Gepubliceerd op: vrijdag 29 mei 2026

De gezongen petrogliefen van Jelangasj, deel twee

 

Wat voorafging: Eitsi-Heibib is onderweg met een opdracht van de Maan. Eitsi-Heibib moet de Manedochter vinden en redden uit de klauwen van het Beest met Twintig Oren. Maar waar woont het Beest met Twintig Oren? Eitsi-Heibib gaat naar de sjamaan Cordaan om hem om hulp te vragen. De sjamaan Cordaan stelt Eitsi-Heibib eerst twee vragen, die Eitsi-Heibib goed beantwoordt. Dan belooft de sjamaan Cordaan om Eitsi-Heibib te helpen, maar eerst moet hij een opdracht vervullen. Eitsi-Heibib moet van de sjamaan Cordaan naar de toverheks in het moeras om van haar te weten komen Wat is en Wat was. Mocht Eitsi-Heibi in gevaar komen, mag hij Cordaan één keer te hulp vragen, die dan in de gedaante van een kauw zal verschijnen. Lees en luister nu verder. (Dit deel van de gezongen petroglief werd vertolkt door Julia Tsjarkova uit Khakassië, op YouTube te zien en horen hier.)

 

 

Eitsi-Heibib 2

          Rara: diep in de bergen, bij de bron,
          precies achter het sreepje van de horizon,
          strijdt Meester Uil met Meester Adelaar,
          zeven weken, zeven maanden, zeven jaar.

Eitsi-Heibib, ferm van pas,
was onderweg naar het moeras.

Boven hem gekras van kraaien,
in het oerwoud papegaaien,
en zwermen muggen die hem steken:
zo rijdt Eitsi nu al weken,

op Akrim-Bes, zijn zespotige paard,
met Bor, zijn zessnijdende zwaard.

Hij passeert het gele meer van gif,
dat sissend spat op een geel rif:
de lucht is vochtig, drukkend heet,
Eitsi sjokt, moe en bezweet,

en Eitsi dacht, onder het gaan,
aan de opdracht van de Maan:

‘Hoog boven in de wolkentoren
houdt een Beest met twintig oren
mijn Manedochter opgesloten.
Zoek haar, Eitsi, onverdroten.’

Eitsi hoefde maar haar naam te horen
of hij had zijn hart verloren.

Luna vlieg van voeten, Luna lang van waad,
Luna brons van ogen, Luna staal van draad,
Luna die half vogel is, half vis,
Luna die de mooiste en de liefste is.

Zo heette zij, de Manedochter,
en Eitsi-Heibib zocht en zocht ’r.

Luna vlijmend, Luna klater,
Luna labyrintisch lucht en water,
zingt Eitsi en hij pakt zijn fluit
met het betoverend geluid.

Met haar naam stil op zijn lippen
nam hij alle kloven, alle klippen.

De reis is lang, de reis is zwaar.
En Akrim-Bes die ploetert maar.
Eitsi-Heibib doet zijn plicht:
nog lang niet is het eind in zicht.

Maar Eitsi-Heibib was een dappere.
Eitsi liet zijn haren wapperen.

Plots wordt hem de weg versperd
door een woest, vervaarlijk Hert
met een scherpgepunt gewei.
‘Tot hier en verder niet!’ brult hij.

Vlug steeg Eitsi van zijn paard
en hakt met zijn zessnijdend zwaard.

Bij elke zessnijdende klap
sneuvelen zes punten, die even rap
weer scherpgepunt zijn aangegroeid.
En Eitsi, na een strijd van uren, raakt vermoeid.

Eitsi zakte door zijn knieën, stijf en stram,
terwijl het Hert een aanloop nam.

En Eitsi roept: ‘Cordaan, kom gauw!’
en hetzelfde ogenblik verschijnt de Kauw.
Die kijkt het Hert doordringend aan,
en zegt met bliksemblik: ‘Laat Eitsi gaan.’

En het Hert met zijn gepunt gewei
gehoorzaamde en trad opzij.

Eitsi opent zijn doorlopen ogen,
maar de tovenaar is al gevlogen.
Eitsi hoort hem in de lucht nog krassen:
‘Ik kom niet meer. Nu zelf oppassen.’

Ze gingen door, het land werd dras:
ze kwamen aan in het moeras.

Over de auteur

Robbert-Jan Henkes