Thema
‘Wat is je thema?’
Een bevriende kunstenares had mijn gegevens doorgespeeld aan een programmeur van een klein literair festival. Ik werd gebeld op een dinsdagochtend aan het ontbijt, op het moment dat ludieke opmerkingen van cursisten van de gegeven les een avond eerder nog door mijn hoofd spookten. Een dame had het gehad over een ‘dunne spoeling’, een gezegde waar ik me verplicht voelde om er iets poëtisch mee te vormen.
‘Poëzie,’ antwoordde ik, omdat ik begreep dat deze kunstvorm een niche is.
‘Ja, dat snap ik,’ reageerde hij, ik merkte een cynische toon op in zijn stem. ‘Maar je thema.’
Ik herhaalde zijn laatste woord om het te laten rondgaan in mijn hoofd, om een passend antwoord te formuleren. Op het horen van mijn gepapegaai, meende ik hem te horen zuchten.
‘Waar richt je werk zich op?’ probeerde hij nog.
‘Op woorden.’ Er zat geen woord van minachting bij, maar ik hoorde hoe de stilte gelaagder werd. Ik stond nu voor een ravijn en werd me gewaar van een brandend gevoel in mijn buik. Ik moest iets opwerpen, een intelligent antwoord, iets waarnaar verlangd werd.
‘Een mensenleven,’ vulde ik aan.
‘Geen maatschappelijk thema?’ vroeg hij, met een duidelijk accent op maatschappelijk.
Ik hoorde iets brommen op de achtergrond. Dit was niet de telefoonverbinding, het moest iets zijn in de ruimte waar hij zich begaf. Een ijskast? Een faxapparaat? Ik probeerde een voorstelling te maken van zijn omgeving; de tramlijn die zichtbaar was vanaf zijn raam op de eerste, de paraplubak in de hoek van de kamer, een litho van een Franse avant-garde kunstenaar aan de muur.
‘Het spijt me,’ zei ik tenslotte, niet bij machte raffinement te demonstreren, coifferend spel op te dissen. Alles dat door mijn hoofd bewoog waren woordkeutels.
‘Doe je dan rijmpjes of zo?’ probeerde hij nog.
Ik ontkende dat ik rijmpjes deed. En ergens in mijn lijf leek er een luikje open te gaan. Door dat luikje ontsnapte een stompvormig gevoel. Het voelde verfrissend. Dit, dacht ik, dit moet te vangen zijn in een gedicht.

