Gepubliceerd op: zaterdag 25 april 2026

KP59: Willem de Mérode

 

Sonnet

Zij ging zoo rustig door de jaargetijden
Des levens, of het altijd winter was
En avond, en zij bij het haardvuur las
Van eigen leed, dat andren moesten lijden.

Zij werkte zonder weerzin of verblijden:
Boende het huis en zeemde ’t vensterglas;
Bereidde ’t maal en deed de groote wasch
En liet zich roerloos in den slaap verglijden.

Zij wist van vreugde niet, bedwong geween,
Maar louter, als een zacht patina scheen
Iets zilverigs om haar eenvoudig wezen.

Zij was zoo zuiver en zij deed zoo klaar
Alsof ze één van Gods milde handen waar’,
Druk bezig om de wereld te genezen.

 

De dichter 1887 – 1939
Willem de Mérode is het pseudoniem van Willem Keuning die opgroeit in een streng-calvinistisch milieu in het Noord-Groningse, op het Hoogeland gelegen dorpje Spijk. Bijna alle kinderen in het grote gezin Keuning zijn werkzaam in het lager onderwijs of in de christelijke boekhandel. Ook leeft in het gezin een sociale betrokkenheid bij de rechteloze positie van dagloners, boerenknechten, ongeschoolde fabrieksarbeiders en alleenstaande moeders in de toenmalige samenleving. Met name vader Keuning – die zelf ook diverse boeken schreef – trekt zich dat onrecht aan. Hij is naast bovenmeester van de gereformeerde dorpsschool in Spijk, oprichter en hoofdredacteur van het christelijke tijdschrift De Keuvelaar dat opkomt voor rechtelozen en misdeelden.

De ziekelijke en in zichzelf gekeerde zoon Willem is één van de zes zonen van de oude Keuning. Hij volgt de normaalschool in Groningen, waarna hij schoolmeester wordt op de dorpsschool in Oude Pekela (1906) en vervolgens in Uithuizermeeden (1907), waar hij tot 1924 vooral combinatieklassen draait. Hij woont dan op kamers bij een hospita.
In die afgesloten ruimtes wijdt hij zich in zijn vrije tijd aan poëzie, orgelspel en zijn verzameling prenten, boeken, cahiers en dichtbundels. Met de dorpsgemeenschap bemoeit hij zich niet. Hij leeft er als een zonderling. Zijn vaste burcht verlaat hij zelden; vrienden of kennissen ontvangt hij niet. Alleen zijn dagelijkse gang naar de dorpsschool en zijn zondagse kerkgang krijgen hem uit huis.
Degenen met wie hij een hartelijke band onderhoudt zijn de leerlingen van zijn school. Ook als ze ouder zijn, komen ze graag bij meester Keuning die zo mooi kan vertellen, zoveel weet en ruimhartig is met geschenken zoals een prent, boek of geschiedenisplaat. Tegen de achtergrond van dat eenzame bestaan schrijft de dichter in talrijke gedichten over zijn zielsverdriet. Hij leidt daarbij lange tijd een verborgen leven: zijn liefde voor jonge jongens.
Hoewel er eerder al geruchten rondgaan over zijn twijfelachtige gedrag, is 1924 het jaar waarin hij wegens ontucht in aanraking komt met Justitie en wegens seksueel contact met een minderjarige jongen – een oud-leerling van hem – veroordeeld wordt tot acht maanden gevangenisstraf. Eenmaal terug in de samenleving, is hij in mentaal opzicht een wrak.
Hij trekt zich in een nog geslotener vesting terug in het, in de buurt van Apeldoorn gelegen, Veluwse dorp Eerbeek († 1929). Een terugkeer in het onderwijs is daarbij uitgesloten. Behalve in het onderwijs is hij niet meer welkom in de gereformeerde kerk omdat hij weigert openlijk ten overstaan van dominee en de veelal nog strenger in de leer zijnde ouderlingen zijn spijt te betuigen voor zijn zedeloze handelingen.
Overigens zou hij zijn gereformeerde geloof nooit verloochenen maar met de huichelaars van zijn kerkgenootschap wil hij niets meer te maken hebben. Toch zouden zijn religieuze èn homo-erotische gedichten bij menig belijdend lid van zijn kerkgenootschap een welkome troost zijn. Bijzonder daarbij is dat zijn pleidooien in artikels over homoseksuele onthoudingen worden gedragen in orthodox-christelijke milieus met als gevolg dat zijn seksuele handelingen met een 16-jarige oud-leerling hem stilzwijgend worden vergeven.
Naar verluidt zou De Mérode zijn opvattingen over homofiele relaties ontleend hebben aan de ook door Willem Kloos bewonderde, Duitse dichter-filosoof August von Platen (1796 – 1835). Volgens Von Platen was het mogelijk gelijkslachtige relaties te onderhouden die puur geestelijk zijn, waarbij fysieke begeertes door onthouding en discipline vermeden konden worden. Deze opvattingen vonden niet alleen bijval in strengchristelijke maar ook in gesloten katholieke milieus.
Lichamelijke seksualiteit noemde Von Platen ‘begeerte’ of ‘zinnelijkheid’. Hij wilde die net, zoals later De Mérode, vermijden. Von Platen, die van adellijke afkomst was maar op jonge leeftijd zijn Heimat al ontvluchtte, zou zijn innerlijke strijd tegen aanhoudende homoseksuele aandrang als dichter hebben willen sublimeren in een platonische vriendschapsrelatie, die gedragen moest worden door een lichamelijke en mentale reinheid.
Roel Houwink, een in protestants-literair Nederland aanzien genietende en in het Walcherense Middelburg opgroeiende, gereformeerde Westbrabander, trok naar aanleiding van De Mérodes bundel ‘Het heilig licht’ stevig van leer tegen het door hem uitgedragen, seksuele gedachtengoed. Hij zegt over die bundel: ‘’De slechtste zijde van zijn dichterschap ligt hier bloot: technische routine, religieuse rethoriek en vooral: een onuitgebalanceerde erotiek, welke oorsprong schijnt te kiezen in een ganschelijk ontspoorde sexualiteit. Het is bedroevend de snelle verwording te moeten constateeren van een veel-belovend talent . . .’’
Waarom was deze uitspraak, eerder bruuske uitval zo opmerkelijk? Roel Houwink had gezag als eindredacteur van het protestantse, literaire magazine Opwaartsche Wegen. Daarnaast wierp hij zich op als beschermer van Gerrit Achterberg die ook het een en ander op zijn morele kerfstok had. Tegen die achtergrond verwacht je van een medebroeder in het geloof niet een dergelijke, felle uithaal.

Het gedicht van De Mérode
Het gedicht draagt de naam ‘Sonnet’, dat expliciet naar de vorm van het vers verwijst. Een vorm die sinds de Renaissance onder dichters en lezers gerekend wordt tot de meest geliefde en gehanteerde dichtvormen. De inhoud van het gedicht verwijst naar de vrouwelijke huissloof, een met regelmaat gekozen thema onder dichters, zoals:

Jan Slauerhoff met zijn gedicht ‘De dienstmaagd’:
‘Niet uitgestoten en niet opgenomen,
Een vreemdeling en toch niet een der hunnen’

Gerrit Achterberg met het gedicht ‘De werkster’:
‘Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
ruwhouten planken en vergeten kieren,
want zij behoort al kruipend tot de dieren’

Koen Stassijns en zijn gedicht ‘De werkster’:
‘Moeder, aanrecht en dweil
zoals zij door de kamers dwaalt;
van het belommerd huis de gang
doorkruist en mompelend de ramen aait.’

Gerrit Komrij met zijn gedicht ‘De werkster speekt’:
‘Mijn doodsvijanden heten stof en pluis.
Ik ben de gesel van de spinnenwebben.
zie hoe ik keer en ruim en poets en kuis.’

We zouden de titel van De Mérodes gedicht moeiteloos kunnen concretiseren met aanduidingen als dienstbaarheid in eeuwigheid en eeuwig onderdanig en onzichtbaar. Een gedicht dat handelt over een ledig gemoed maar dan wel in mystieke zin, wat neerkomt op het uitschakelen van de wil, de begeerte en het lijden, wat bij de dichter neerkomt op aanvaarding vàn en overgave áán het leven, hetgeen doet denken aan de filosofie van de Gelassenheit van de Duitse fenomenoloog Heidegger (1889 – 1976).

Heidegger beoogt het zelfde als de middeleeuwse mystici: het streven naar lediging van de geest, maar met een ander einddoel: de mysticus streeft naar vereniging met God en Heidegger streeft naar het wezen van het zijn op aarde, het aanvaarden van het aardse Dasein. En dat wil zeggen dat de mens niet voor zijn bestaan en lichaam heeft gekozen maar dat hij daarin is geworpen en dat hij daarmee tot in de eindigheid ervan moet zien om te gaan.
In ieder geval is gelatenheid – ook wel aangeduid als resignatie – in bovenstaande omschrijving geen synoniem van lethargie of apathie, want dat is lusteloosheid in de zin van onverschillig, gevoelloos en willoos. De vraag die nu opkomt, is of in de bezonken lagen van het gedicht sprake is van een overhelling naar Heideggers filosofie of naar de christelijke mystiek die in de bespreking gekoppeld is aan de acht Beatitudes.

Beatitudes
In de Bergrede – zie Mattheüs 5: 3 – 12 – wordt gewag gemaakt van de 8 Beatitudes, bekend onder de naam zaligsprekingen. In de wereld van alledag overheersen de zogeheten wereldse machten, ook wel profane, seculiere of materiële machten genoemd die een externe, van God afgewende gerichtheid hebben. Zij zijn in hun breidelloosheid in staat het aardse leven tot een hel te maken.
De Beatitudes zijn daarentegen intern gericht en vormen de kern van de Imitatio Christi. Zij behelzen te zijn het pantser dat mensen – vrij vertaald – moet behoeden tegen B1. de begeerte naar Macht & Rijkdom; B2. Lichtzinnigheid; B3. Hardvochtigheid; B4. Ongerechtigheid; B5. Onbarmhartigheid; B6. Zedeloosheid; B7 Wraakzucht (zalig zijn juist de niet-wraakzuchtigen, de vredestichters) en B8. Afvalligheid. Zij die de Beatitudes naleven, zullen uiteindelijk de aarde beërven (bezitten) in de zin van de aarde als Gods Rijk of Vrederijk. (Juist deze dagen spreekt de paus in Bijbelse taal over de zaligspreking van de vredestichter (B7) in reactie op Trumps schaamteloze uitval op hem en zijn onbezonnen oorlogsretoriek.)
De Mérode zal van die zaligsprekingen al vroeg kennis hebben genomen op de school met de Bijbel, tijdens de catechisatielessen en door zelfstudie. Enkele van die sprekingen zijn onderhuids in het gedicht aanwezig.

Bespreking van het gedicht
In het eerste, door omarmend eindrijm gedragen kwatrijn is sprake van een vrouw wier leven geruisloos en ongemerkt door de seizoenen verglijdt: alsof het één aaneengeregen, bladstil seizoen is: lijdzaam, gedwee en altijd alleen. Ook de dagelijkse rituelen van ochtend, middag en avond passeren haar kalm en bedaard. Dan zit zij bij avond bij ‘het haardvuur’ en leest – in de betekenis van verzamelen – in mijmering haar verdrietigheden die anderen overkomt, wat verwijst naar B2: Zalig zijn de treurenden: zij zullen getroost worden.
In het tweede kwatrijn wordt in een eveneens door omarmend rijm geschraagde strofe de eentonigheid van werk in een jambische maat herhaald. Wel is er in V6 sprake van een metrische interventie door een antimetrie op de persoonsvormen ‘boende’ en ‘zeemde’, alsof deze huishoudelijke bezigheden daarmee de aard van haar alsmaar repeterend en dienstbaar werk benadrukken. Zij verricht dat werk ‘zonder weerzin of verblijden’ onverstoorbaar en stoïcijns. Zo ook het bereide ‘maal’ en ‘de groote wasch’. Zelfs in bed en in haar slaap gedraagt zij zich ingetogen, wat verwijst naar B3: Zalig zijn de zachtmoedigen en nederigen van hart: zij zullen de aarde beërven.
In het eerste terzet, de 3e strofe van het sonnet, toont de werkster blijdschap noch verdriet, wat heden ten dage geduid zou kunnen worden als emotionele afvlakking. In de psychologie beschouwd als het creëren van een cognitief zelfverdedigingsmiddel zich te beschermen tegen ’s werelds rauwheid, wat – zij het met een heel dun draadje – verwijst naar B5: Zalig zijn de barmhartigen die anderen genade schenken trots hun verdorvenheid en schuldigheid.
In V10 van diezelfde strofe is evenwel sprake van een contrast ingeleid door het voeg- en signaalwoord ‘maar’: ondanks al die gelatenheden is er ‘iets zilverigs om haar eenvoudig wezen’. Een plotselinge wending in het gedicht die wordt verduidelijkt met de vergelijking ‘als een zacht platina’ dat als een luistering van haar zijn, dan wel van haar gemoed, oplicht.
In de laatste strofe accentueert de dichter de luister die de werkster als ‘zacht platina’ omvademt met begrippen als ‘zuiver’ en ‘klaar’: haar loutering. Zij was er enkel om te dienen, te zijn als ‘één van Gods milde handen’, waarin met name B1 oplicht: Zalig zijn de armen van geest want hun is het koninkrijk van de hemel. Alles overziend is het sonnet voor De Mérode een bewerking van de Bergrede die in zijn gedicht geconcretiseerd wordt door de werkster.
Het gaat daarbij in B1 niet – wat meestal wordt verondersteld – om simpele mensen maar juist om de gesitueerden en de rijken die zich (plots) hun geestelijke leegheid realiseren en die vervolgens hun begeertes en onhebbelijkheden van zich afwerpen. Zoals ooit Franciscus van Assisi (1181 – 1226).
Die geestelijke leegheid is in deze context het besef van een innerlijke leegte, van een gemis aan spirituele zingeving in weerwil van materieel welzijn, macht, status of aanzien. Dat te beseffen leidt tot nederigheid, het besef God nodig te hebben omdat juist deze mensen weten dat zij in hun gemaskeerde leven vaak tekort schieten. En in dat opzicht is onze werkster niet ‘arm’ maar rijk, want haar wacht uiteindelijk de goddelijke gunst opgenomen te worden in het hemelse Koninkrijk.
Aldus is het antwoord op onze in het begin gestelde vraag: wordt De Mérodes sonnet gevoed door de filosofie van Heidegger of door die van de Beatitudes uit de Bergrede niet moeilijk meer om te beantwoorden.

Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com

Nieuwsgierig naar de volgende KP?

Noteer zaterdag 23 mei, KP60: Willem Wilmink over ‘’kinderen nog, die met al hun verschillen in spel en lach een ongekend licht uitstralen van hoop en heerlijk samenzijn’’.

Over de auteur

- belicht in de serie Kamerpoëzie maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.