Gepubliceerd op: zondag 5 april 2026

Kreeften bevrijden

 

Overal zaten kreeften gevangen. In krappe aquaria zaten ze met dichtgeplakte scharen nijdig naar het cliënteel van viswinkels, supermarkten, delicatessenzaken en kreeftenrestaurants te staren. Kreeften waren bang van licht, maar in gevangenschap viel er niet aan te ontsnappen. Het cliënteel van de kreeftenrestaurants was het verwerpelijkst, zij schepten er een duivels genoegen in om als wrede Romeinse heersers een kreeft aan te duiden die speciaal voor hen levend gekookt zou worden.

Het grootste kreeftenrestaurant bevond zich in de Donkersteeg. Ik passeerde er regelmatig wanneer ik naar De Slegte ging om een stapel kunstboeken van mijn sombere mompelende hypochondrische stiefvader te verkopen: Jasper Johns, vaak Jasper Johns, Robert Ryman, vaak Robert Ryman, Yves Klein, vaak Yves Klein, Richard Long, vaak Richard Long, Gerhard Richter, vaak Gerhard Richter, zelden Sol LeWitt, nooit Sophie Calle. Soms verkocht ik ook boeken van mijn moeder: romans van Queneau, Céline en Elsschot. Ik wist dat de kunstboeken veel waard waren, maar ik was tien en dus werd ik bedot. Ik was een dief, ik had het recht niet om te klagen. Pas op de weg terug met mijn zakken vol kleingeld nam ik de tijd om de kreeften te bestuderen: ze leden en het bezwaarde me. Hun pantsers kregen de kans niet om te vervellen en te vernieuwen. De kreeften waren log, dof, stuurloos, verward, verdwaasd, gestrest, wanhopig. De kreeften blonken uit in apathie en kwetsbaarheid.

Op een dag kwam er een flamboyant uitgedoste sensuele luide blonde vrouw naast me staan, met haar vuist gaf ze me een speelse klopje op mijn bovenarm, ze zei: ‘Kreeften zijn kannibalen, I bet you didn’t know that.’ En toen was ze weg. Het maakte geen verschil voor mij, wat kreeften tussen elkaar uitstaken stond los van de sadistische gastronomische tradities van het mensdom. Ik gaf de kreeften van de Donkersteeg namen: Richard, Jerry, Groucho, Bertrand, Nestor, Kaïn, Diesel, Seneca en Jackson. Soms zaten er mensen in het restaurant, ze wezen een kreeft aan die er plomp en appetijtelijk uitzag. Geen enkele kreeft zag er eetbaar uit, in mijn ogen. Een kreeft leek nog het meest op een dadaïstische readymade of op een grotesk telefoontoestel.

De mannen wezen steevast Seneca aan en de vrouwen zetten bijna altijd hun zinnen op Jerry. Seneca 1, Seneca 2, Seneca 3, Seneca 4, … Jerry 1, Jerry 2, Jerry 3, Jerry 4, … Ik kon het niet meer aanzien. Ik moest iets ondernemen: protesteren. Ik verzamelde reeds geruime tijd krantenartikelen van dierenrechtenactivisten die betoogden tegen circussen, pretparken, dierentuinen, dolfinaria, renbanen, foie gras fabrieken, slachthuizen, nertskwekerijen, dierproeflaboratoria en vivisectiecentra. De meeste dierenrechtenactivisten protesteerden met knullige leuzen en weerloze plakkaten, en de hele rabiate klonken zichzelf vast aan de vele naargeestige bolwerken waar dieren ongebreideld en zonder enige terughoudendheid werden blootgesteld aan hamers, pureermachines, mascara, doolhoven, elektrische schokken, buizen, bijlen, vijzen, slaapdeprivatie, antipsychotica, bijtende vloeistoffen, pinnen, roedes, hoepels, haken, latten, zagen en rubberen laarzen.

Maar eigenlijk waren die vormen van protest afgezaagd en weinig efficiënt. Gelukkig was er een nieuwe opvallende doeltreffende schokkende doch ook speelse en slimme ‘trend’ in opmars waarbij sommige (bevoorrechte, heroïsche) dierenrechtenactivisten in een pak kropen dat het dier voorstelde waarvoor ze in de bres sprongen. Soms kleefde er nepbloed aan de dierenpakken. Wanneer mensen het mismeesterde afgebeulde geëxploiteerde dier te zien kregen, ook al ging het in feite om een mens in een dierenpak, dan konden ze zichzelf niet meer wijsmaken dat hun vermaak, grime, gezellige gewoontes, vleesproducten en hippe kledingitems nooit dartele schrandere sociale complexe lieftallige wezens waren geweest. Ze werden met hun neus op de bloeddorstige barbaarse feiten gedrukt. De dierenpakken deden wonderen voor de empathie en bewustwording van het brede publiek.

Zo kwam ik op het idee om een kreeftenpak te maken. Het nepbloed zou ik achterwege laten, want ik had nog nooit een kreeft zien bloeden en bovendien was een kreeft al rood van zichzelf. Helaas was ik erg lui en helemaal geen knutselaar, dus ging ik te rade bij pientere Margot. Maar pientere Margot lachte me uit, ze was blasé en verwaand geworden. Ze luisterde naar Pornography van The Cure, ze lag op haar bed een mentholsigaret te roken. Ze gebruikte een zwartivoren mondstukje, mondain en gesofisticeerd. Dat was ze ook echt.
Ik bleef zagen, zeuren, dreinen, drammen, jammeren, jengelen, mauwen, smeken en lamenteren. Zonder de hulp van Margot stond ik nergens. Margot wierp tenslotte geërgerd een kraaienpak in mijn gezicht, de snavel verwondde mijn linkeroog. Ze had het kraaienpak als tienjarige gedragen toen ze de hoofdrol mocht spelen in een belangrijke satirische modernistische Gentse musical. Ik had bittere jaloerse tranen geplengd toen ik in het publiek zat en de verrukte verbazing zag op de tronie van mijn moeder. Het pak zat als gegoten maar het was donkergrijs als een vieze wrange troebele onbegeerde rivierkreeft. Als ik de snavel afhakte en het pak liet weken in rode verf zou het misschien goedkomen. Maar het kwam niet goed, het pak stootte de rode verf af.

Dus nam ik de bus naar de carnavalswinkel van Nazareth. Daar hadden ze naast vampiercapes, prinsessenkostuums, tovenaarshoeden, goochelaarsstafjes, smakeloze ruisende tutu’s, clownspruiken, valse neuzen en maskers van Disney booswichten, rekken vol dierenpakken. De luipaarden, tijgers, beren, emoes en koeien waren het populairst. Maar ik vond uiteindelijk het gegeerde fabelachtige haast surrealistische excentrieke kreeftenpak: er hing slechts één exemplaar aan het rek. ‘Mine!’ zei ik kortademig, koortsig en hebberig. Er waren nochtans geen andere schepselen in de buurt. De enige andere klant was een gepensioneerde betonvlechter. Hij bekeek zichzelf tevreden in de spiegel, hij droeg een uit zijn voegen barstend pierrotkostuum. Zijn reden tot tevredenheid ontging mij, hij was pafferig en versleten. Hij was alleszins geen geloofwaardige pierrot.

Er speelde een prachtig liedje op de achtergrond: Carpet Crawlers van Genesis. To crawl was de beweging van de kreeft. De kreeft kroop zijwaarts. Nee, dat was de krab. De uitbater van de carnavalswinkel zei dat het pak vooral gebruikt werd door zatte studenten en aanstaande bruidegoms die nog een keer de bloemetjes wilden buitenzetten. Ik vertelde aan de uitbater waarvoor ik het pak wilde gebruiken. Hij zei driftig: ‘Wat denk je daarmee te bereiken?! Iedereen eet kreeft, kreeft is een delicatesse, was deze winkel lucratiever dan zou ik elke dag wel tien kreeften oppeuzelen! Of meer!!’ Ik barstte in tranen uit en de uitbater kreeg wroeging. Hij streelde mijn nekje en fluisterde schor en hees: ‘Ik geef je het kreeftenpak cadeau! Wurm je tengere lijfje erin en scandeer maar lustig dat het een schande is dat kreeften aan de lopende band worden opgepeuzeld door cynische vadsige zelfgenoegzame patsers die beter zouden moeten weten. Patsers zoals ik…’

Ik bedankte de hitsige sentimentele uitbater en ging er vlug vandoor met het kreeftenpak. Ik had niet genoeg geld voor de busreis terug, dus stak ik mijn duim uit: het universele gebaar waarmee men te kennen een lift te willen. Omdat ik eruitzag als een gemakkelijke prooi die wellicht niet zou tegenspartelen, kreeg ik al snel een lift van een perverse orgelbouwer. Hij had een gouden voortand en een opzichtige schorpioenenring aan zijn pink. Op de radio zong Paul Simon wrang en hartverscheurend over zijn echtscheiding: ‘She comes back to tell me she’s gone/ As if I didn’t know that/ As if I didn’t know my own bed…’ Mijn moeder had de cassette Graceland gestolen in de Fnac toen ie net uit was, ik vergezelde haar zonder oordeel. Ze werd betrapt door een winkeldetective. Ze vermurwde hem met haar kolossale borsten, toen veroordeelde ik haar wel.

De perverse orgelbouwer streelde mijn knie, ik zei gespeeld gechoqueerd: ‘Ik ben tien!’ Hij zei nonchalant, ook gespeeld: ‘Ik dacht dat je veel jonger was.’ We zwegen en luisterden geconcentreerd naar de bedroefde misnoegde Paul Simon. Toen het liedje voorbij was zette de perverse orgelbouwer de radio uit en hij vroeg: ‘Wat moet je met dat stomme kreeftenpak?’ Ik negeerde het adjectief ‘stomme’ en legde uit wat ik van plan was. Tot mijn verbazing zei de perverse orgelbouwer ernstig: ‘Ik bewonder je engagement. En ik hou van kreeften. Mag ik deelnemen aan je protestactie?’
‘Uiteraard!’ riep ik uitbundig, verrast en zelfs ontroerd. De orgelbouwer stopte aan een tankstation en kocht een zak pickleschips voor mij, helaas mijn minst favoriete smaak. Ik vroeg hem: ‘Heb je eigenlijk wel een kreeftenpak?’ Hij zei: ‘Mijn vrouw maakt er wel vlug eentje voor mij.’
‘Is ze handig?’
‘Ja.’
‘Is ze mooi?’
‘Nee, ze heeft een haviksneus en te kleine borsten. Maar ik ben ook niet moeders mooiste.’
Dat klopte: de perverse orgelbouwer had paarse aangezichtswratten en flaporen. Hij was tevens volledig kaal.
Ik vroeg: ‘Wat doet je vrouw voor de kost?’
‘Ze is orgelbouwer, net als ik.’
‘Het is een gedeelde passie.’
‘Zij is meer gepassioneerd dan ik.’
‘Jouw passie betreft kinderen.’
‘En kreeften.’
Ik somde op: ‘Kinderen, kreeften, en orgels.’
‘Nee: kreeften, orgels en kinderen. Dat is de juiste volgorde.’

De perverse orgelbouwer zette me af aan het Baudelopark, we spraken af dat we de komende zaterdag om 18u in ons kreeftenpak zouden protesteren aan het naargeestige opulente kreeftenrestaurant in de Donkersteeg. Ik at de pickleschips tegen mijn zin op en ging daarna naar huis met het kreeftenpak. Ik liet mezelf binnen met mijn huissleutel. Mijn opvliegende tirannieke wellustige moeder en mijn sombere mompelende hypochondrische stiefvader waren op daguitstap in Maastricht. Ik was een ‘sleutelkind’, een melodramatisch zielig woord dat in zwang was geraakt eind jaren tachtig. Ik voelde me niet zielig en ik was fier dat ik een huissleutel bezat. Dat mijn moeder een voltijdse baan had vond ik niet meer dan normaal. Dat ze naast haar baan vaak de bloemetjes buitenzette met (maar ook zonder) mijn stiefvader kwam me goed uit: zo kon ze mij niet terroriseren en was ik vrij om mijn dierenrechtenactivisme en mijn jeugddelinquentie aan te scherpen.

In mijn slaapkamer trok ik het kreeftenpak aan, het was te lang. Ik huilde. Dat was de tweede keer vandaag! Ik had een aversie tegen tranen. Gelukkig kon niemand mijn tranen zien, deze keer. Ik ging op zoek naar de gestolen cassette Graceland, hij lag beneden. Ik struikelde over mijn kreeftenstaart en viel van de trap. Ik verloor het bewustzijn, maar niet erg lang. Ik strompelde naar de keuken en knipte met de grote zwarte tapijtschaar een stuk van de staart af. Ik vond de cassette, ik luisterde naar alle liedjes. Ik at peperkoek. Ik kreeg vreselijke krampen. Ik snelde naar het toilet op de koer en ik probeerde me tevergeefs uit het pak te wurmen. Het lukte niet, ik scheet overvloedig en het pak was besmeurd.

Wat een dag: twee huilbuien, twee pedofielen gekruist, mijn minst favoriete chips naar binnen gewerkt uit beleefdheid, het sleutelkind uitgehangen, de herinnering aan mijn moeders winkeldiefstal opgerakeld, en tot slot mijn fabelachtige begeerlijke kreeftenpak verwoest met mijn plakkerige feces.

Tot overmaat van ramp kwamen mijn moeder en stiefvader vroeger thuis dan verwacht. Ik stond met mijn bezoedelde kreeftenpak in de koer. Ik huilde voor de derde keer. Driemaal is scheepsrecht. Mijn moeder gaf me vermoeide kletsen, maar uiteraard geen billenkoek. Ze nam de sleutel van me af en ze verbrandde het kreeftenpak.

Toch ging ik de volgende zaterdag om 18u naar het kreeftenrestaurant in de Donkersteeg. De perverse orgelbouwer daagde niet op. Ik had een plakkaat gemaakt waarop in viltstift stond geschreven: ‘WIE KREEFT EET IS EEN HUFTER EN EEN BEUL! DE KREEFT HEEFT ZENUWEN EN EMOTIES! WEG MET ALLE KREEFTENRESTAURANTS!!’ Ik had al betere plakkaten in elkaar geflanst. Bovendien was ik niet zeker of een kreeft wel emoties had. Het deed ook helemaal niet ter zake: zelfs een emotieloze kreeft verdiende het om te blijven leven. Een monkelend klaterend koket protserig bejaard koppel stond op het punt om het restaurant te betreden. De vrouw droeg een bontjas! Ze was dus dubbel schuldig. Ik vloog op haar af en beet in haar hand. De man gaf me een klets in mijn gezicht en noemde me ‘krapuul’. De uitbater van het kreeftenrestaurant kwam zich ook moeien, hij zei dat ik voor eeuwig verbannen was uit de Donkersteeg. Ik geloofde hem.

Ik liet de Donkersteeg meer dan tien jaar links liggen, pas op mijn 22ste waagde ik me er weer doorheen. Bijna alles was veranderd: de kaarsenwinkel was een sieradenboetiek geworden. De Nopri was een Delhaize geworden. De klavecimbelhersteller had plaats geruimd voor een saladbar. De logopediepraktijk was omgetoverd in een acupunctuurcentrum. Maar het kreeftenrestaurant had stand gehouden. Ik zei cynisch en gelaten: ‘That’s a bummer.’ Een spichtige sproeterige kerel van mijn leeftijd keek me streng en een tikkeltje neerbuigend aan, hij had blauw piekjeshaar en hij droeg een versleten T-shirt van Minor Threat. Hij nam een steen en brak het raam van het kreeftenrestaurant. Hij was een held, ik niet.

Over de auteur

Delphine Lecompte