Dit is zo’n compromis
Een invalklus voor een cursus dicht bij mijn woonst. T praat me op locatie bij over de groep en de lesinhoud die ik voor twee weken van hem overneem. Een oud schoollokaal dat eruitziet als een boetekamer voor malverserende leerlingen. Zo nu en dan klinkt het vallen van een stalen gangdeur tegen de post als een mortierontploffing in een loopgraaf. Kort bespreken we de lesinhoud, die niet veel om het lijf heeft. Het is vooral aandacht richten op schrijfsels van de cursisten en enige suggesties voorstellen die je klassikaal bespreekt. Dan verschuift het gesprek bijna onopgemerkt tot een onderwerp waarvan ik vermoed dat het de ware reden is dat we hebben afgesproken, gezien het voorafgaande ook telefonisch overgedragen had kunnen worden. Ik sta bekend als een lethargische slomeling – wat me overigens meteen een sneer van T zou opleveren voor het gebruik van een pleonasme. De vloek van het ambacht – dus heb ik de tournure niet meteen door. Wel zie ik zijn mondhoeken omlaag trekken, waardoor hij een gemelijk aanzien krijgt.
‘Maar het is allemaal bleek,’ zegt hij, na een korte stilte.
‘Zie ik er zo pips uit?’ bijt ik in weeromstuit. Flauwe grapjes zijn mijn coping met veranderlijke sferen. Hij kijkt me met stemmig gelaat aan, waardoor ik besluit mijn mond te houden.
‘Charley Toorop in de functie van handvaardigheidsdocent op een middelbare school,’ wijdt hij uit, en ik voel aan dat dit een betoog gaat worden. ‘Zoals hier.’ Hij waaiert met zijn hand door het lokaal. ‘Of Samuel Beckett die als een wat sombere journalist op de afdeling advertenties van een krant wordt aangenomen. Jerzy Grotowski die zich aansluit bij een groepje understudies voor een musicalgezelschap op Broadway. Karel Appel verkrijgt een functie binnen een reclamebedrijf. Tamara Karsavina die gouvernante wordt voor een vooraanstaand gezin. Martin Scorcese die kekke bedrijfsfilms filmt. Hoe aannemelijk is het dat zij in het begin van hun carrière met deze stap stabiliteit hadden kunnen vinden, Ferdy?’
‘Dit gaat over je verzameling novellen, of niet?’
‘Dit gaat over onvermijdelijkheid en de eeuwigheid daarvan,’ verzucht hij.
‘Weer een afwijzing?’
‘Ik ga mijn nieuw werk niet zelfstandig uitgeven. Dat is zinloos.’
Ik draai op mijn stoel. Het kraakt. Doordat T schuin zit, zie ik dat er één schroefje ontbreekt die zijn rugleuning verbindt met de metalen buizen die doorlopen naar beneden en de poten van zijn stoel vormen.
‘Stel dat Samuel Beckett inderdaad journalist was geworden.’
‘In Parijs?’ vraag ik.
‘Irgendwo. Dan had hij toch op die manier de handdoek in de ring gegooid? Genegeerd waarom hij op aarde was. Zijn oorspronkelijke ideeën die vrijelijk konden ontspruiten verkwist, en in plaats daarvan zich laten insnoeren in de maliënkolder van het burgerlijke bestaan.’
Het klinkt behoorlijk hoogdravend. Als zijn novellen van hetzelfde snit zijn, dan kan ik zijn teruggezonden manuscripten begrijpen.
‘Ik wil geen compromis sluiten met mijn omstandigheden,’ besluit hij. Zijn ogen zijn vochtig geworden, maar dat kan ook liggen aan de kille atmosfeer van het lokaal. Wel is zijn ernstige blik verdwenen.
Ik kijk het klaslokaal rond. Versleten stalen kasten, een smoezelig whiteboard dat zijn witheid allengs had zien vergrauwen. Een getuierde pc op het bureel. Raffinement was ver te zoeken in deze werkelijkheid. ‘Dit is zo’n compromis?’ vraag ik, refererend naar zijn rol als cursusdocent. Maar ik weet het antwoord al. Ineens realiseer ik me dat T deze functie niet zal hervatten. Ik zal zijn cursus overnemen. Ik richt mijn ogen naar zijn gezicht en wacht tot zijn zuinige mond dit zal meedelen. Maar zijn lippen blijven op elkaar. De korte uitbarsting van geluid door de vallende stalen gangdeur vergruist de stilte.

