Voordracht tussen opgezette dieren in Dordrecht
Het is herfst 2011 en net zoals de meeste mensen zit ik niet goed in mijn vel. Maar in tegenstelling tot de meeste mensen heb ik wel de extase, het soelaas, de uitlaatklep, de duiveluitdrijving, de mystieke kracht en de grenzeloze ontsnappingsroutes van de poëzie. Ik lees hartstochtelijk Allen Ginsberg, Gerrit Achterberg en John Donne. Ik schrijf zelf ook wrede grillige groteske gedichten. Ik schrijf ze almaar liever en gretiger, en met toenemende branie. Of overmoed.
Dankzij de Buddingh’-prijs die ik in 2010 kreeg voor mijn debuutbundel De dieren in mij, is er wel wat aandacht voor mijn poëzie. Er wordt verwacht dat ik mijn ‘raaskalgedichten’ voorlees in tenten, in tuinen, in woonkamers en op bescheiden podia. Het is niet vanzelfsprekend voor mij: ik word geplaagd door vele angsten en neurosen. Gelukkig word ik steeds vergezeld door de oude kruisboogschutter: mijn geile paternalistische kleinburgerlijke misogyne buurman die af en toe mijn vagina likt. Omdat ik geen man van mijn leeftijd vind die mijn schaamgebied wil exploreren, of omdat ik te lui ben om op zoek te gaan naar die fabelachtige bedwelmende man, moet ik mijn pap koelen met de verrassend flexibele amfibische tong van de geriatrische pispaal die een mooie naam heeft waar hij zelf niet van houdt: Omer.
Vandaag mag ik voordragen in het charmante onooglijke Dordrecht, de geboortestad van Cees Buddingh. Vermoedelijk is de organisatie bij mij terechtgekomen vanwege de Buddingh’-prijs, of omdat ze eens een koddig obscuur folkloristisch West-Vlaams scharminkel/ orakel willen programmeren. Ik zal, zoals wel vaker, de enige Vlaamse dichter zijn tussen een meute baldadige kwaadaardige lichtzinnige schaamteloze kwetterende Hollandse scribenten. Het regent, de oude kruisboogschutter laat het uiteraard niet aan zijn hart komen. Dordrecht ligt helemaal niet zo ver van Brugge, toch zie ik op tegen de reis. Ik neem net voor ik mijn huis verlaat tien extra druppels Xanax, maar reeds tijdens de korte busrit van het centrum van Brugge naar het station van Brugge besef ik al dat ik meer Xanax zal nodig hebben om deze beproeving te doorstaan.
Wat ook steeds helpt is automutilatie. De meeste mensen verminken zichzelf niet, het fascineert ze en ze vragen me regelmatig welke functie het heeft. Ik kan het niet uitleggen. Ik kan evenmin uitleggen wat de poëzie voor mij betekent, al zal dat de meeste mensen worst wezen. Vulgair en oppervlakkig als de meeste mensen zijn. Er zijn zelfs mensen die zich neerbuigend uitlaten over de poëzie, het maakt me woedend. Ik zou de mensen die de poëzie misprijzen volgaarne executeren. Ik meen het!
In de trein van Brugge naar Antwerpen zonder ik me af in het vieze tochtige dichtstbijzijnde toilethokje om mijn armen flauwtjes te verminken met een veiligheidsspeld, maar door het bruuske remmen van de trein voor een hinde, voor een Ierse setter of voor een beminnelijke zelfmoordenaar schiet ik uit en maak ik een veel diepere snede dan gewenst. Ik bloed hevig, de mouwen van mijn kokette witte blouse met een motief van zwarte sperwers raken besmeurd. Om mezelf te kalmeren neem ik opnieuw extra Xanax. Deze keer speel ik op veilig en trakteer ik mezelf op twintig extra druppels Xanax. Maar op het moment dat ik de druppels in mijn flesje water aan het opvangen ben schiet de trein weer in gang en daardoor raak ik de tel kwijt. Ik proef van het water: zoet, ik heb te veel Xanax druppels toegevoegd. Toch drink ik gulzig, zonder enige terughoudendheid. Ik wacht ongeduldig doch hoopvol tot de lome zorgeloosheid toeslaat. Tijdens het wachten luister ik met mijn logge prehistorische iPod naar The Last of the Famous International Playboys van Morrissey. Ik heb lang gedacht dat Morrissey de Kray twins op een pedestal plaatste en zelfs een beetje verliefd op hen was, maar het liedje is net een aanklacht tegen de media die zich vaak bezondigde (bezondigt?) aan het verheerlijken van de zogeheten charismatische ultragewelddadige identieke tweelingbroers.
Ik keer terug naar de oude kruisboogschutter, hij is aan de praat geraakt met een jonge alleenstaande Slavische zwaar gemaquilleerde moeder met een gabberkapsel die met haar twee kribbige korstige kleuters naar de zoo van Antwerpen gaat. De oude kruisboogschutter zegt tegen de vrouw: ‘Je moet je kinderen breken, nee kraken. Dat is wat ze met mij in het leger hebben gedaan. Met alle snotapen die binnenkwamen met teveel noten op hun zang.’ Hij geeft altijd waardeloze militaristische pedagogische adviezen aan jonge ouders in de trein, het is pijnlijk en ergerlijk. Breken, nee kraken is niet de manier om je kinderen op te voeden. Ja, ik ken de uitdrukking: zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Maar het slaat niet op kinderen. Stinkende kinderen. Immorele woeste nukkige heidense verrukkelijke tomeloze wispelturige onvoorspelbare kinderen.
Ik heb er geen. Het is abnormaal om geen kinderen te hebben, zeker in West-Vlaanderen. Ik ben een prille bittere bipolaire anorectische dertiger met een zeer vage kinderwens. Maar ik onderdruk de wens. Niet om mijn ongeboren kinderen te behoeden voor mijn waanzin en opvliegendheid, maar wel omdat ik geen zin heb om mezelf volledig weg te cijferen en om nooit meer ongezien te kunnen masturberen met een schoenlepel of met een diepgevroren roggevleugel. En omdat ik als moeder wellicht nooit een hele dag in bed zou kunnen blijven liggen met een kater, een dozijn stroopwafels, een pot speculaaspasta, een marsepeinen zebramangoeste, een chocolade wezelmaki en een verontrustende biografie van de ‘pedofiel’ Pete Townshend. Af en toe ga ik er op literair vlak wel mee aan de slag, met mijn zeer vage kinderwens: dan voer ik in één of ander gedicht een briljante wereldwijze barmhartige zoon op die een meesterlijke hobospeler is, boeken leest over de grappig genaamde ster Betelgeuze maar ook over Buster Keaton en over de Azteken, die buideldassen fokt, en die (belangrijkst van al) zijn moeder op handen draagt.
We komen aan in Antwerpen, we moeten 55 minuten wachten op de aansluitende trein. De oude kruisboogschutter koopt een belegd broodje met ham en kaas. Hij heeft een heilige schrik om te verhongeren. Ik heb daar begrip voor: de oude kruisboogschutter is opgegroeid in bittere schrijnende armoede. Hij werd geboren in 1932 en groeide op in een minuscuul rijhuisje in de Rolweg te Brugge. Zijn vader was een nomadische gewetenloze ledige zuipschuit die zijn schamele legerwedde verkwistte in kroegen, goktempels en bordelen. De kreupele lamentabele imbeciele doch koesterende moeder van de oude kruisboogschutter kreeg gelukkig spijzen, speelgoed, medicatie en kleren van haar buren. Want zo ging dat vroeger: de armen hielpen elkaar. De drie oudere broers van de oude kruisboogschutter gingen aan de haal met de beste appels, de mooiste bintjes en de stevigste truien. De oude kruisboogschutter moest zich behelpen met korsten, schillen en lorren. Het sneeuwde binnen in het mansardekamertje waar hij sliep, en er was ook nog een oudere zus die hem ’s nachts molesteerde. Maar dat vond hij eerder prettig.
De hypocriete pinnige genadeloze katholieke geestelijken zwaaiden destijds de plak in het Brugse onderwijs, in de hele Brugse samenleving. De oude kruisboogschutter haatte de nonnen die enkel soep uitdeelden aan de vrome devote deemoedige onderdanige en bedeesde kinderen. Of beter gezegd: aan de kinderen die vroomheid, devotie, deemoedigheid, onderdanigheid en bedeesdheid wisten te veinzen. Vroomheid, devotie, deemoedigheid, onderdanigheid en bedeesdheid zijn tegennatuurlijke eigenschappen, en al helemaal in kinderen. Kinderen zijn verrukkelijke beesten, ongeremde sjamanen, instinctieve profeten, charismatische nomaden en bewonderenswaardige wilden. Ik ben altijd een kind gebleven, zoals de meeste kunstenaars en dichters. Behalve de wufte pompeuze monkelende prevelende fezelende konkelfoezende zelfgenoegzame onberispelijke netwerkende kwallen die ik ontmoette na de uitreiking van de Buddingh’-prijs. Wat een stelletje verwaande oetlullen!
Dan zitten we eindelijk in de fantastische aansluitende trein die ons naar Dordrecht zal brengen. Ik lees de dichtbundel ‘Servetten halfstok’ van de pittige felle brutale Joodse ex-cipier Ester Naomi Perquin. Zij zal straks ook voordragen in Dordrecht.
Gezocht
Man met grote handen en dito boekenkasten,
bij voorkeur met uitzicht op zee.Veel gerookt mag er worden en films gekeken
waarvan ik het einde al weet.Beloftes voor later het liefst onoprecht zodat
wat hij vertelt steeds weer uit kan gelegdals een broek die te kort is,
een man die daar altijd in past,die van mij leert te houden maar
onredelijk is en behoorlijk kan slaan,academisch niveau, die dan onverwacht
met een kinderwens voor me zal staan.
Ik vind het geestig en verrassend dat de ‘Beloftes voor later het liefst onoprecht’ moeten zijn, en dat de gezochte man ‘onredelijk is en behoorlijk kan slaan’. Ondanks mijn dubbele (misschien zelfs driedubbele) dosis Xanax blijft de verhoopte zorgeloosheid uit, ik ben wel wat loom maar toch vooral chagrijnig en melancholisch.
Dan komen we aan in Dordrecht, een B-dichteres wacht ons op. Zij organiseert deze poëzievoorstelling. Het is Marieke van Leeuwen, de zus van Joke van Leeuwen. Joke van Leeuwen zelf vind ik ook maar minnetjes, maar ik ben dan ook een hatelijke zwartgallige hyperkritische eenzelvige antipathieke tegendraadse rauwe zonderling. Marieke is sympathiek, ze zegt uitbundig: ‘Ik zag een foto van jou in je knusse Brugse woonkamer, omringd door opgezette dieren. Daarom heb ik speciaal voor jou een stel opgezette dieren gehuurd van een taxidermiebedrijf, en straks in het museum mag je voordragen tussen onder andere een opgezette vos en een opgezette kat.’ Ik zeg korzelig en ondankbaar: ‘Ik heb mijn opgezette dieren ondertussen weggeven aan Ronny, de ontslagen kraanmachinist.’ Ik haat die foto waarover Marieke het heeft: het eigenaardige excentrieke heksje Delphine Lecompte tussen haar buitenissige macabere opgezette fazanten en meeuwen. Zo voorspelbaar, zo voor de hand liggend. Het helpt natuurlijk niet dat mijn debuutbundel ‘De dieren in mij’ heet. Dan zoek je het zelf. Ik werd reeds een twintigtal keren geïnterviewd. Elk interview ging over hoe vreemd, koddig, marginaal, bipolair en apart ik ben. Het is geen imago, het liefst zou ik erbij horen.
We komen aan in het museum waar ik en de andere dichters zullen voordragen: daar heb je Ester! Ester hoort erbij. Ester is mooi, kloek, schrander, charmant, kordaat en overrompelend. De oude kruisboogschutter sist in mijn oor: ‘Zij heeft tenminste een inspanning gedaan om er goed uit te zien, zij is tenminste fier en gedecolleteerd.’ Marieke brengt ons naar de backstageruimte, de andere twee dichters die ons groepje compleet maken zitten er al: Klara Smeets en Wim Brands. Klara Smeets is de stadsdichter van Gouda, zoals mijn moeder met haar kenmerkende achteloze wreedheid en pretentie zou zeggen: ‘Quantité négligeable.’ Ze lijkt een beetje op Juliette Binoche, Klara. Mijn moeder zeker niet, mijn moeder lijkt op Paul Weller! Althans volgens haar venijnige ascetische snobistische afgemeten stiefdochter Annemie. Backstage krijgen we droge goedkope krentenbroodjes en limonade. Ester en Wim kunnen het goed met elkaar vinden, ze spreken over de teloorgang van de bibliotheken in Nederland, maar eigenlijk overal.
Dan begint het echte werk: presteren, kunstjes opvoeren, koddig voordragen. Ik lees dus voor in een museumzaal vol stoffige deerniswekkende opgezette dieren. Taxidermie, hatsjie. De dieren ogen angstig en mismaakt. Ik ook. Dag opgezette vos! Dag opgezette kat! Dag opgezette parelhoen! Dag vreemde opgezette fluiteend in de bijt! Dag opgezette ooievaar! Bijna een kindergedicht van Joke van Leeuwen…
Het publiek is knullig, stoffig, oubollig, hoffelijk en glazig. Goed geconserveerde rigide oerdegelijke ernstige zestigers en zeventigers van goede komaf. Ze grinniken zwakjes en geven me na elk gedicht een applausje dat almaar lauwer klinkt naarmate de voordracht vordert. In de andere zalen dragen de drie andere dichters voor. Het publiek is in vier groepen verdeeld. De vierde groep is het meest geestdriftig en genereus. Na afloop mag ik mijn eerste en voorlopig enige dichtbundel signeren. Dat leuren met dichtbundels, ik doe het niet graag. Maar ik vind het natuurlijk wel fijn dat mensen mijn gedichten willen lezen. Er staat een lange rij mensen die een bundel van me wil kopen en laten signeren. Ik put me uit in de meest exuberante overdreven gepassioneerde flatterende bewoordingen en superlatieven: ‘Aan de ontwapenende dappere strijdlustige fantasierijke avontuurlijke onorthodoxe kleurrijke Adriaan. Veel liefs, Delphine.’ Adriaan is de laatste in de rij. Hij kijkt sceptisch naar mijn veel te extatische opdracht. Hij zegt: ‘Je kent mij toch niet?’
Ondankbare pezewever!

