Gepubliceerd op: vrijdag 3 april 2026

Het eerste boek dat ik ooit las

 

 

Het eerste boek dat ik ooit las: ik herinner het me nog goed. Ik lag op mijn buik in de kamer. Op het blauwe tapijt. En ik las. De letters. De woorden. De tekst. Ik keek niet alleen de plaatjes, maar ik las. En het ging! Het ging zo makkelijk. Het ging bijna vanzelf. Zo vanzelf dat ik helemaal niet door had dat ik een bepaalde bladzijde wel twee, drie, vier, vijf keer achter elkaar las. Toen ik het wel doorkreeg was ik boos op mezelf. Niet dat ik het niet gemerkt had. Niet dat er kennelijk van wat ik precies las niets tot me doordrong. Maar dat ik het boek dan minder snel uitkreeg. En het moest snel, kennelijk. Om mezelf te laten zien hoe snel ik kon lezen. En nu las ik één bladzijde vijf keer achter elkaar, zonder het door te hebben. En gewoon vergat om de bladzijde om te slaan. Wat ik daarna ook wel een beetje raar vond, dat ik dat niet door had. Dat ik niet had begrepen wat er stond. Onbegrijpend lezen, met ogen open slapend dat was mijn eerste lezen. Hoeveel had ik dan van de rest begrepen? Ook niks, neem ik aan.

Of was het zo, dat ik de bladzijde opnieuw las, juist omdat ik hem niet tot me had laten doordringen? En dat drie, vier, vijf keer achter elkaar? Zoals ik dat nog steeds heb, en dan een hele bladzijde opnieuw moet lezen? Dwaalden mijn gedachten toen al zo snel af?

 

Welk boek het was weet ik nog. Het bleef altijd in huis. En staat nu bij mij in huis. Het was De leeuw en de muis van Brian Wildsmith, uitgegeven door het Lemniscaat, ‘naar een fabel van Lafontaine’. Ik weet ook nog welke bladzijde ik steeds maar opnieuw las: een dubbele bladzijde, met de tekst ‘Alle dieren van het bos kwamen aangerend: de antiloop en de gazelle, de vos, de zebra en de apen, de neushoorn en het wilde zwijn’ en op de rechterbladzijde ‘en de grote panter’. Terwijl daar een jachtluipaard staat! Een cheetah! En helemaal geen ‘grote panter’. Ja hij is groot, dat zag ik ook wel. Maar dat komt omdat hij vooraan is getekend. Dat is het per-spec-tief. (Kreeg ik al heel jong van mijn tekenende vader geleerd.) Kinderen voorliegen, ja dat kunnen ze, kinderboekenauteurs en -vertalers.

 

 

Voorin het boek heb ik mijn naam geschreven. Niet één keer, maar vier keer. Want ook dat ging niet in één keer goed. Ik ben altijd een overnieuwdoener gebleven.

 

De leeuwerik

Dertien honden in de wei, dertien honden spelen blij,
dertien honden reken ik, en ze heten allemaal Rik:
flauwe Rik maakt leuke grappen, valse Rik doet niemand kwaad,
bange Rik is heel erg dapper, brave Rik een potentaat,
slimme Rik leert nooit z’n lesjes, vieze Rik is superschoon,
blote Rik draagt wollen vestjes, lijpe Rik is doodgewoon,
domme Rik is heel verstandig, stoute Rik is o zo lief,
lompe Rik is heel erg handig, en luie Rik altijd sportief.

Graoeauw! Graoeauw!
Graoeauw! Graoeauw!
Wie brult daar zo? Wat krijgen we nou?
Kijk dan, kijk dan, kijk dan daar!
Het is onze kleine leeuwe Rik maar.

Over de auteur

Robbert-Jan Henkes