Gepubliceerd op: vrijdag 22 mei 2026

De dageraad der mensheid

 

 

Het kind is de vader van de man. Dat wil zeggen de jongen van de man en het meisje van de vrouw. En iedere man en iedere vrouw (kind-af) is een God in het diepst van zijn en haar gedachten, en wil het liefst kleine kleipoppoetjes bastelen in zijn en haar gelijkenis en dan leven inblazen. Ik heb nooit goed begrepen waar het idee vandaan komt om te willen ‘voortleven’ na je dood, in je kinderen of in je boeken. Dat lijkt me toch een geheel verkeerde opvatting van zowel het Leven als het Zijn. Je leeft al voort als je dood bent en opgenomen bent in het Grotere Leven, ook wel het Zijn genoemd, in alles en iedereen die zich ook een ‘ik’ noemt. Want wat is het verschil tussen de ene en de andere ik? Jij soms? Ga toch weg.

Dus als ik zoiets lees, dat een schrijver schrijft om iets achter te laten van zichzelf, lach ik in mijn knuistje en hoef ik nooit meer wat van die betreffende schrijver te lezen. De domheid! Dan kan de rest ook niets meer zijn en gevoegelijk ongelezen blijven. Ik noem geen namen, het zouden er te veel worden. Al die ikjes, die niet schrijven voor zichzelf maar om anderen te bewijzen dat ze er zijn. Kijk mij! Kijk mij! Helemaal zonder denken! Ja, daar zitten we op te wachten. Daar hebben we er nog niet genoeg van. Hou toch op.

Door een gelukkig toeval kreeg ik een manuscript in handen gespeeld, of liever gezegd een op muziek gezette petroglief, die nog van voor de uitvinding van het schrift moet dateren, ja hoogstwaarschijnlijk (maar ik ben geen archeoloog) van voor de uitvinding van de mensentaal zelf. Niet alleen pre- maar zelfs protohistorisch. Het muzikaal-petroglifisch manuscript is afkomstig uit het Altai-gebergte en het heeft alle kenmerken van de dageraad der mensheid. Toen de mensheid nog het kind was en de ouders van ons, zogenaamd beschaafden van nu.

Het is een epos in vijf delen over een misschien mythische misschien legendarische held, Eitsi-Heibib geheten, die vele opdrachten krijgt te vervullen en daarvoor vele omzwervingen moet doen en vele wederwaardigheden beleeft. Hij heeft een zespotig paard en een zessnijdend zwaard – kennelijk dateert de sage van voor de uitvinding van het getal zeven als magisch gegeven – en weet na zijn opdrachten en omzwervingen en wederwaardigheden uiteindelijk de dochter van de maan te bevrijden uit handen van het beest met twintig oren.

De herkomst van het geheel is bekend: de muzikale petroglief stamt uit het Altai-gebergte, tussen de huidige landen Rusland, China, Kazachtstan en Mongolië, en wel uit het dal van de rivier de Jelangasj. Iets ten noorden ligt de republiek Khakassië, waar de muziek haar oorsprong vindt – niet alleen die van de petroglief, maar hoogstwaarschijnlijk alle muziek. Het dichtst bij de betreffende muziek komt de Kalmukse zanger Tsagan Zam of Tsagaanzam, op YouTube te beluisteren en bezien hier. Voor meer over de petrogliefen van Jelangasj, zie de wikische commons, hier en de wikische pedia, hier.

 

Eitsi-Heibib

1

          Rara: rosse paarden, rosse paarden
          gaan in galop over de aarde,
          langs de boom van zeven bomen,
          langs de stroom van zeven stromen.

Eitsi-Heibib ging op reis,
Eitsi-Heibib, over het ijs.

Het Beest met twintig oren zoekt hij,
de witte wolkentoren zoekt hij,
met Bor, zijn zessnijdende zwaard,
op Akrim-Bes, zijn zespotige paard.

Akrim-Bes en Eitsi reden door,
tot alles om ze heen bevroor.

Het licht bevriest, het vuur bevriest,
de zon hoog in de hemel niest.
De woorden moet je koken, smoren,
moet je stoken, wil je ze horen.

In de kou floot Eitsi luid
een liedje op zijn toverfluit.

IJs hard als steen, en glad als glas,
ijs wit als been, en scherp als gras.
De witte witheid is zo wit,
dat het er zwart van wordt als git.

Zo reed Eitsi-Heibib lange tijd,
door anderhalve eeuwigheid,

Door de verblindend witte woestenij,
de onafzichtelijke ijsvallei.
Eindelijk komt hij dan uit
bij een hut van berenhuid.

Het is de hut van de sjamaan,
De grote tovenaar Cordaan.

‘Waar vind ik het Beest met twintig oren?’
vraagt Eitsi, ‘en de witte wolkentoren?’
‘Help mij zoeken, o Cordaan.
Ik kreeg opdracht van de Maan.’

De tovenaar was oud en wijs
en zijn woorden klonken oud en grijs:

‘Wie niet weet waarheen hij gaat,
‘Komt er zeker, vroeg of laat.
Ik help je, Eitsi-Heibib, graag,
Maar geef eerst antwoord op mijn vraag.’

En Eitsi-Heibib boog en knikte.
Hij ging rechtop staan en hij slikte.

‘Wie heeft vier poten en kan niet gaan;
breekt hij een poot, kan hij niet staan?’
vraagt hem de tovenaar. – ‘Een boel,’
anwoordt Eitsi dan. ‘Een stoel.’

De oude tovenaar was opgelucht,
en hij sprak met diepe zucht:

‘Dank je, zo had ik het niet bekeken.
Jaren ben ik mij het hoofd aan ’t breken.
Ik zal je helpen met je zaak,
maar eerst krijg je van mij een taak.’

En Eitsi-Heibib wachtte af,
welke taak Cordaan hem gaf.

‘Ga naar de toverheks in het moeras,
vraag: “Wat is?” en dan “Wat was?”
Keer met het antwoord naar mij weer,
dan help ik, op mijn woord van eer.’

En Eitsi ging – met goed fatsoen
kon hij hier verder niets meer doen.

‘Eén ding nog,’ zegt de tovenaar.
‘Kom je straks in groot gevaar,
roep mij dan, dan kom ik gauw,
één keertje maar, als Kauw.’

Eitsi boog, rechtte zijn rug,
en ging weer op de weg terug.

[wordt vervolgd]

Over de auteur

Robbert-Jan Henkes