Gepubliceerd op: vrijdag 6 maart 2026

Eendje vond een boterham

 

Wat krijg je als je Kippetje Tok mengt met Ki-Ka-Kuiken en fijnsnijdt en stampt in een vijzel en je gooit ze in de pan (als je koken kan) en je bakt ze aan en je gooit er rijmbouillon bij en je brengt ze aan de kook en je laat ze sudderen en suddderen en sudddderen – jaren als het moet – om er tenslotte een ingedikt, rijk en overheerlijk stapelgedicht van te maken?

Misschien wel dit Gouden Boekje in de dop. Hoewel, het einde is wat navrant: ze gaan allemaal dood. En dat is natuurlijk verboden in kindergedichten. Het moet altijd goed aflopen, hoe onwaarschijnlijk en met de haren bijgesleept het ook mag zijn. Wacht, daar ga ik wat op verzinnen. Maar eerst het gedicht zoals het er nu ligt, met unhappy end – waar ik zometeen een happy end aan ga breien.

Eendje vond een boterham

Daar holt eendje kwaak-kwaak-kwaak,
eendje met een boterham.

Mjam-mjam, een boterham!
en daar holt kippetje tok-tok-tok
achter eendje kwaak-kwaak-kwaak,
eendje met een boterham.

Mjam-mjam, een boterham!
en daar holt kalkoentje klok-klok-klok
Achter kippetje tok-tok-tok,
Achter eendje kwaak-kwaak-kwaak,
eendje met een boterham.

Mjam-mjam, een boterham!
en daar holt schaapje bè-bè-bè
Achter kalkoentje klok-klok-klok,
Achter kippetje tok-tok-tok,
Achter eendje kwaak-kwaak-kwaak,
eendje met een boterham.

Mjam-mjam, een boterham!
en daar holt geitje mè-mè-mè
achter schaapje bè-bè-bè,
achter kalkoentje klok-klok-klok,
achter kippetje tok-tok-tok,
achter eendje kwaak-kwaak-kwaak,
eendje met een boterham.

Mjam-mjam, een boterham!
en daar holt koetje boe-boe-boe
achter geitje mè-mè-mè,
achter schaapje bè-bè-bè,
achter kalkoentje klok-klok-klok,
achter kippetje tok-tok-tok,
achter eendje kwaak-kwaak-kwaak,
eendje met een boterham.

Mjam-mjam, een boterham!
en daar holt paardje ie-go-go
achter koetje boe-boe-boe,
achter geitje mè-mè-mè,
achter schaapje bè-bè-bè,
achter kalkoentje klok-klok-klok,
achter kippetje tok-tok-tok,
achter eendje kwaak-kwaak-kwaak,
eendje met een boterham.

En daar sprong eendje kwaak-kwaak-kwaak,
eendje met een boterham,
in de sloot en zwim-zwom-zwam.

en daar ging kippetje tok-tok-tok,
en daar ging kalkoentje klok-klok-klok,
en daar ging schaapje bè-bè-bè,
en daar ging geitje mè-mè-mè,
en daar ging koetje boe-boe-boe,
en daar ging paardje ie-go-go,
allemaal in de sloot,
maar allemaal konden ze niet zwemmen
en allemaal gingen ze toen dood.

Ik vind het einde heel geslaagd, maar je moet je niet voorstellen wat er gebeurt als je dit aan de kleintjes voorleest. Huilen. Janken. Brullen. Blèren. Nachtmerries. Nooit meer voorgelezen willen worden. Leesplezier voor altijd vergald. Buitenspelen, het slechte pad op, stelen, drugs, kleine criminaliteit, grote criminaliteit, georganiseerde misdaad, gevangenis, einde verhaal. Dat wil je niet op je geweten hebben.

Oké dan. Dan plak ik er nog een paar regels aan vast. De kinderziel is niet zozeer teer als wel behept met een groot gevoel voor rechtvaardigheid, voor recht en onrecht. Als ze zeggen dat ze iets zielig vinden, vinden de kleintjes het meestal gewoon alleen maar buitengewoon niet eerlijk en onrechtvaardig. Want ze geloven het! Dat moeten wij niet vergeten. En we moeten tegelijkertijd beseffen dat ze gelijk hebben: dat doe je niet met de mensen en dieren over wie je vertelt, ze dood laten gaan.

Oké, ik denk dat ik het heb.

Maar toen waren ze niet meer dood
en ze klommen uit de sloot,
en daar gingen ze ervandoor
en begon het weer van voor.

Ik denk dat ik Maar toen waren ze niet meer dood beter en leuker en kinderlijker vind dan iets als Maar ze waren toch niet dood, want daarmee laat je alleen maar weten dat je hebt zitten liegen en veinzen en doen alsof en het jonge volkje om de tuin hebt lopen leiden, gefopt hebt, en dat vergeven ze je niet. Daarom laat ik de hele sleep dieren maar gewoon weer leven, met andere woorden niet meer dood zijn. Dat pikken ze wel, want dat is nu eenmaal zo. Eind goed al goed!

Over de auteur

Robbert-Jan Henkes