroordelende zelfingenomen heersers negeerden mij. Ik hielp mijn grootmoeder met de afwas, ik liet een bord vallen en het brak. Ik liep huilend de trappen op naar de badkamer. Ik deed de deur op slot, trok mijn kleren uit en ging op de weegschaal staan: 21 kg. Massief!
Ik besloot om op dieet te gaan, ik was zeven. Een week later woog ik nog maar 19 kg. Ik nam een voorbeeld aan mijn grootmoeder die slechts zelden snoepte en vooral yoghurt, pompelmoes en groene olijven at. Mijn grootmoeder was een scherp dor vaal uitgemergeld besje, helemaal niet mooi. Toch wilde ik op haar lijken. Poetsvrouw Marcella was wel mooi, zo mooi als Claudia Cardinale. Marcella was mollig, poezelig, romig en rondborstig. Marcella was vrolijk, uitbundig, luidruchtig, humoristisch, naïef en genereus. Marcella maakte tijdens haar ochtendpauze altijd vijf confituurtaartjes en twee boterhammen met tonijnsalade soldaat, in die volgorde. Ze probeerde me te doen eten, wilde haar voedsel delen. Maar ik beet niet. Marcella dronk koffie en brandewijn uit een heupfles die verstopt zat in haar nylonkousen, zoals Marilyn Monroe in Some Like It Hot.
Marcella was de eerste die tegen me zei: ‘Je bent vermagerd.’ Ik was extatisch. Marcella vertelde over haar achttienjarige nichtje Jessica dat al jaren aan een eetstoornis leed: anorexia. Soms werd Jessica opgenomen in een ziekenhuis, gefixeerd en via een sonde kreeg ze dan zogeheten dwangvoeding toegediend. Het klonk verschrikkelijk, zo ver zou ik het nooit laten komen. Ik bleef letten op mijn voeding. Ik begon calorieën te tellen en deed turnoefeningen in de duinen. Ik gaf mijn avondmaal aan Fredo. Ik werd een mager kind, maar niet zorgwekkend mager. Ik droeg dikke gebreide truien opdat mijn magerte niet ontdekt zou worden. Enkel tijdens de lessen lichamelijke opvoeding was ik verplicht om een krap knellend vleeskleurig turnpakje te dragen. Gelukkig had de groezelige gluiperige hitsige turnleraar Johan enkel oog voor de blakende blonde meisjes met ingewikkelde vlechtenkransen, lange wimpers, verboden pruilmondjes en oogverblindende sieraden die niet uit chiclettenbak kwamen.
Ik leerde om mijn eten weg te moffelen in servetten. Ik raakte geobsedeerd door verboden voeding: slagroom, zure matten, marsepeinen impala’s, chocolade tapirs met Tiroolse hoedjes, paprikachips, drop, taaie toffees, wijngommen, stroopwafels, kokosrotsjes, Draculatanden en communielammeren. Met mijn zakgeld kocht ik stapels snoepgoed: ik kauwde op het snoepgoed en spuugde het uit in een plastic zak. Soms slikte ik per ongeluk toch partikels in. Ik kwam aan, op mijn negende was ik zelfs een tikkeltje ‘gezet’. Gelukkig ontwikkelde ik twee jaar later een verstikkingsfobie. Ik woonde niet meer bij mijn grootouders in De Panne, maar bij mijn moeder in Gent, toen de irrationele angst om te stikken begon. Mijn moeder was normaal gebouwd en ze hechtte weinig waarde aan voeding. Ze at graag, maar meestal haastig en verstrooid. Ze wist niet hoe veel calorieën haar favoriete schimmelkaas en het exclusieve Joodse notenbrood waarvoor ze op een wachtlijst ging staan, bevatten (het waren er veel). Ze dichtte voedsel geen overdreven symboliek toe en ze weigerde om geëmotioneerd te raken door spijzen. Ze kende alle religies, offers, gebeden, incantaties, wassingen, reinigingen, bijgeloof, bereidingswijzen en rituelen die in betrekking stonden tot het maaltijdgebeuren, maar voedsel was voor mijn slimme nuchtere ongeduldige moeder vooral brandstof. En soms een truc om een nieuwe minnaar te charmeren, want mijn moeder was een uitstekende kok.
Mijn vader bleef mager, deels uit noodzaak (hij was een arme onsuccesvolle liedjesschrijver) maar ook omdat hij een aangeboren aversie had tegen mensen die zich lieten gaan. Hij was alleszins trots op zijn pezigheid. Hij zei: ‘Dikke mensen zijn walgelijk, behalve Axelle.’ Axelle was zijn jonge zachtmoedige poezelige aaibare argeloze ietwat mollige vriendin. Niet echt mollig, maar ze had wel erg bolle wangen. Prachtige blakende blozende wangen met kuiltjes erin. Ik was verzot op Axelle. Toch wilde ik mager zijn zoals mijn vader die ik graag zag maar onaangenaam en stekelig vond. De truc van mijn vader om zijn pezigheid te behouden was: zijn honger stillen met gin. Tenminste, zo scheen het me. Wanneer ik op bezoek was bij mijn vader (om de twee weken), dan schonk hij zichzelf gin in net voor we aan het middagmaal zouden beginnen. Terwijl ik met lange tanden bleke zoutloze beschuiten met margarine at, stond mijn vader aan de vensterbank met zijn mok vol gin. Mijn vader had geen glazen, enkel mokken. Kinderachtige mokken die hij van Axelle kreeg. Er stonden slungelige stripfiguren, snoeverige superhelden en infantiele octopussen op de mokken. ‘Don’t mock me,’ zei mijn vader wanneer hij me zag staren, hij was verzot op woordspelingen. Ik wist niet wat ‘to mock someone’ betekende, niet veel goeds, dat was duidelijk. Mijn vader dronk almaar meer, op zijn vensterbank stonden altijd vier verschillende halfvolle mokken. Alle mokken bevatten gin. Dankzij de gin verloor mijn vader zijn appetijt. Ik was negen en helaas te jong voor gin. Gelukkig kon ik mezelf goed in bedwang houden, op het vlak van voedsel althans.
Op het vlak van masturbatie was het hek van dam. Op mijn tiende leerde ik per ongeluk masturberen. Het gebeurde op tweede kerstnacht. De hele familie logeerde bij mijn grootouders van De Panne. Ik deelde een bed met tante Anne, de oudste zus van mijn moeder: de ravissante, de genadeloze, de lome, de wrokkige, de vileine Egyptoloog. Ik had die dag van tante Anne een pluchen keizerpinguïn cadeau gekregen. Zijn muts, zijn wanten en zijn sjaal had ik meteen weggeknipt. Ik had een hekel aan dieren met kleren, de dieren zelf hadden uiteraard ook een hekel aan onze fatterige vestjes, ijdele pittelers, truttige blouses, bespottelijke hoedjes en protserige strikjes. Toen de snavel van mijn pluchen keizerpinguïn die nacht botste tegen mijn clitoris, ervaarde ik golvende gulpende gierende extatische deiningen in mijn onderlijf. Ik duwde de snavel dieper, ik wreef, ik frotte, ik kronkelde, ik experimenteerde ook met de poten van de pinguïn en uiteindelijk met mijn vingers. Ik kwam klaar! Heerlijk!
Op mijn elfde kreeg ik te kampen met een onverklaarbare verstikkingsfobie, die verscheen vanuit het niets: een godsgeschenk. De verstikkingsfobie wurmde zich radicaal en onwrikbaar in mijn hersenpan: ik kreeg geen hap meer door mijn keel en ik raakte helemaal uitgemergeld. Het gebeurde in korte tijd, ik kon het onmogelijk verbergen. Zelfs mijn frivole promiscue nonchalante nerveuze driftige moeder kreeg het in de gaten, ze was radeloos. Ze probeerde het goede voorbeeld te geven en begon ontzettend veel te eten: mastellen, zalmmousse, marmercake, zwarte olijven, bananenchips, gefrituurde inktvisringen, maïskolven, nougatrepen, muesli, kersenvlaaien, Mikadokoekjes, avocado’s, palingen, hespenworst, chorizo en druipende glinsterende pizzapunten met gesmolten kaas en ansjovis. Mijn moeder werd zwaarlijvig. Het stoorde me niet, integendeel: het stond haar erg goed. Zelfs mijn vader gaf zijn ex-vrouw een welgemeend compliment: ‘Je straalt, Sarah! Echt!’ Maar algauw werd hij weer Mr. Hyde en hij beledigde mijn moeder: ‘Je lijkt op een wanstaltige gedrochtelijke groteske lamantijn! Nee, erger: op een vunzige verloederde Wit-Russische polsstokspringer die aan de grond zit. Eigen schuld, dikke bult!’
Ik werd twaalf, ik werd dertien. Ik bleef volharden in de magerzucht, mijn vader ook. Mijn vader bleef trouw aan zijn gin-methode die hem nooit in de steek liet, en ik worstelde nog altijd met mijn verstikkingsfobie. Ik voelde me ellendig. Mijn maag knorde constant, ik leed aan slapeloosheid en mijn haar viel uit. Ik fantaseerde hevig, koortsig, bezeten en obsessief over schranspartijen met sandwiches, everzwijnpaté, camembert, macaroni, bitterballen en appelcake.
Op een dag nam ik een slok gin. Mijn vader had mij alleen achtergelaten in zijn studio, hij had een nieuwe perforator nodig, de kantoorwinkel was vlakbij en te saai voor woorden, beweerde hij. Maar hij bleef lang weg en dus proefde ik van zijn doorschijnende toverdrank. De brandende vloeistof zat in een zware mok waarop Smurfen stonden: Lolsmurf gaf een bom aan Brilsmurf. De bom zat in een gekleurde doos met een strik errond, een fopgeschenk, daarom was de explosie grappig. De muts van Brilsmurf was zwartgeblakerd, hij keek beduusd. Voor een keer leefde ik met hem mee. Het was een rotstreek van Lolsmurf. Ik werd melancholisch van het pesterige tafereel, ik nam een tweede slok. De vloeistof brandde al wat minder. De derde slok was heerlijk, de vierde slok deed me weinig, de vijfde slok was een test om te achterhalen of ik net zoals bij de vorige slok weinig zou voelen, integendeel: ik voelde me wild, roekeloos, aantrekkelijk en sterk! De zesde slok maakte me ongeremd. Ik kreeg razende honger…
Ik deed de ijskast van mijn vader open: kwark, koolsla, bier en mosterd. Ik maakte de koolsla en de kwark soldaat. Ik doorzocht de keukenkast: peperkoek, biergist en suikerklontjes. Ik maakte de peperkoek en de suikerklontjes soldaat. Ik braakte. Mijn vader betrad zijn studio en hij beschuldigde mij van boulimie. ‘Fool!’ riep ik. Dat had ik een stoere pittige brunette horen zeggen tegen een weke knullige lafhartige dierenarts in een B-film, ontstemd maar niet echt kwaad. Mijn vader gaf me een klap in mijn gezicht, dat deed hij zelden. Ik begon te snotteren. Mijn vader zei verwonderd en terzelfdertijd verongelijkt: ‘Je bent dronken!’ Hij bracht me terug naar mijn moeder, de wellustige sensuele lamantijn. De volgende dag had ik een kater. Ik wierp mijn eetstoornis overboord en experimenteerde impulsief en gretig met mijn nieuwe identiteit: de mateloze moedeloze grimmige anarchistische suïcidale binge drinkende puber met literaire pretenties.
Alcoholmisbruik lag me beter dan uithongering. Het was minder eenzaam, ik kreeg eindelijk vrienden. Mijn vrienden waren Bulgaarse laminaatverkopers, perverse touwslagers, geniepige pistoolschilders, transseksuele coniferenscheerders en hypochondrische goudsmeden die bijna de pensioenleeftijd hadden bereikt.
Op mijn twintigste sloop de eetstoornis mijn leven weer binnen, als een python. Ik was het vraatzuchtige monster en tegelijk was ik degene die verzwolgen werd. De terugkeer van mijn eetstoornis begon toen de passie voor mijn opleiding vertaler-tolk Frans/Russisch aan het verwateren was. Nee: de eetstoornis viel de passie aan, en ik verdronk. Nee: veel te melodramatisch! Ik verdronk niet, ik spartelde slechts. Ik trachtte spartelend en happend Russische woordenlijsten uit het hoofd te leren: boerderijdieren, badkamerartikelen, schaatstermen en medisch jargon. Toen ik het prachtige muzikale gutturale Russische woord voor ‘stier’ tegenkwam knetterde er iets in mijn hersenpan. Een heftige helse venijnige schokkende schetterende knettering.
Mijn drankverslaving verzette zich tegen de uithongering, en vice versa. Maar ik verdeelde mijn leven eerlijk in twee: een helft voor mijn alcoholisme en de andere helft voor mijn anorexia. Zo was iedereen tevreden, behalve ik.

