Gepubliceerd op: zondag 8 maart 2026

Vacht, schubben, gif, hoorns en stekels

 

Als kind leerde ik dat het niet hoorde om dieren te strelen, het was dom en sentimenteel. Zelfs een koe moest ik met rust laten. Maar ik hield innig van koeien: van hun brede vochtige neus, van hun zwiepende autonome staart, van hun melancholische zorgzame oogopslag, van hun goddelijke besmeurde flanken, van hun knokige onverwoestbare rug, …

Ik deed het toch: het strelen van dieren. Nog voor ik leerde lezen en schrijven had ik reeds tal van dieren gestreeld: een egel, een ekster, een koolmees, een chowchow, een kruisspin, een dozijn merries, 43 zwerfkatten, een gerbil, een krab en een penseelaapje. Zoogdieren hadden de meest geschikte structuur om je hand door te halen: een donzige vacht, wol, angora, zijde, kasjmier, pluis, haren. Behalve zeezoogdieren natuurlijk. En dan had je nog: de olifant en de naakte molrat. Zij hadden evenmin haren. Konijnen hadden de zachtste vacht, maar de enige konijnen die ik tegenkwam waren de dode met vastgebonden poten die mijn grootvader elke woensdagavond op de keukentafel van mijn grootmoeder zwiepte. Een morbide ruiker. Ik probeerde ze eens in een vaas te steken, maar ik werd betrapt door mijn grootvader en ik kreeg een pak slaag.

Pas na een jaar leerde ik dat de dode konijnen met de wel erg lange oren hazen waren. Hazen waren slimmer, sneller en strijdvaardiger dan konijnen. De imbeciele klusjesman Julien had een foto van boksende hazen in zijn caravan. Die foto hing naast zijn spiegel. Julien keek vaak in de spiegel, hij kon het niet verkroppen dat hij lelijk was. Het verraste hem telkens weer. Tegen beter weten in hoopte hij elke ochtend wanneer hij opstond dat zijn spiegelbeeld hem Burt Lancaster zou serveren, maar het werd steeds opnieuw zijn eigen bolle tronie met de loensende onbetrouwbare ogen, de uitstulpende moeraskleurige wratten op zijn linkerwang en de schabouwelijke fascinerende hazenlip. De imbeciele klusjesman was opgegroeid in Amersfoort. In Nederland noemde men strelen aaien. Hij had een kanarie die ik mocht aaien, maar het beestje werd panisch wanneer een mensenhand zijn kooitje naderde en dus hield ik ermee op. De imbeciele klusjesman had ook nog twee goudvissen, maar het was verboden om ze te strelen/ aaien. Hun schubben zouden verbranden, beweerde hij.

Wanneer de imbeciele klusjesman een opdracht had in de buurt mocht ik in zijn caravan blijven en stripverhalen lezen. Het was knus in de caravan van de imbeciele klusjesman, overal stonden kitscherige porseleinen beeldjes: beeldjes van uilen, beeldjes van zwaluwen, beeldjes van biddende boeren, beeldjes van deemoedige mijnwerkers, beeldjes van veldmuizen en beeldjes van gorilla’s en beeldjes van schalkse argeloze cavalier king Charles spaniels die de spelboog maakten. Ik mocht de beeldjes niet aanraken en zeker niet verplaatsen. Geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht om ze aan te raken en te verplaatsen. Ik was meer geïnteresseerd in de mysterieuze onverstoorbare ongenaakbare alchemistische goudvissen. Op een dag deed ik wat verboden was: ik streelde de glibberige schichtige slanke ranke kwieke mystieke goudvissen van de imbeciele klusjesman. Het wond me op, ik overdreef. Ze raakten overstuur.

Om de vissen te troosten gaf ik ze extra voeder, maar het deksel zat niet goed vast en dus kwam de hele inhoud van de goudvisvoertube in het aquarium terecht. De goudvissen van de imbeciele klusjesman vraten zich dood en ik mocht nooit meer alleen in zijn caravan blijven. We begroeven de vissen in de duinen en ik zong Au Clair de la Lune, ook al vond de begrafenis plaats op klaarlichte dag en Au Clair de la Lune was sowieso geen geschikt liedje voor een begrafenis van vissen. De imbeciele klusjesman verving de vissen niet, maar hij liet wel het aquarium staan. Om mij een lesje te leren, dacht ik.

Op een dag mocht ik met tante Anne en nonkel Carlos en hun vier roekeloze baldadige immorele zoons mee naar het pretpark van Adinkerke: de Meli. Het was de eerste keer dat ik erheen mocht. Mijn neefjes waren vooral geïnteresseerd in het vliegend tapijt en het spookhuis, maar ik wilde uitsluitend de dieren bewonderen. We splitsten: tante Anne en de neefjes gingen naar de sensationele blikkerende glimmende zoevende attracties, en nonkel Carlos zat opgescheept met mij. We stapten plechtig en langzaam naar het bedrieglijk serene broeierige walmende raadselachtige dierenverblijf van het pretpark. De dieren van het pretpark waren: lama’s, maki’s, geiten, herten, pauwen, buizerds, panters, beren en reigers. De dieren van het pretpark waren lethargisch, neurotisch, krankzinnig, depressief en verbolgen. Behalve de herten.

De herten waren mystiek, sereen, onbevangen, bescheiden en minzaam. Ik mocht hertvormige koeken geven aan de herten. Maar ook: zebravormige koeken, gnoevormige koeken, girafvormige koeken, wombatvormige koeken, chimpanseevormige koeken, dromedarisvormige koeken, antilopevormige koeken, hagedisvormige koeken, oehoevormige koeken en marmotvormige koeken. Nonkel Carlos ging zitten op een bankje, hij las geconcentreerd een boek van Heidegger. De koeken waren broos, ik plaatste ze op mijn uitgestrekte hand en bood ze aan. Ik was precies een piepjonge schriele lankmoedige pastoor en de herten waren mijn bedremmelde fijngevoelige ietwat angstige parochianen. Maar ik was ook angstig: ik had schrik dat een hert in de muis van mijn hand zou bijten. Wanneer een hert naderde sloot ik dan ook mijn ogen, dus kon ik nooit zeker zijn of het wel de herten waren die de koeken hadden aangenomen. Misschien was het de pedofiele hertenverzorger geweest.
Na de voedselbedeling raakte ik het gewei van een oud somber mannetjeshert aan, mijn grootvader had een mondaine vilten hoed die dezelfde aangename textuur had. Hij droeg de hoed enkel wanneer hij met zijn Poolse minnares, een prachtige valse vileine ex-koorddanseres, naar een tombola ging in Koksijde, ze was verzot op tombola’s.

Terwijl mijn barbaarse rebelse lawaaierige grootsteedse neefjes zich uitleefden op de gammele klutsende hutsende botsende klotsende roestige attracties, kreeg ik een dier in de gaten waarmee niemand iets te maken wilde hebben: een gier. Het was niet zomaar een gier, het was een kale potsierlijke majesteitelijke wijze eenzelvige gier met een lillende eelterige obscene agressieve kam op zijn kop en een smetteloze weelderige koddige witte kraag: een Andescondor. Was de kraag toegevoegd door God om het aanzicht van de kam te verzachten?

Bestond God eigenlijk nog wel? Had hij alle dieren in zes dagen tijd op de aarde gekeild? Het was twijfelachtig.
Mijn grootvader zei: ‘Neem het met een korreltje zout.’
Mijn grootmoeder zei: ‘We verdienen God niet.’
Mijn moeder zei: ‘Het is smakeloos en kortzichtig om in God te geloven.’
Mijn vader zei: ‘Voor één keer treed ik je moeder bij.’
De imbeciele klusjesman zei: ‘Fientje, God heeft een uitstekend gevoel voor humor. Daarom heeft hij de hyena, de kameel, leukemie, zwarte gaten, alzheimer, fecale incontinentie, de fiscus en het vogelbekdier verzonnen.’
Zo grappig was de hyena nochtans niet.

Ik was vijf en het jaar was 1983. In De Panne bleven almaar meer mensen weg uit de kerk, en we kregen zelfs te kampen met punkers en communisten. Ik was zeer godsvruchtig, Darwin wees ik radicaal af. In de Andescondor zag ik het verfijnde ambigue sluwe humoristische meesterschap van God. De Andescondor had een uitgestrekt zanderig terrein helemaal voor zichzelf, hij had zelfs een berg en een hut. Hij bleef zo ver mogelijk weg van de omheining en de weinige pottenkijkers. Hij maakte met zijn vleugels razende tekeningen in het zand. Het was verveling, ellende, neurotisch gedrag. Toch waren de tekeningen prachtig, het waren karikaturale zelfportretten maar ook spotprenten van de vulgaire opzichtige boertige grillige misnoegde pretparkbezoekers. Een dier had zogezegd geen zelfbewustzijn, en al helemaal geen gevoel voor humor en satire. Maar deze gier bewees dat een dier dezelfde finesse en scherpzinnigheid kon bezitten als de beste mens. De beste mens was mijn grootvader. De Andescondor leek sprekend op mijn grootvader. Had ik maar een net om de Andescondor te vangen. Dan zou ik de tegenstribbelende bundel naar het huis van mijn grootouders slepen en de Andescondor schenken aan mijn grootvader. Ze zouden bevriend raken en God zou ons opnieuw beschermen. Ik probeerde oogcontact te maken met de Andescondor maar het lukte niet.

Nonkel Carlos kwam me ruw verstoren, het pretparkuitje zat erop en we keerden terug naar De Panne. Het ging slecht met mijn grootvader in 1983, zijn favoriete minnares (de wulpse garnalenpelster, niet de Poolse ex-koorddanseres) was op zes december 1982 bezweken aan een buikaneurysma. Mijn grootvader kon niet uitgebreid rouwen en snotteren, hij moest immers mijn grootmoeder sparen. Hij dronk nog meer dan anders. Whisky. Hij doodde ook meer dieren dan anders. Wespen, vliegen en rupsen. Maar ook: eenden, fazanten, kwartels en hazen. Het was moeilijk om zijn bloeddorst met de mantel der liefde te bedekken. Niettemin kroop ik nog elke dag op zijn schoot, vooral omdat de schoot van mijn grootmoeder te knokig was en de schoten van de andere volwassenen in mijn omgeving waren dan weer veel te klam, blubberig en seksueel.

Ik vertelde mijn grootvader over zijn dubbelganger: de Andescondor. Het amuseerde hem, maar ik voelde dat zijn geamuseerde milde bui snel zou kunnen omslaan in wrevel en van wrevel was het een erg korte route naar een cholerieke gewelddadige woede-uitbarsting. Dus weidde ik niet te fel en te uitvoerig uit over de Andescondor. Ik vroeg aan mijn grootvader: ‘Heb je vandaag meer dan tien dieren vermoord?’
‘Minder dan vijf,’ beweerde hij. Maar ik wist dat hij de insecten nooit liet meetellen.
‘Welke dieren?’
‘Een haas, twee patrijzen en een duck tolling retriever.’
‘Een hond??’ riep ik ontzet, met een schrille snik in mijn stem.
Mijn grootvader zei deemoedig en berouwvol: ‘Het was een ongeluk, de hond hielp mee om de patrijzen en ander geschoten gevogelte van de oever naar ons te brengen, maar het beest was nerveus en ik was beschonken. Ik dacht dat hij een fazant was en ik schoot hem dood.’
‘Dat is verschrikkelijk!’
‘Ik heb zijn baasje geld en een fles jenever gegeven, en hem een Afrikaans masker beloofd. Morgen komt hij erom.’
Ik herhaalde: ‘Dat is verschrikkelijk.’
Mijn grootvader aaide mijn kruin.
Ik zei: ‘Mocht iemand mijn hond doden dan zou ik op wraak zinnen.’
‘Jagers houden niet van hun honden en ze zinnen zelden op wraak,’ zei mijn grootvader bruusk, ik stelde zijn geduld op de proef.

Ik sprong van zijn schoot en liep de tuin in. In de tuin streelde ik de landschildpad van de buurman, een sinistere Beierse ex-matrassenverkoper wiens vader ooit een bezem of een klapstoel had gemaakt voor de moeder van Hitler. De landschildpad van de ex-matrassenverkoper liet zich de strelingen welgevallen. Of beter gezegd: hij had er geen last van, zijn schild kon wel tegen een stootje. Ik streelde ook nog een pissebed: teder en voorzichtig met mijn wijsvinger. Verder streelde ik: een poederige knalgele vlinder, een petroleumblauwe waterjuffer, een zwangere zwerfkat, een dode mus, Fredo de boxerhond, een alpaca, twaalf ezels en een hooiwagen. Voor de alpaca en de ezels moest ik wel eventjes de straat op.

De tuin van mijn grootouders was allesbehalve paradijselijk: de meeste dieren beten en/ of deelden giftige steken uit, en de bomen waren plakkerig en verraderlijk. Mijn grootouders hadden geen appelboom, maar wel een tamme kastanje. Mijn moeder was de enige die smulde van de kastanjes. Ik had haar al een hele tijd niet meer gezien, ik miste haar niet. Plots verscheen ze, ze vertrappelde uiteraard de hooiwagen die ik zopas had geaaid. Ze overlaadde me met geschenken: een accordeon, een tomahawk, een pluchen bever, een pluchen mannetjesleeuw, een pluchen suikereekhoorn, een pluchen zebravink, een stel handboeien, een bivakmuts, een boek over dinosaurussen, een speelgoed Kalasjnikov, een ganzenbord, een telraam, een sheriffster, een groene dobbelsteen, een hark, een siermango en een slede. Ik bedankte mijn moeder mat en bloedeloos. Ze vroeg: ‘Fientje, heb je je vandaag geamuseerd?’
Ik antwoordde: ‘Ik mocht voor het eerst mee naar de Meli met tante Anne, nonkel Carlos en de neefjes. Ik heb een gewei gestreeld, een gewei! Maar ik had toch vooral oog voor de Andescondor. Hij leek op opa.’
‘Op mijn vader?’
‘Ja.’
Mijn moeder schaterlachte, beledigd rende ik naar binnen. Ik liet haar achter. Ik liet mijn moeder en al het zinloze glanzende vervuilende speelgoed achter.

In de woonkamer redde ik een slome bescheiden bromvlieg uit de klauwen van mijn sadistische neefje Simon. Ik liet de bromvlieg vrij, zijn vleugels waren geschonden en hij vloog te pletter tegen de caravan van Julien. De imbeciele klusjesman stond naast zijn caravan een grote zak chips met baconsmaak te eten. Een kleine witte kat speelde met de veters van zijn lelijke orthopedische bottines. De kat gaf geen zier om de lelijkheid van de bottines, net zoals ze geen zier gaf om de schoonheid van het schilderij De bekering van Paulus van Caravaggio.
De kat had geluk, ik niet.

Over de auteur

Delphine Lecompte