Gepubliceerd op: zondag 29 maart 2026

Andy de boerse onverschillige kat die ik kreeg van de achterlijke bakkersknecht

 

Op mijn 24ste was ik er eindelijk klaar voor: zorgen voor een dier waarvan ik niets terugkreeg. Geen kunstjes, geen tederheid, geen gezelligheid, geen nuttigheid, geen tijdverdrijf, zelfs geen esthetiek. Het dier was een onaangename jonge kat, en zwartwit gevlekte.

Van katten werd nooit gezegd dat ze boers waren, maar het exemplaar dat ik in 2002 ontving kon nog het best met het adjectief boers worden omschreven. Ik kreeg hem van de sullige achterlijke bakkersknecht Nico die me stalkte sinds hij me had leren kennen in het gekkenhuis van Knokke in 1999 en die me overlaadde met geschenken. Ik nam de geschenken achteloos en korzelig aan: de pluchen kermisbeertjes, de oranje rolkraagtrui uit Birmingham, de roze iPod, de gsm van Nokia, de cd’s van The Charlatans, parfum van Dior en Givenchy, paarse beha’s, rode strings, peperkoeken harten, misselijkmakende pralines, delicate fluwijnen, baarzen die een dansje deden en zongen ‘Don’t worry be happy’ als je batterijen in hun buik stak, en tot slot de boerse kat.

De kat was afkomstig van een afatische truffelraapster die noodgedwongen naar een rusthuis moest. De kat heette Panda, maar ik maakte er Andy van. Op een chatgroep was ik aan de praat geraakt met een Schotse jongen: Wee Andy. Het internet stond nog in zijn kinderschoenen, ik praatte schaamteloos en extatisch. Opgelucht dat ik mijn lelijke kop nooit zou moeten prijsgeven. In mijn verbeelding leek Andy op de jonge Tim Burgess, maar dromeriger en spichtiger. We spraken voornamelijk over indie muziek. Andy aanbad Idlewild en ik dweepte met de Manic Street Preachers.

Toen Andy de kat in mijn leven verscheen werkte ik in de zuivelafdeling van een sinistere supermarkt te Sint-Kruis. Maar ik had een week congé genomen om een hechtingsproces tussen ons in gang te steken. Het hechtingsproces nam geen vliegende start: Andy kroop weg in de berg vuile was die achter mijn televisietoestel stond. Ik woonde in een piepkleine zolderkamer in Koolkerke en ik was erg eenzaam. De enige man die vriendelijk en niet uit de hoogte tegen me deed was de uitbater van viswinkel De Verrukkelijke Sloep. Ik ging er elke dag om een fles witte wijn.

De sullige achterlijke bakkersknecht likte mijn vagina en liet me daarna alleen met Andy. Andy verliet de berg vuile was, maar hij gunde me nog steeds geen blik waardig. Hij was rusteloos, onverschillig, stug en ongemanierd. Na dertig minuten in zijn gezelschap stak hij me reeds tegen, ik verliet de zolderkamer en nam een douche beneden op de koer.
Het gebouw was ooit een jeugdherberg geweest en elke week moest ik fietsen naar de huisbaas (die gelukkig niet ver woonde) en jetons kopen om te kunnen douchen op de koer. Drie jetons waren net te weinig, maar vier vond ik verspilling. Ik was arm op mijn 24ste, ik werkte slechts deeltijds en op mijn moeder kon ik niet meer rekenen: zij had haar handen vol met mijn halfzusjes Zoë en Anna Livia. Mijn haar was vettig en ik had schrik om het te verliezen.

Op mijn veertiende werd ik getroffen door alopecia: ik was kaal geworden, maar op mijn achttiende was mijn haar teruggekeerd. Het was niet volledig teruggekeerd, ik moest mijn slierterige fletse lokken zo arrangeren dat ze de kalende zijkanten maskeerden. En verder begon mijn haarlijn vooraan niet meer waar hij voorheen was begonnen: mijn voorhoofd was sinds mijn achttiende veel te hoog. Volgens mijn moeder leek ik op een middeleeuwse heilige, maar ik kende de gedrochten van de middeleeuwen en ik kende tevens de Engelse uitdrukking ‘to have a face only a mother could love’.

Ik kroop in het douchehok en trok mijn kleren uit. Mijn shampoo heette Ushuaia, de zuidelijkste stad ter wereld. Mijn schaamhaar en okselhaar waren ook uitgevallen op mijn veertiende maar nooit teruggekeerd, daar was ik niet rouwig om. De eerste jeton gebruikte ik om mijn oksels en genitaliën te schrobben. De tweede jeton was bestemd voor de deerniswekkende strengen op mijn kop. En met de derde jeton spoelde ik het chemische schuim van mijn lijf. Opgefrist keerde ik terug naar mijn zolderkamer, Andy lag te slapen op mijn hoofdkussen. Ik smolt kortstondig.

Ik mocht niet smelten, ik had schrik dat ik door de mand zou vallen en Andy zou verliezen: dat de dierenpolitie zou binnenvallen en meteen zou zien dat ik totaal ongeschikt was om te zorgen voor hem. Zoals die noodlottige vrouw in Ladybird, Ladybird wier vier bloedjes van kinderen haar brutaal werden afgepakt.

Ik zette de televisie aan en keek naar een documentaire over het bloedbad van München tijdens de Olympische Zomerspelen van 1972. De meeste slachtoffers waren Israëlische gewichtheffers en Israëlische worstelaars. Ik kreeg honger en ging naar de keuken. De keuken bevond zich een verdieping lager. Ik deelde de keuken met een grimmige schimmige drankzuchtige ex-duivenmelker die zelden zijn kamer verliet, en met drie wrede blijmoedige ravissante optimistische studentes orthopedagogiek. Het leeftijdsverschil tussen mij en de studentes was klein doch onoverbrugbaar. Ik was gebroken, mijn nare ervaringen met een sadistische nachtverpleger in het gekkenhuis hadden me argwanend en bitter gemaakt. Ik voelde meer verwantschap met de verslagen ex-duivenmelker dan met de studentes. Mijn leven was voorbij, ik zou tot mijn zestigste in de sinistere supermarkt werken en mijn enige bronnen van vertier zouden alcohol, masturbatie en televisie zijn. Ik zou alleszins nooit reizen naar Ushuaia, ik zou nooit een kookwekker bezitten, ik zou nooit uitgenodigd worden door sprankelende tomeloze geestige onorthodoxe vriendinnen voor een sauna- en champagneweekend in de Ardennen, en ik zou nooit lust kunnen opwekken bij een normale aardige rechtvaardige idealistische grootmoedige hitsige atletische man van mijn leeftijd.

Ik had een boontje voor atletische mannen, voor polsstokspringers in het bijzonder. De documentaire liep af en het was nog maar 15u36. Ik gaf een kuipje Sheba (fricassee met kalkoen en broccoli) aan Andy en ik trakteerde mezelf op een fles advocaat. Ik nam mijn laptop en ging naar mijn geliefde chatgroep, maar Andy was niet online. Wel online waren: Katie Coathanger, Rosh67, Barley-Breathing, Concerned Pineapple, Autistic Penguin en Fanamana. Ze waren verwikkeld in een discussie over Animal Nitrate van Suede, was het liedje beter dan Trash? Of was het slechter? Ik verkoos Trash, maar ik kon niet uitleggen waarom. Dus volgde ik de discussie als een voyeur.

Barley-Breathing nam me apart in een privéchat. Hij heette Jamie en hij woonde in Lincolnshire. Hij werd opgevoed door een alleenstaande moeder met een benzodiazepineverslaving maar een goed hart. Jamie was cynisch, maar niet over zijn moeder. Zijn moeder zat in een leesclub en die week waren ze Bonfire of the Vanities aan het lezen. Ik had de film gezien, en ervan gehouden. Concerned Pineapple nam me ook apart, hij wilde weten of ik iets had gehoord van Wee Andy. Wee Andy was reeds 73 uren en 19 minuten offline. ‘Maybe he got bored with us?’ opperde ik gespeeld nonchalant. Ik hoopte vurig dat dat niet het geval was. Wee Andy was de enige in mijn leven die ik in vertrouwen nam, ik had hem verteld over het gekkenhuis, over mijn eetstoornis, over mijn automutilatie en zelfs over mijn beschamende alopecia. Wee Andy was zachtmoedig, zorgzaam en integer. De man van mijn leven. Eigenlijk nog een jongen, volgende maand zou hij twintig worden. Hij werkte in een reptielenwinkel in Dundee. ‘Crocodile Dundee,’ grapte ik eens maar toen bleek dat de reptielenwinkel echt zo heette!

Ik besefte ook wel dat het erg waarschijnlijk was dat Wee Andy niets meer was dan een schunnige gefrustreerde giftige perverse 59-jarige ontslagen kraanmachinist die kickte op contact met ontredderde minderjarige nimfjes. Want ook ik had uiteraard gelogen: ik was zogezegd zestien en ik leek als twee druppels water op Sophie Marceau. Jamie was de enige die een profielfoto gebruikte, hij had een lodderoog zoals Thom Yorke. Hij zat in een rolstoel en hij keek verwaand in de camera. De internetverbinding liet het plots afweten. Ik zuchtte en probeerde Andy te strelen, maar hij beet mij met zijn vlijmscherpe tandjes. De fles advocaat was bijna leeg, het was moeilijk om een fles advocaat leeg te krijgen want de consistentie was zoals die van dikke pudding. Ik zette de fles op zijn kop en wachtte tot de brij naar de flessenhals zou kruipen. Ik ving de brij op in een kom van Peanuts, Charlie Brown stond erop.

Mijn eerste leesboek was er één van Peanuts geweest, het ging over een spellingwedstrijd. Charlie Brown blonk uit in het spellen van de moeilijkste woorden, hij won spellingswedstrijd na spellingswedstrijd. Snoopy was trots op zijn baasje. Toen brak de dag aan waarop Charlie Brown mocht deelnemen aan de belangrijkste spellingswedstrijd van Amerika. Eerst ging het uitstekend, hij raasde als een trein over alle andere kandidaten heen. Op het eind bleven er nog maar twee kinderen over en Charlie Brown was er één van. Hij moest nog maar één woord correct spellen en dan zou hij de ultieme spellingskampioen worden. Het woord was BEAGLE. Snoopy glunderde reeds triomfantelijk, het woord ‘beagle’ zou een makkie zijn voor Charlie Brown want dat was het hondenras waartoe Snoopy behoorde. Maar…

Het ondenkbare gebeurde: Charlie Brown slaagde er niet in om het woord ‘beagle’ correct te spellen. Tranen heb ik geplengd toen ik de diepe ontgoocheling van Snoopy zag. Charlie Brown en Snoopy keerden met de bus terug naar huis. Ze zwegen, Snoopy was gekwetst en Charlie Brown voelde zich schuldig. Terecht.
In het boek was ook een rol weggelegd voor een mondharp. Maar of die werd bespeeld door Charlie Brown of door Snoopy, dat kon ik me niet meer herinneren.

Toen kwam mijn moeder hoogst uitzonderlijk op bezoek. Ze had clementines, karnemelk, paperclips, sandwiches, pindakaas en salami zonder look voor me meegebracht. ‘Waarom paperclips?’ vroeg ik beduusd.
‘Een vergissing,’ zei ze geërgerd, ze nam het doosje terug en liet het in haar grote Italiaanse handtas vallen. Mijn moeder keek misprijzend naar Andy en zei: ‘Jij kan niet voor een hond… ik bedoel een kat zorgen. Je bent amper in staat om voor jezelf te zorgen, Fientje.’ Andy sprong op mijn moeders schoot en spinde luidruchtig. Ik zei mat: ‘Hij mag je.’ Het verwonderde me niet. Katten, schoorsteenvegers, koorddansers, buiksprekers, lamaverzorgers, stukadoors, Proustvertalers, kiwisorteerders, tegelleggers, morbide leeuwentemmers, sibillijnse messenslijpers en Roemeense gynaecologen waren altijd verzot op mijn moeder. En ik? Ik was de vurigste aanbidder van allemaal.

Dat was toch alleszins de bedoeling. Ik zei tegen mijn moeder: ‘Doe je jas uit.’
‘Nee, ik kan niet lang blijven. Anna Livia krijgt straks haar eerste zwemles.’
Mijn moeder streelde Andy, hij sloot zijn ogen en viel in slaap.
‘Waarom drink je advocaat?’ vroeg mijn moeder.
‘Het scheen me feestelijk.’
‘Heb je contact met de andere mensen die hier wonen?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘De studentes gunnen me geen blik waardig, maar dat is nog niet alles: vorige week heeft er eentje mijn laatste potje chocomousse verdonkeremaand!’
‘En de duivenmelker?’
‘Ex-duivenmelker. Hij zondert zich af.’
‘Schiet je op met je collega’s?’
‘Nee, ze zijn racistisch, materialistisch en vulgair. De mannen zijn allemaal vendelzwaaiers en voetbalhooligans. En de vrouwen ook.’
‘Fientje, dat geloof ik niet,’ zei mijn moeder verstrooid en ongeïnteresseerd.
Andy schoot wakker, hij likte de handrug van mijn moeder. De gelukzak.

Ik besloot om mee te gaan naar het zwembad. Anna Livia was het felste, ernstigste kind. Verbeten zwom ze baantjes in het diepe. Nooit eerder had men in zwembad Guilini zo’n dapper, sierlijk en behendig kind gezien. Het was haast bovennatuurlijk. Na afloop dronk ik samen met mijn moeder en Anna Livia Fristi in de troosteloze zwembadkantine. Mijn moeder zei tegen Anna Livia: ‘Fientje heeft een kat.’ Anna Livia fronste, ze was niet onder de indruk. Ze was vijf maar reeds wereldwijs en blasé. Een week later werd ze zes, ik gaf haar Andy geschenk. That’ll teach them, the both of them, dacht ik kleingeestig. Maar Andy took a shine to Anna Livia, en Anna Livia ontpopte zich tot een verantwoordelijk zorgzaam schrander kattenbaasje.

Op een dag nam Anna Livia Andy mee naar het zwembad. Ze wilde hem de vlinderslag aanleren. Andy verdronk en ik besefte dat Anna Livia helemaal niet zo wereldwijs en blasé was als ik dacht.

Over de auteur

Delphine Lecompte