Het papier overleefd
Nagenoeg alles dat me die vroege ochtend ten deel viel was een teleurstelling. Mijn fiets weigerde een regelmatig tempo aan te houden door de vermaledijde windhoos die van voren op me inbeukte. Het elastiek van mijn sokken was versleten en rolde mijn schoenen in. Er vlogen insecten in mijn haren. En aangekomen bij de opdrachtgever met wie ik een afspraak had, was hij vergeten af te zeggen wegens een omstandigheid. Ik blies uit, staande voor de gesloten deur van het literaire bureau. Dit moment bood wellicht de ideale voorwaarde om een plan uit te voeren dat een tijd geleden door mijn hoofd had geschoten.
Ik liep het stadcentrum in. Zandkorrels van de bouwplek aan de overkant van de straat belaagden me. Met dichtgeknepen ogen vervolgde ik mijn weg naar het statige gebouw waar affiches van aankomende voorstellingen op een nabije zuil waren geplakt.
Een paar minuten later stond ik aan een gepolijste balie. Zachte popmuziek klonk uit de speakers.
‘Meneer?’
Het meisje dat de ticketbalie van het theater bemande, had een vermoeide stem die contrasteerde met haar felle oogopslag.
‘Ik ben een paar maanden geleden de sjaal van mijn vrouw vergeten,’ loog ik.
Het meisje glimlachte.
‘Kleur?’
‘Kastanjebruin,’ antwoordde ik met vaste stem.
Wat deed ik hier? Het was een slecht plan. Die sjaal behoorde me niet toe.
Na een minuut te zijn weggeweest overhandigde ze even later het gevraagde voorwerp. Ik stond perplex, keek gebiologeerd naar het stuk stof dat me over de balie werd aangereikt. Schoorvoetend nam ik het aan. Het meisje merkte mijn beschroomdheid niet op.
‘Uw vrouw zal blij zijn,’ sprak ze. ‘Het is een mooie sjaal.’
De wijze waarop ze haar zelfgekozen einde had uitgevoerd bleef in nevelen gehuld.
‘Die is met een dichtbundel op schoot gevonden, op haar favoriete canapé,’ had haar agent op de uitvaart beweerd. Ik stond met hem en twee schrijvers aan een statafel waar zojuist een glas met nootjes was neergezet waarvan behalve de agent niemand nuttigde. Zijn bewering was niet de waarheid, begreep ik uit de verkrampte grijns die volgde. Ik had niet de moed te vragen welke methode was aangewend. Uiteindelijk besloot ik dat het geen verschil zou maken, dat het hoe dan ook een punt was achter haar handelingen in het ondermaanse.
Op boekwinkeltjes.nl vulde ik in het zoekkader de naam waaronder ze publiceerde. Tijdens haar leven had ik nooit geweten dat haar achternaam niet haar wettelijke was. Op de kaart van haar uitvaart bleek dat ze de meisjesnaam van haar pleegmoeder als alias had aangenomen, een vrouw wiens teraardebestelling al meer dan twintig jaar geleden ten deel gevallen was.
Haar essaybundel was voor vier euro te bestellen. Een tijdschrift met een artikel van haar hand voor twee. Verder vond ik nog titels van een Duitse literaire naamgenote die één letter verschilde met die van haar en abusievelijk in het voorgestelde lijstje resultaten stond.
Ik vroeg me af of iemand ergens in Nederland of Vlaanderen haar recensies had uitgeknipt. Of een liefhebber haar juryrapporten had bewaard. Dat er een map bestond met haar memoires. Het papier had haar misschien overleefd, maar haar schaterlach was bij tijd en wijle springlevend in de membranen van mijn hoofd.
‘Verrekte autofictie,’ had ze op gespeelde nukkige toon me via de telefoon meegedeeld.
Eens in de zoveel tijd belde ze me spontaan op. Het was duidelijk dat iets haar dwarszat. Dan struinde ze haar telefoonlijst af op zoek naar een willig oor.
‘Navelstaarderij met gebrek aan beleving,’ beet ze.
Ik stelde me dan voor dat de selectie boeken die ze had moeten beoordelen nog warm op haar schoot lagen. De indruk die ik kreeg was dat ze, afgestoken met haar boodschap, in een opgewekte stemming verkeerde.
Met slaande deuren had ze het juryberaad verlaten, vertelde ze, want gevoel voor theater had ze wel. Die arme overgebleven juryleden waren waarschijnlijk beteuterd blijven zitten, geschokt door zo’n uitval vol temperament. In gedachten zag ik ze haar koe-achtig nakijken.
‘Ik leen mezelf niet voor een dergelijke afkalving van literaire kwaliteit,’ besloot ze.
En met die stelligheid namen ook haar opdrachten af, want om onduidelijke redenen leek het hen juist niet te gaan om een inhoudelijk oordeel. Zij op haar beurt beschouwde zichzelf geen purist, maar vond dat fictie ging om het prikkelen van de verbeelding. Het genre hield geen veredelde dagboeken vol persoonlijke meningen in, zo stelde ze.
Ik staarde naar de sjaal die ik op de vensterbank had gelegd. Het was een stilleven, waar donkerte en lichte delen zich scherp aftekende onder het binnenvallend licht. Ik dacht aan de manier waarop ze kon oreren.
‘Herhaling van zetten.’ Of: ‘Dat is schrijven om te schrijven.’
Ik kon me goed heugen dat van angst het zweet in mijn handen stond om überhaupt nog een letter op papier te krijgen. Was mijn wezen ook niet onderhevig aan herhaling van concepten uit eerder werk? Maar ze keek me dan meewarig aan om een tel later de spanning te verbrijzelen met haar schaterlach.
‘Ben je bang, Karto?’ schertste ze, en ze wreef dan over de rug van mijn hand. ‘Goed zo.’
Ze was verschrikkelijk eenzaam.

