Gepubliceerd op: zaterdag 28 maart 2026

KP58: Hans Andreus

 

De gevangene

Uiterlijk onbewogen maar wantrouwig,
in handen gevallen der krijgers,
’s nachts met schild en speer niet meer sprekend,
eenzamer dus dan het kleine gedode paard, –
onverschillig tot zich nemend het slechte voedsel
hem in de hoop op een twijfelachtige losprijs voortgezet, –
koud van verlangen en moe van de ontbering der verten,
nauw slapend, altijd zwijgend,
denkt hij wel aan het einde: een snelle beet in de pols,
een verborgen koord,
maar danst zijn bloed nog met duizend listige duivels
wanneer hij zint op ontsnapping: een vergissing der wachters,
een onnadenkendheid, een zwakheid;
en ziet hij zijn vrijheid: een bloedige tocht door de landen,
en zijn thuiskomst:
eindeloos reiken de handen van het land naar de lucht.
Hij moet zijn ogen harden
om dit te verbergen: achter de rotsen een bron.

 

Achtergrond van de dichter 1926 – 1977
Het voorliggend gedicht kan omschreven worden als een vrij vers. Dat is een gedicht geschreven door een dichter die zich niet gebonden acht aan de regels van de klassieke poëtica. Met name eind veertiger en begin vijftiger jaren van de vorige eeuw komt deze als experimenteel aangeduide dichtkunst sterk opzetten. Opvallende uiterlijke kenmerken daarvan zijn:
– het ontbreken van een regelmatige strofenbouw;
– het gemis aan geordend eindrijm en andere vormen van rijm, zoals assonantie en consonantie;
– het ontbreken – zoals in het gedicht van Andreus – van een vast metrum;
– een voorkeur voor onregelmatige lengtes van versregels;
– geen interpunctie en hoofdletters;
– verschillen in typografie.
Andere, meer intrinsieke kenmerken zijn het verbreken van esthetische conventies, het bevorderen van associatief taalgebruik, het prefereren van intuïtie en passie ten koste van de ratio, de zintuiglijke benadering van de omringende werkelijkheid, het slopen van semantisch taalgebruik en vervreemding opwekkende stijlmiddelen.

Een dichter heeft voor het hanteren van het vrije vers soms uiteenlopende redenen. Het kan zijn dat hij de inhoud of de boodschap van het gedicht wil accentueren. Dat hij geen of weinig poëticale aandacht wil besteden aan de vorm, de buitenkant van het gedicht, met het doel de lezer niet te veel af te leiden van de content van het gedicht. Daarom ook geen gekunstelde taal maar eerder een natuurlijk, narratief taalgebruik dat dichter bij de gewone, alledaagse spreektaal staat. Om de lezer nog dichter bij de inhoud te betrekken wordt gestreefd naar verrassende herhalingen, bijzondere klankeffecten en onconventionele beeldspraak.

Andreus kan tot op zekere hoogte gerekend worden tot de experimentele Beweging van Vijftig, ook al omdat hij opgroeit in dezelfde, Amsterdamse buurt als die van de iets oudere Lubertus – Bertus – Swaanswijk (1924 – 1994), de latere voorman van Vijftig, Lucebert. Met hem raakt Andreus al op jonge leeftijd bevriend. Bertus inspireert hem tot het dichterschap, ofschoon Andreus, wiens echte naam Johan van der Zant is, al op de HBS opvalt door zijn expressieve taalgebruik en dan al luidruchtig verkondigt dichter te willen worden.
We kennen Andreus natuurlijk vooral vanwege zijn liefdesgedichten ‘Voor een dag van morgen’ met daarin de overbekende aanvangsregels waarin de invloed van Vijftig zicht- en merkbaar is:

Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.

En anders wel vanwege zijn gedicht ‘Vertel hoeveel ik van je hou’, waarvan enkele verzen luiden:

Als ik naar de hemel kijk dan denk ik aan jou,
en dan weet ik hoeveel ik van je hou.
Als ik naar de zon kijk dan lach ik voor jou,
en dan weet ik hoeveel ik van je hou.
Als ik naar de maan kijk dan mis ik jou,
en dan weet ik hoeveel ik van je hou.

Andreus groeit op in een familie met sympathie voor de Duitse heilstaat; sommige familieleden zijn lid van de NSB. De dichter maakt door allerlei huiselijke problemen – vooral met zijn stiefvader – zowel zijn HBS-opleiding als zijn na de militaire dienst aangevangen studie aan de Amsterdamse Toneelschool niet af. Maar zijn talenten zijn dusdanig dat hij erin slaagt de kost te verdienen met werk voor radio en krant. Ook is hij enige tijd redacteur van het literaire magazine Podium (1944 – 1969), dat vanaf beginjaren ’50 vooral de spreekbuis is van de roerige Beweging van Vijftig, maar daarvoor een illegaal anti-oorlogsmagazine is, dat ver van Amsterdam, namelijk in Leeuwarden, is opgericht.
Andreus gaat halverwege de jaren ’50 kinderverhalen schrijven en niet zonder succes, getuige zijn alom bekende creatie van schoolmeester Pompelmoes. Toeval of niet, vóór en ná de Tweede Oorlog is er een ware explosie van dichters die zich toeleggen op kinderverhalen, kinderliedjes en – versjes, onder wie Han G. Hoekstra (1906 – 1988), Annie M.G. Schmidt (1911 – 1985) en de schepper van Nijntje, Dick Bruna (1927 – 2017).

Andreus is niet altijd gelukkig in de liefde en wel in een dusdanige mate dat hij zich moet laten behandelen door een psychiater. Ook gaat hij zich door de opkomst van de prenatale psychologie allerlei waanideeën in het hoofd halen, zoals de stellige bewering dat hij al tijdens de zwagerschap van zijn moeder met haar zou hebben gecommuniceerd. Uiteindelijk schrijft hij deze neurotische emoties van zich af in zijn roman Denise (1962). Eerder is hij dan al kort getrouwd geweest maar dat huwelijk is op de klippen gelopen. Het geluk zou hem later toelachen, als hij in 1962 opnieuw in het huwelijk treedt; een huwelijk dat tot aan zijn dood in 1977 stand houdt.

Bespreking van het gedicht
In V1 schetst de dichter een tegenstelling die in het uiterlijk van de gevangene is af te lezen: ‘onbewogen maar wantrouwig’. Het contrastieve voegwoord ‘maar’ is hier minder op zijn plaats. Dat had moeten zijn een concessief; een beperkend of toegevend voegwoord, zoals “ofschoon” of “hoewel”. De onbewogenheid van zijn uiterlijk wordt namelijk beperkt door een wantrouwig element daarin, namelijk het feit dat hij in handen is gevallen van hem vijandig gezinde krijgers.

Andreus kiest als vrije dichter in V2 voor een nogal archaïsche formulering, namelijk een achtergestelde genitiefvorm, een zogeheten genitivus possessivus: ‘in handen gevallen der krijgers’. Dat lijkt een opzettelijke boutade te zijn die gericht is tegen de, op de klassieke poëtica, gebaseerde poëzie van eerdere, literaire bewegingen. Dat geldt wellicht ook voor het dichterlijke ‘nauw’ in V8.

Zijn wapentuig is ‘de gevangene’ inmiddels afgenomen en zijn paard is gedood. Wat kan hij dan nog klaarspelen in die aarddonkere nachten van onherbergzaam gebied en ongekende verte? Zijn ‘onbewogenheid’ krijgt in V5 een extra dimensie, namelijk die van ‘onverschilligheid‘, waarmee hij zijn karige maal tot zich neemt. Hij weet immers dat de inferieure hap hem slechts gegund wordt door ‘de hoop op een losprijs’.
En langzaamaan dooft in hem tijdens de koude, eenzame nachten het vuur van verlangen; nachten waarin hij de slaap niet kan vatten en waarin hij zijn hersenen pijnigt hoe aan deze ontberingen te ontsnappen. Wellicht ‘een snelle beet in de pols [of] een verborgen koord’?
Maar diep in zijn versteende hart ‘danst zijn bloed nog met duizend listige duivels’, want verborgen achter een onbewogen grimas bespiedt en registreert hij het doen en laten van zijn bewakers en loert hij slinks op ontsnappingsmogelijkheden. En hij weet: sparen moet hij zijn krachten; het slechte voedsel tot zich nemen en rusten, vooral rusten en wachten op dat ene moment van onachtzaamheid: ‘een onnadenkendheid [of] een zwakheid van de wachters’.

Dan volgt vanaf V14 de apotheose van het gedicht. De fysieke kluistering van de gevangene – een kluistering die gemakkelijk te transformeren is naar onze moderne samenleving, waarin soortgelijke vormen van fysieke en mentale vrijheidsberoving, zoals een onveilige thuissituatie, een beklemmend milieu of gevaarlijke sekte – laat zien dat in de mens, in zijn meest wanhopige uren in gevangenschap de hoop op ontsnapping niet snel smoort.
Andreus zal daarbij niet letterlijk gedacht hebben aan de Bijbelse metafoor dat het voor een kameel toch mogelijk is om in extreem moeilijke situaties door het oog van de naald te kruipen. Hoe klein de kans ook is, hij komt ooit en als hij komt zal de gevangene hem grijpen.
Die hoop en die wilskracht doen in de gevangene een ongekende passie ontwaken naar het land waarnaar hij wil terugkeren. Want ginds, achter het rotsgebergte, wachten hem in droom de malse beemden en gouden korenaren van weleer.

Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com
Nieuwsgierig naar de volgende KP? Noteer zaterdag 25 april 2026, KP59 met daarin een gedicht van Willem de Mérode: geestelijke armoede is het ervaren van innerlijke leegheid, van een gemis aan spirituele zingeving trots materieel welzijn, aanzien, macht of rijkdom.

Over de auteur

- belicht in de serie Kamerpoëzie maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.