Gepubliceerd op: zaterdag 23 mei 2026

KP60: Willem Wilmink

 

Spelende meisjes

Vol sombere doemgedachten
geraakte ik in een straat
waar meisjes aan ’t spelen waren
en we kwamen aan de praat.

Turkse en Surinaamse
en sommige autochtoon
en ze hadden er nauwelijks weet van,
ze speelden daar gewoon.

Mijn sombere visioenen
van een wereld die verging,
vervaagden in ’t licht van die kinderen
tot een herinnering.

Want die meisjes met aardige ogen
en met hun prachtige haar
zullen de kinderen baren
voor de komende duizend jaar.

 

Achtergrond van de dichter 1936 – 2003
Willem Wilmink is een rijk getalenteerde student die in 1954 zijn gymnasiumdiploma haalt en daarna aan de UvA Nederlandse taal- en letterkunde gaat studeren. Nadat hij zijn eenjarige propedeuse en het daarop volgende, tweejarige kandidaatsexamen heeft afgerond, besluit hij naast zijn 3-jarige doctoraal een tweede studie aan te vangen, namelijk geschiedenis. Willem is dan ook bovengemiddeld intelligent en ook nog eens ijverig. Hij heeft een sterk studie-ethos en is intrinsiek gemotiveerd.

En al die tijd schrijft hij gedichten en cabaretteksten. Hoewel hij zijn studies aan de UvA nog niet geheel heeft afgerond, aanvaardt hij het leraarschap aan het Amsterdamse Vossiusgymnasium. Willem weet van wanten. Het Vossius is ook de school, waarop eerder Gerard Reve en diens latere vrouw Hanny Michaelis les kregen.

Zijn ster rijst; hij wordt al snel universitair docent moderne letterkunde aan de UvA. Dat doet hij bijna 2 decennia, van 1961 – 1978. Ofschoon hij lang als leraar werkzaam is in het onderwijs, zal hij voor de meeste Nederlanders bekendheid krijgen als begenadigd taaljongleur.

De volgende stap is dat Wilmink – die een socialistische opvoeding heeft genoten – aan de katholieke Universiteit van Tilburg zijn doctoraat doet op een dissertatie over het dichterschap van Hendrik de Vries, niet te verwarren met de Friese Theun de Vries. Hoe Wilmink op dat dissertatie-idee is gekomen? Hierover zegt Wilmink dat hij vroeger een leraar had op het gymnasium die in zijn vrije tijd dichtte. Dat waren gedichten die positief begonnen maar dikwijls een gruwelijk einde hadden. Deze leraar vertelde daarbij dat hij een groot bewonderaar was van de Noord-Nederlandse dichter Hendrik de Vries. Een dichter die zijn gedichten soms ook dramatisch en met een verschrikkelijk eind kon afsluiten. Sindsdien verloor Wilmink hart en ziel aan deze intrigerende dichter. Hij schreef hem veel brieven waarop nooit antwoord kwam. Maar Willem was een doorbijtertje.
Uit menig gedicht is af te leiden dat Wilmink vertrouwd was met de katholieke tradities; niet zo vreemd omdat hij opgroeide in het dan nog door en door katholieke Twente. We zouden hem dan ook gerust kunnen typeren als een niet-gelovige cultuurkatholiek.

Intussen begint hij zich eveneens te interesseren voor de Middelnederlandse literatuur, wat eerder al was gebleken uit zijn hertaling van de middeleeuwse legende ‘Beatrijs’ en later uit zijn omzetting van middeleeuwse smartlappen in modern Nederlands en uit zijn bijdrage aan een vertaling van De Reis van Sint Brandaan samen met de Utrechtse mediëvist, professor W.P. Gerritse.

De taalomnivoor Wilmink schreef net zo gemakkelijk over middeleeuwse abdijen als over kermissen. Feestjes opvrolijken kon hij ook, zoals met zijn accordeon op studentenfeestjes. Alsof het nog niet genoeg was, schreef hij ook met regelmaat recensies in gerenommeerde, literaire magazines, waaronder Tirade en Maatstaf en was hij even poëzierecensent van Dagblad De Tijd, waar eerder Kees Fens en Wam de Moor hun sporen hadden verdiend.

In 1966 debuteert hij met de dichtbundel ‘Brief van een Verkademeisje’. Oneindig is de lijst met namen van cabaretiers, tekstdichters en musici met wie hij samenwerkt. Actief is hij als tekstschrijver voor allerlei televisieprogramma’s, w.o. De film van Ome Willem, Sesamstraat, Kinderen voor Kinderen, De Stratemakeropzeeshow en vele, andere programma’s. Willems energie was onuitputtelijk.

In de jaren ’90 richt hij zijn eigen begeleidingsgroep Quasimodo op, waarin hij èn muzikant èn zanger is. Zijn liedteksten worden met regelmaat door grote namen uitgevoerd, zoals Herman van Veen en Joost Prinsen. De muziek van het voorliggend gedicht is door Boudewijn de Groot gecomponeerd en op de plaat gezet. Het zal de lezer niet verbazen dat Willem ook kinderboeken heeft geschreven. Niet volwassenen maar kinderen zouden dan ook zijn voornaamste doelgroep worden. Daarnaast vertaalde hij gedichten en kinderboeken uit het Frans, Engels, Duits en Afrikaans.

Toch komt er een eind aan zijn waanzinnig drukke en veelzijdige leven. Hij verlangt weer terug naar de plaats waar hij werd geboren en waar hij opgroeide: Enschede. En gedurende langere tijd schrijft hij tijdens de zomermaanden voor de regionale krant Tubantia gedichten en verhalen, aangevuld met herinneringen uit zijn Twentse jeugd. Dat bleef hij doen totdat de dood hem uit zijn volle leven trok. De kleine jongen uit het on-Hollandse Saksenland die in het verre Holland een hele grote werd, was niet meer.

Het gedicht
Het gedicht weerspiegelt een modern levensgevoel: ‘sombere doemgedachten’, een pleonasme want ‘doemgedachten’ zijn van zichzelf al ‘somber’. Narratief ook, als het begin van een anekdote of vertelling: De ik-persoon dwaalt in sombere mijmeringen rond tot hij plots ‘geraakte in een straat’. En daar, ‘waar meisjes aan ‘t spelen waren’, raakten zij – de ronddwalende ik-persoon en de spelende schoolmeisjes – aan de praat.

In de tweede strofe bemerkt de ik dat zich daar een mengelmoesje van kleur en herkomst bevindt: Turkse, Surinaamse en (zowaar) ook nog een paar autochtonen. Ze speelden wat af met elkaar en niet één die dacht aan anders zijn of ongewenst te zijn. ‘Ze speelden daar [zo heel] gewoon’.

En net daarvoor was de gedachte van de ik-persoon nog dat de wereld ten onder zou gaan, als er in de 3e strofe een wonder geschiedt. Want als door een blikseminslag is het plots met die somberheid gedaan; wordt het leven opeens ongekend mooi. De kinderen stralen met al hun verschillen in hun spel een ongekend licht uit van hoop en (h)eerlijk samenzijn. Want alleen kinderen kunnen nog zonder vooroordeel samen zijn.

Inmiddels zijn we beland in de laatste strofe. De ik-persoon voelt zich als herboren in een doodgewone straat met zomaar vrolijk spelende meisjes die met hun stralende ogen en lange haar ooit kinderen zullen baren, ooit garant staan voor nieuwe generaties voor wel ‘duizend jaar’.

Wat een mooi en hoopvol gedicht schrijft Wilmink! Zo eenvoudig van taal en zo ongekend blijmoedig van toon. Maar ook met een verholen heimwee van de echte ik achter de ik-figuur in het gedicht: Willem Wilmink, die terugdenkt aan zijn eigen kinderjaren waarin – tot het donker werd – alleen maar op straat werd gespeeld. En dat verloren gevoel is nu weer even terug. Het kan nog, lijkt Wilmink te zeggen, kijk maar naar al die spelende kinderen in al die straten nog.

 

Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com Nieuwsgierig naar de volgende KP? Noteer zaterdag 27 juni 2026, KP61 met daarin een gedicht van Cees Buddingh’ en zijn constatering: ook in de hemel gaat het er niet altijd eerlijk aan toe!

Over de auteur

- belicht in de serie Kamerpoëzie maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.