Nawoorden
Dichteres V mag haar nieuwe bundel uitbrengen bij een andere uitgeverij dan waar haar vorige bundels werden gepubliceerd. We zitten in de bus naar L.
‘Ik moet nog nadenken over een nawoord,’ zegt ze, terwijl ze aan haar kartonnen beker nipt die gevuld is met koffie.
‘Nawoord?’
‘Ja, wie ik moet bedanken.’
We schuiven langs polders die zo platgestreken zijn dat we kilometers uitzicht hebben. Ergens ver weg graast een club koeien. Ze bestudeert mijn expressie, terwijl ik denk aan dankwoorden. Had Vasalis er één? Ida Gerhardt?
‘O heeft een mooi dankwoord,’ zegt V. ‘Ik had zijn bundel opgezocht voor inspiratie.’
‘Je kijkt een bundel in voor inspiratie over een dankwoord?’ vraag ik.
Ze knikt. Daarna lurkt ze weer aan haar karton.
‘Wel,’ begin ik, maar ik weet niet goed wat ik ga zeggen, ‘bedanken is misschien wel een prettige intentie, maar misschien heeft het ook een averechts effect.’
De bus neemt een drempel, die, bij de afdaling ervan, een zacht prikkelend gevoel in onze buik doet tintelen. V houdt haar beker gestrekt voor zich uit, zodat de inhoud door de beweging niet over de rand klotst.
‘Wat bedoel je?’
Een scholiere die twee zetels voor ons zit, draait zich naar ons om. Ik besef me ineens dat ze V mogelijk zou kunnen herkennen.
‘Met elke naam die je dankt, dank je ook iemand niet,’ zeg ik.
V lacht.
‘Wie wil je danken?’
‘Mijn ouders, mijn uitgever,’ somt ze op.
Ik blijf haar aankijken, wachtend op vervolg.
‘H natuurlijk,’ gaat ze verder, ‘en U en iedereen van C. Ik denk ook de mensen van mijn vorige uitgeverij. Of staat dat stom?’
‘Waarom niet de barista die je elke keer koffie inschenkt?’
‘Wat is dat nu weer voor vreemde opmerking, Ferdy.’ Ze wendt haar gezicht van me af.
‘Door die bakjes kun jij toch ontspannen, inspiratie opdoen?’
‘Dat slaat nergens op,’ mompelt ze tegen het raam.
‘Is het bovendien niet zo,’ ga ik verder, ‘dat mensen die jou kennen meteen doorbladeren naar het nawoord, op zoek naar hun eigen naam.’ Ik praat inmiddels verder tegen haar achterhoofd. ‘En dat ze, daar aangekomen, beseffen dat die er niet staat. En dit, terwijl ze je vier jaar geleden geld hebben geleend. Of dat ze je in het begin van je carrière op hun huis hebben laten passen zodat jij je debuut kon schrijven. Of sterker nog: je vorige bundels hebben aangeschaft.’
Ze draait zich weer naar me om.
‘Wat stel je voor dan?’
Ik weet me even geen raad met haar vraag. Het komt me voor als confronterend, als had ik niet goed nagedacht over de effecten van mijn relaas. Ik zie hoe de scholiere voor ons zich inmiddels heeft verdiept in het scrollen op haar smartphone.
‘Ik weet het niet,’ zeg ik naar waarheid.
‘Schijtnawoord,’ zegt ze. Ze kijkt in de donkere drab van haar kartonnen beker. ‘Dacht ik ook eens erkentelijk te zijn.’
‘Maak er een gedicht van,’ zeg ik, zonder het snedig te hebben bedoeld. V begint te knikken. Ze draait haar gezicht naar me toe en kijkt me met fonkelende ogen aan.
‘Dat is een goeie,’ brengt ze uit.
De bus stopt en we horen de rubbers van de schuifdeuren zich moeizaam lostrekken van elkaar. Een man met vlezig gezicht met lippen alsof ze zijn afgesneden stapt binnen. Hij kijkt de bus rond en gaat dan tegenover ons zitten. V rommelt in haar tas op zoek naar haar klein cahier. Met de beweging van de nieuwe passagier voor ons, daalt een lucht van goedkoop parfum over ons neer. De bus trekt weer op en we glijden verder tussen vlak land.

