Gepubliceerd op: zondag 1 maart 2026

De jaloerse teckel Milord

 

Mijn grootvader van De Panne hield niet van zijn zussen. Hij vond ze schril, dom, wrokkig, vulgair, kras en inhalig. Dat waren ze ook. Het minst hield hij van zijn zus Albertine. Hij kon het niet verdragen dat ze zich ontfermde over een imbeciele klusjesman. De klusjesman sliep in het huis van Albertine, in haar bed. Misschien pervers, maar niet onze zaken. Mijn grootvader vond seks fantastisch, maar hij vond niet dat imbeciele klusjesmannen er recht op hadden. Zijn bekrompenheid schokte me, ik had hem lang op een voetstuk geplaatst. Blijkbaar was hij even enggeestig en schijnheilig als de andere rigide katholieke pezewevers van De Panne.

Ik maakte pas kennis met zijn zus Albertine toen ik zeven was. We konden het meteen enorm goed met elkaar vinden. Ze was drankzuchtig en gokverslaafd, daarin leek ze op haar broer (mijn grootvader). Ze vloekte sappig en ze was impulsief, ook daarin verschilde ze niet van haar broer (mijn grootvader). Maar ze was niet katholiek. Albertine was ongelovig. Ik nam het atheïsme van Albertine een tijdje over, maar zonder God scheen het leven me hol en grotesk.

Albertine had een heleboel asieldieren: katten, konijnen, honden, karpers en ara’s. Enkel de honden leefden binnenshuis. Vijf teckels, een chowchow, een stugge hardhorende autonome mastiff en een Portugese waterhond. De oudste teckel heette Milord, naar het liedje van Edith Piaf. Milord was een gladde chocoladebruine teckel met een rotkarakter. Hij aanbad Albertine. Hij stelde het niet op prijs dat ze zoveel aandacht gaf aan mij. Ik gooide roet in het eten. Onder de grote kloeke rechthoekige tafel in de woonkamer van Albertine beet Milord in mijn tenen wanneer ik samen met zijn wonderlijke baasje scones at.

Scones! Want ja: Albertine flirtte met alles wat Engels, fey en whimsical was. Er ging een nieuwe wereld voor me open. Iedereen die ik kende was ofwel gallofiel ofwel anti-Frans. Engeland lag op niemands lippen. Albertine dompelde me onder in de Engelse taal en belevingswereld: Alice in Wonderland, Shelley, Coleridge, Sherlock Holmes, Philip Larkin en nursery rhymes. ‘Three little kittens, they lost their mittens…’ Zolang er dieren voorkwamen in de rijmpjes was ik blij. ‘Three blind mice, three blind mice/ See how they run, see how they run…’ Maar dat liedje was niet zo onschuldig. Het was luguber, het was metaforisch, het was wreed. De ‘three blind mice’ waren de protestanten Ridley, Latimer en Cranmer die op de brandstapel terechtkwamen omdat ze hun geloof weigerden op te geven. Het was de katholieke Queen Mary I die hun executie had geëist.

Op een dag gingen Albertine en ik op uitstap naar Cassel, Milord moest natuurlijk mee. Albertine reed met de wagen, het was stoer. Een ongehuwde atheïstische gokverslaafde libertijnse drankzuchtige feministische zeventigjarige vrouw die copuleerde met haar klusjesman en zomaar op uitstap ging zonder toestemming te moeten vragen aan een manspersoon, dat was meer dan stoer. Het was heroïsch en roekeloos. Albertine werd een heks genoemd. In Sint Idesbald waar ze woonde was men haar liever kwijt dan rijk. Soms werden de banden van haar auto lek gestoken, gelukkig niet op de dag dat we naar Cassel gingen. Cassel klonk sprookjesachtig, het klonk als het Engelse woord voor kasteel: Castle. Ik moest achteraan zitten. Milord zat fier op de passagierszetel, hij droeg een groenfluwelen strikje. Hij keek af en toe hooghartig en met leedvermaak naar mij, de bleke lompe haarloze sukkel op de achterbank.

Albertine ging speciaal naar Cassel om een geleend schilderij te kunnen bezichtigen van Hendrick Goltzius: Diana ontdekt de zwangerschap van Callisto. Callisto was verkracht door Zeus, maar zijn vrouw Hera had zich niet kwaadgemaakt op hem. Ze had wraak genomen op Callisto, ze had Callisto veranderd in een berin. De man ontsprong de dans! Ik vroeg aan Albertine: ‘Identificeer je jezelf met Callisto?’
‘Nee, natuurlijk niet. Ik hou gewoon van taferelen die zich afspelen aan het water. Of in het water. Baders, baadsters. Seurat op kop. Loom. Zelfs Edvard Munch heeft enkele strandtaferelen geschilderd die idyllisch ogen. Maar ik hou ook van ambigue sensuele voyeuristische intiem geschilderde badkamerrituelen, ik hou van Pierre Bonnard en van Alfred Stevens.’ Ik kende de naakte vrouw in de badkuip van Pierre Bonnard, maar van Alfred Stevens had ik nog nooit gehoord. Albertine zei: ‘Maar de mooiste baadsters zijn toch wel die van Berthe Morisot. Schromelijk onderschat, Morisot, omdat ze een vrouw was.’
‘En Hockney?’ vroeg ik.’
‘Hockney was geen vrouw.’
‘Dat weet ik ook wel. Hou je van de zwembaden van Hockney?’
‘Nee.’
‘Ik ook niet,’ zei ik.
Albertine zei: ‘Je mag van Hockney houden hoor, mij maakt het niet uit.’
‘Maar ik walg van hem!!’ zei ik ongeduldig en kwaad.
‘Dat is overdreven,’ zei Albertine geamuseerd.
Ze nieste en nam een verkeerde afslag.

Sinds mijn oudere neef Christiaan me had verkracht in de badkamer van mijn grootouders had ik een hekel gekregen aan die badkamer, gelukkig mocht ik vaak een bad nemen in de luxueuze badkamer van Albertine. Nu was het helaas al een hele tijd geleden dat ik me had gewassen, ik stonk een beetje. Misschien was Milord daarom behoedzamer dan anders, minder agressief tegenover mij. Hij dacht wellicht dat ik veranderd was in een vervaarlijk onberekenbaar beest. Albertine stopte aan een pompstation, er hoorde een winkel bij het pompstation. Albertine betrad de winkel en flirtte schaamteloos met het piepjonge meisje aan de kassa. Het meisje leek op Sandrine Bonnaire in Sans toit ni loi. Ik zei tegen Milord: ‘We hebben afgedaan, het moest er eens van komen.’ Milord keek bedenkelijk en liet een fijn piepend windje. Hij liet veel minder winden dan Fredo de clowneske boxerhond van mijn grootouders. Zijn strik zat los, zag ik plots. Ik zei: ‘Milord, je strik… het is geen zicht. Je strik is losgeraakt, je ziet er verfomfaaid uit.’ Milord gromde waarschuwend. Hij had een heel register: slechtgeluimd gegrom, klagerig gegrom, gegrom waarmee hij wilde aangeven dat er een splinter in één van zijn pootkussens zat, existentieel gegrom, hitsig gegrom, gegrom wanneer Albertine te weinig lamsvlees op zijn bord had gelegd, gegrom wanneer een patrijs hem te vlug af was, dreinend ondraaglijk gegrom wanneer hij darmspasmen had, tiranniek gegrom wanneer hij een boswandeling eiste, woedend stampvoetend gegrom wanneer hij te weinig aandacht kreeg van de libertijnse Bretoense hoedenmaakster die vaak bij Albertine op bezoek kwam en waarschijnlijk verliefd was op Albertine, tegenspartelend gegrom wanneer hij tabletten tegen wormen moest inzwelgen. Maar het waarschuwende gegrom was het duidelijkst. Als je niet luisterde werd je gebeten.

Albertine keerde terug, ze had in de winkel melkbroodjes en een fles jenever gekocht. De melkbroodjes waren voor ons drieën, maar de fles jenever was uitsluitend voor Albertine. Kinderen en dieren hoorden zogezegd niet te drinken. Albertine was een stevigere drinker dan haar broer (mijn grootvader). Of nee: ze dronken allebei evenveel, maar Albertine werd niet choleriek en irrationeel. Albertine vroeg aan mij: ‘Hoe oud ben je nu eigenlijk precies?’
‘Weet je dat niet?’
‘Anders zou ik het toch niet vragen?!’
‘Ik word in januari acht.’
‘Je bent dus zeven.’
Ik zuchtte. Milord geeuwde.

Albertine reed verder, ze zette een cassette op: afgrijselijke sombere kamermuziek van Henry Purcell. We staken de douane over, het Noorden van Frankrijk was omineus en desolaat. Bijna iedereen was er lui, incestueus, gokverslaafd, krankzinnig, opportunistisch en immoreel. Cassel lag op een berg, het bestond uit een marktplein en niet veel meer. Het museum dat Albertine wilde bezoeken bevond zich op de markt. Ik moest buiten wachten met Milord. Ik was bang, ik was bang dat ik ontvoerd zou worden door Noord-Frans uitschot. Een ogenschijnlijk keurig koppel sprak me aan, Belgische toeristen net als ik. Toch waren ze niet te vertrouwen. Ze vroegen: ‘Wil je met ons mee? We hebben een prachtige villa in de buurt van Deinze, je kan er spelen met de andere kinderen. We hebben een drumstel voor jou, maar ook pluchen meervallen en hobbelpaarden. Je hondje is ook welkom.’
‘Mijn hondje??’ riep ik en ik spuwde in het gezicht van het koppel. ‘Mijn hondje??’ herhaalde ik. ‘Dat is de teckel Milord en hij is niet van mij, hij is de hond van mijn fantastische bazige baldadige onorthodoxe groottante Albertine. Ze is gokverslaafd, alcoholistisch, lesbisch en moordzuchtig. Ze zal jullie vermorzelen!!!’
Het koppel zei bitter teleurgesteld: ‘We dachten dat je een lief kind was, maar je bent vergif.’
‘Jullie zijn vergif! Hoepel op!’
Het koppel droop af en Milord likte voor het eerst mijn hand. Ik zei tegen hem: ‘That’s right, Milord. Ik kan best stoer zijn als het moet.’ Milord kefte bevestigend.

Albertine keerde terug, ik vertelde haar niets over de mislukte/ verijdelde ontvoeringspoging van het sinistere koppel uit Deinze. Albertine zei tegen mij: ‘Nu is het aan jou om het museum te bezoeken.’ Ik betrad het museum, ik zag het koppel in de kantine van het museum. De vrouw huilde en de man streelde gekweld een stinkdiersleutelhanger. Er stond een karaf rode wijn op hun tafeltje, maar geen glazen. De man zag mij, hij wenkte mij. Ik liep panisch het museum uit.
Albertine vroeg: ‘Ben je nu al terug?’
‘Blijkbaar.’
We aten een croque monsieur op een terras, ik gaf de helft van mijn croque monsieur aan Milord. Eigenlijk was het een croque Hawaii, Milord stikte bijna in een stukje ananas. Albertine dronk drie glazen bruin bier, en een shot gin. Daarna reden we terug naar Sint Idesbald.

Albertine zei: ‘Het was een geslaagde dag.’ Milord viel in slaap naast mij, op de achterbank. Ik bestudeerde zijn oortjes, je kon het fijne adernetwerk zien. Ik hoopte dat ik als verdorven volwassene later de tijd zou blijven nemen om de oortjes van slapende honden te bestuderen. Natuurlijk zou ik de tijd nemen! Nemen en blijven nemen. Verder hoopte ik dat ik een verdorven volwassene zou worden die niet in Deinze woonde en die kinderen zoveel mogelijk links liet liggen. Een verdorven volwassene met een bonte tevreden troep/ zwerm/ roedel asieldieren.
Maar eerst moest ik acht zien te worden, gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Over de auteur

Delphine Lecompte