Hector de mus
In de jaren tachtig waren mussen ordinair, alledaags. Bijna een plaag. Men merkte ze haast niet op, grauw en petieterig als ze waren. Ze maakten veel kabaal: geen mystieke geëxalteerde melodische klanken maar storend zeurderig misnoegd gekwetter. In mijn vogelencyclopedie werd beweerd dat de huismus een zangvogel was, maar dat was overduidelijk een flagrante leugen. In Gent liepen overal vriendelijke imbeciele gek geworden alpinisten en aardige psychotische raaskallende clochards rond die de duiven voederden, maar niemand van hen haalde het in zijn hoofd om de mussen te voederen. In De Panne waar ik had gewoond tot mijn tiende waren er veel minder mussen dan in Gent. Ze waren bescheiden en schuchter. Ze verscholen zich in kleinburgerlijke buxushagen en Bijbelse doornstruiken. In De Panne had ik de mussen bemind, maar in Gent staken ze me fel tegen.
Tot ik op een dag een hoopje gevederde ellende in de greppel van de Gelukstraat aantrof. Pientere Margot woonde in de Gelukstraat. Ze was een jaar ouder dan ik: dertien. Ze ging reeds naar new wave concerten en ze las Amélie Nothomb. Ze leek op Amélie Nothomb: rijzig, sierlijk, bitsig, ondoorgrondelijk, vilein en imponerend. Pientere Margot behandelde mij als haar lieftallige deerniswekkende sukkelachtige doofstomme achterlijke kreupele zusje. Een rol die ik met verve speelde. Ooit was ik begonnen met het veinzen van kreupelheid en de meelijwekkende blikken waren me zo ontzettend bevallen dat ik er nooit mee was gestopt. Zelfs mijn moeder vergat soms dat ik niet een echte volwaardige mankepoot was. Het hoopje gevederde ellende in de greppel was een verfomfaaide mannelijke huismus. Ik bestudeerde zijn strenge masker, ik aaide teder zijn lichte kopje. Ik zei: ‘Ik noem je Hector naar Urbanus in de film Hector.’
Pientere Margot bekeek reeds films van David Lynch, Peter Greenaway, Bertrand Blier en Claude Chabrol. Ik moest meekijken, maar stiekem hield ik nog het meest van Beetlejuice, Ghostbusters en dus ook van Hector. Hector was nog aandoenlijker dan Rain Man. Hector was een kinderlijke ontwapenende weesjongen van 35 die op een dag door zijn tante en nonkel werd geadopteerd en hun bakkerij op stelten zette. Ik hield van de onvermijdelijke onweerstaanbare slapstick met bloem en deeg in de bakkerszaak, maar wat me nog het meest trof was de naïeve loyaliteit van Hector en de onvoorwaardelijke steun die hij gaf aan zijn neefje, een ernstige integere kermiscoureur. Hector was ook best wel een vies geil mannetje, hij gluurde naar de borsten van zijn tante. Maar je kon niet kwaad zijn op hem. Hij was Peter Pan.
Ik tilde Hector voorzichtig op, hij trilde. Hij woog minder dan een zakje gemalen Parmezaankaas, poeder. Het was september maar het was heet, te heet voor een weerloze mus en een angstvallige bleekscheet. Ik nam Hector mee naar huis, mijn gewelddadige onvoorspelbare intellectuele overheersende moeder was verrassend genoeg vertederd: ze viel als een blok voor Hector. Ze streelde voorzichtig zijn kopje en ze plantte een kusje op zijn trillende borststreek. Daarna werd ze opnieuw haar stoere en pragmatische zelf: ze nam een lege schoendoos, legde een sjaal op de bodem en plakte watten aan de binnenzijden. Door die watten leek de schoendoos op een isoleercel. Ik had nog nooit een isoleercel in het echt gezien, maar in sommige muziekvideo’s die ik zag passeren op MTV waren rollen weggelegd voor karikaturale kwijlende krankzinnigen met uitpuilende ogen. Ze zaten vastgegespt in een dwangbuis en meestal waren ze opgesloten in een lelijke beige cel met zachte gewatteerde wanden en verder niets. Het muziekgenre was metal en/ of parodie. De hele aarde was natuurlijk een isoleercel, dat had ik geleerd van Black Flag: ‘Earth’s a padded cell, defanged and declawed/ I’m living in hell, it’s a paradise fraud…’
Hector kende de waanzin en de kwaadaardigheid van het mensdom niet. Hij nestelde zich in zijn cel, hij produceerde enkele geluiden die eerder tevreden en zelfs genoeglijk klonken. Er schemerde alleszins geen paniek in door, en ook geen verontwaardiging. Toen mijn sombere mompelende hypochondrische stiefvader van zijn werk kwam moest het deksel op de schoendoos en de schoendoos moest weggestopt worden in de koer. Jacqueline, onze schildpadkat, lag op de loer dus bleef ik tussen haar en de schoendoos staan. In de koer kon ik mijn moeder en mijn stiefvader horen kibbelen over Jacques Derrida, maar ook over de koffiebonen die mijn moeder had gekocht: ze waren exorbitant geprijsd, daarin gaf ik mijn stiefvader gelijk.
Ik nam de schoendoos, beklom de muur van het koertje en keek of de Hollandse buurvrouw die sinds kort naast ons woonde te bespeuren was. Ze was lesbisch, lawaaierig, anti-huishoudtaken, kleurrijk, excentriek en kindvriendelijk. Haar koer was een machtige bedwelmende jungle, ze wiedde nooit en ze beweerde dat onkruid niet bestond. Het verschil met de koer van mijn moeder en mijn stiefvader kon niet groter zijn: stenen, kapotte tennisrackets, schaakpionnen, beschimmelde turnpantoffels en de penetrante geur van een verboden pesticide. De Hollandse buurvrouw had bezoek: haar zus uit Deventer. Ik vroeg: ‘Weten jullie hoe ik een mus moet oplappen?’ De zus zei: ‘Hoe hard het ook klinkt, aan zijn lot overlaten. Een mens hoort zich niet te ontfermen over vogels, they must learn to fend for themselves.’ De Hollandse buurvrouw/ oproerkraaier zei: ‘Let niet op mijn zus… Brood en melk, desnoods in een pipet.’
‘Wat is een pipet?’ vroeg ik.
‘Rot toch op, lastig nukkig verwend nest!’ riepen ze in koor.
Ik kon niet kwaad zijn op onze vurige onverschrokken feministische buurvrouw uit Holland. Bijna iedereen in de buurt roddelde over haar. Men nam het niet dat ze alleen woonde, men nam het niet dat ze lompe bottines zonder veters droeg, men nam het niet dat ze de vagina’s van andere vrouwen vertroetelde, men nam het niet dat ze dwaze roekeloze giftige emancipatoire ideeën door de strot ramde van de jonge volgzame meisjes in de buurt. Mijn moeder was de enige die het voor de Hollandse helleveeg opnam. Mijn moeder drukte me op het hart om nooit een gemene fezelende snel gechoqueerde kleinburgerlijke pezewever te worden. Ze liet me vaak luisteren naar Jacques Brel die de draak stak met nette fatsoenlijke fantasieloze patsers en doffe zure onberispelijke dragonders.
Mijn moeder en stiefvader waren nog steeds aan het kibbelen. Ik klom op het dak met de schoendoos in mijn linkerhand. Ik zag smog, motorrijders, voetbalhooligans, hebzucht, onheil, verslaving en verkrotting. Gelukkig kon ik het deksel optillen en echte schoonheid zien, alhoewel: Hector had gescheten op de sjaal. Vochtige slijmerige feces, maar ik kon niet kwaad zijn op het gevederde kneusje. Ik nam zijn ontlasting erbij. Hij was een mus en dus kon ik hem alles vergeven.
Mijn moeder riep me naar beneden om te komen eten. De mus moest in de keuken blijven, mijn moeder plaatste de schoendoos op de ijskast. Ik at met lange tanden: prei, volkorenrijst, kabeljauw. Na de maaltijd moest ik mijn huiswerk aardrijkskunde maken in mijn slaapkamer: rivieren uit het hoofd leren. Het waren Belgische rivieren met harde stugge prozaïsche namen. Mijn moeder kwam zonder te kloppen mijn kamer binnen en ze betichtte me van de diefstal van drie bokkenpootjes. Ik weigerde om te bekennen, ze gaf me een paar klappen. Ik viel op de grond, ze gaf me een venijnige trap in mijn zij maar daarna vertrok ze weer.
Het werd donker en ik hoorde mijn moeder en stiefvader naar hun aparte slaapkamers schuifelen. Ik luisterde met mijn walkman naar de eerste kant van Morrison Hotel en daarna ging ik naar beneden, naar Hector. Ik nam de doos van de ijskast en snelde terug naar mijn slaapkamer. Mijn slaapkamer was groot, ik verzoop in de pluchen kaaimannen, otters, kamelen en lynxen. En ik had ook ganzenborden, trommels en videospelletjes. Ik was een verwend nest. Pientere Margot had slechts een bed en een strenge zwarte pennenzak. In mijn slaapkamer tilde ik het deksel op, Hector zag er hongerig uit. Hij hapte amechtig met zijn groteske demonische tirannieke pop art-achtige snavel. Ik vond nog een minuscuul stukje bokkenpoot, ik verkruimelde het stukje in mijn tandenborstelbeker en voegde water toe. Ik probeerde de brij in het keelgat van Hector te krijgen, maar het goedje landde op zijn rug.
De volgende dag was er een klasuitstap gepland: de klassen van de vulgaire juffrouw Sonja en de racistische meester Willy zouden een fietstocht maken doorheen de Vlaamse Ardennen. Ik zat in de klas van juffrouw Sonja, ik vergat mijn pet en ik geraakte de hellingen niet op. Meester Willy en juffrouw Sonja lachten mij uit. De kinderen lachten mij ook uit, maar zij wisten niet beter. Ik zag een boomklever en een braamsluiper. Nog een braamsluiper. Drie hoogtepunten. ’s Middags kregen we in herberg Los Lobos elk een doosje sinaasappelsap en we mochten onze boterhammen opeten. Sommige kinderen hadden brooddozen die enkel een suikerwafel bevatten, of nog minder. Ik kreeg altijd hetzelfde: twee lichtbruine boterhammen met jonge Hollandse kaas. Ik gaf mijn boterhammen weg aan de ouwelijke snerende argwanende kansarme Rebecca. Ze was niet dankbaar, ze probeerde me te bijten.
Ik kreeg een zonnesteek. Eerst kreeg ik hoofdpijn, daarna werd ik duizelig en misselijk. De man van juffrouw Sonja voerde me naar huis, hij was erg jong en uiterst joviaal. Hij heette Hektor!! Hij heette weliswaar Hektor met een ‘k’ naar de Trojaanse prins, de broer van de net iets beroemdere (en indrukwekkendere) Paris. Ik vertelde hem over Hector de mus naar Hector het filmpersonage in de film Hector. Hij vond de film een stomme boerse klucht, maar hij bleek een ornitholoog te zijn en ik vertelde hem dat ik tijdens de vervloekte fietstocht toch maar mooi een betoverende boomklever en twee gewiekste braamsluipers had gespot! Gespot was het jargon van de ornitholoog. De man van juffrouw Sonja pochte: ‘In Panama heb ik een geelkopcaracara, talloze kolibries en kiskadees, twee koningstirannen én een dozijnen schreeuwuilen gespot!’ Door zijn gepoch verloor hij wel wat punten, maar ik bleef hem toch sympathiek en interessant vinden. Toch een stuk sympathieker en interessanter dan de frivole opzichtige schreeuwerige juffrouw Sonja die altijd schaamteloos flirtte met klusjesman Martin en die nog nooit had gehoord van het dadaïsme. Ik vroeg aan Hektor: ‘Deelt juffrouw Sonja je liefde voor vogels?’ Hij antwoordde: ‘Nee.’ Ik was opgelucht dat hij niet zei: ‘Nee, maar ze houdt wel van mijn vogel.’ Ik had een hekel aan volwassenen die er geen graten in zagen om kinderen te vergiftigen met hun obscene platte wansmakelijke grapjes/ woordspelingen. Wat dachten ze daarmee te bereiken?
Hij vertelde me hoe ik Hector moest verzorgen. Melk was uit den boze! Een mousse van diepvrieserwten, dat zou Hector doen herleven. Het was helaas te laat: Hector was uit de doos ontsnapt en hij was dood teruggevonden achter de ijskast. Ook ik ging bijna dood, ik kreeg koortsstuipen en ik moest naar het ziekenhuis. Maar ik herstelde. Na mijn ziekenhuisverblijf vroeg mijn moeder: ‘Wil je samen met mij naar Hector kijken?’ Ik zei: ‘Natuurlijk niet, mussenmoordenaar!’ Ik kreeg een pak slaag, alles was weer normaal.

