Leeuwen op de Vrijdagmarkt
Om mijn school in de Onderstraat te bereiken moest ik de Vrijdagmarkt oversteken.
Op een dag stond er een circustent op de Vrijdagmarkt. Ik was tien en vertrouwd met het tumultueuze fenomeen circus. De circussen van mijn kindertijd zetten zwaar in op de clowns, de koorddansers en de acrobaten. De weinige dieren die gebruikt werden waren koddig, vertrouwd, voorspelbaar en ongevaarlijk: paarden, lama’s, poedels en papegaaien. Maar op de Vrijdagmarkt stonden twee kooien met leeuwen erin. Drie leeuwinnen en een mannetjesleeuw. Het mannetje had een kooi voor zich alleen, zijn staart hing buiten de kooi te zwiepen. Niemand stak het in zijn hoofd om aan die staart te trekken, maar iedereen wilde zijn hand door de tralies steken en de leeuw aanraken.
Het was een oude leeuw met littekens, maar zijn manen waren nog steeds weelderig en majesteitelijk. Hij vermeed de gulzige vorsende blikken van de mensen. Hij keek misprijzend naar het beeld van Jacob van Artevelde. De leeuwentemmer opende een luik en wierp een homp rood vlees in de kooi. Het vlees verdween in een indrukwekkend tempo. Na de maaltijd maakte de leeuw zijn voorste poten schoon met zijn tong. Het was een ritueel waar hij zijn tijd voor nam, hij ging erg grondig te werk.
Plots werd ik bij de kraag gevat door meester Luc. Hij droeg een gebreide regenboogtrui, hij had nochtans een hevige aversie tegen homoseksualiteit. Hij had eveneens een hevige aversie tegen Turken en tegen mij. Hij schudde me door elkaar en dreigde me te voederen aan de mannetjesleeuw. Ik zei: ‘Hij heeft net gegeten, hij zou me met geen haar krenken.’ Ik klonk stoer, maar ik was helemaal niet zeker van mijn stuk.
Meester Luc sleepte me naar de verloederde basisschool in de Onderstraat. Pedagogische methode: verbale vernederingen en scheldtirades, soms kracht bijgezet met een liniaal of winkelhaak. We kregen les over niemand minder dan Julius Caesar. Meester Luc vereenzelvigde zichzelf met Julius Caesar. Ik kon me niet concentreren, ik dacht aan mijn vader die genoemd was naar de heilige Hiëronymus die een speciale plek had veroverd in het hart van een leeuw toen hij bij de leeuw in kwestie een doorn had verwijderd uit diens poot.
Ik hield van mijn vader, maar hij was een raadsel: ik slaagde er zelden in om hem aan het lachen te brengen. In de klas was ik de gangmaker, vooral de Turkse kindjes vonden me grappig. Mijn humor was niet verbaal, o nee. Ik moest het hebben van mijn poetsen en mijn grimassen. Mijn moeder had een hekel aan mijn gekke bekken, ze zei dat ik mezelf tekortdeed wanneer ik me gedroeg als een hansworst. Nee, ze gebruikte het woord ‘paljas’. Mijn vader noemde me nooit een paljas.
Meester Luc vroeg aan mij: ‘Wie heeft Julius Caesar vermoord?’
‘Een meute samenzweerders, zelfs Brutus nam deel aan de laffe aanslag!’
Meester Luc vroeg aan Resul: ‘Op welke dag vond de moord plaats?’
Resul was aan het knikkebollen, zijn vader baatte een Turkse pizzeria uit en Resul hielp vaak tot middernacht mee in de keuken. Ik ging er af en toe heen met mijn vader. Mijn vader werd soms verkeerdelijk aanzien voor een Turkse gastarbeider, het flatteerde hem. Ik zat naast Resul, ik fluisterde in zijn oor: ‘Op 15 maart, de Idus van maart.’
Resul zei slaperig: ‘De fiscus van maart.’
Meester Luc plofte geërgerd neer op zijn stoel, maar hij sprong vrijwel meteen weer op. Ik had namelijk een punaise op zijn stoel gelegd, het was 1 april. Dan mocht het toch? Meester Luc was woedend, hij beschuldigde Ahmed die naast guitige Lori zat. Ahmed was drie jaar ouder dan wij: veertien, bijna volwassen. Ahmed was een kleptomaan, net als ik. Maar hij was geen poetsenbakker. Hij was te ernstig voor poetsen. Te zorgelijk.
Ik stond op en bekende schuld. Meester Luc zei: ‘Jij mag een beetje afkoelen op de speelplaats.’ Het was 11u, op de speelplaats dacht ik aan de Romeinen die christenen voor de leeuwen hadden gegooid. Letterlijk. Ook samenzweerders, slaven en Britten hadden eraan geloofd. De klusjesman Martin betrad de speelplaats met een emmer vol zand en peuken. Hij zag mij en zei: ‘Hoepel op!’ Dat deed ik dan maar, ik liep het schoolgebouw uit.
Ik keerde terug naar de mannetjesleeuw op de Vrijdagmarkt. Zijn kooi was leeg, maar er lag een grote pluk haar op de vloer van de kooi. Ik kon er niet aan, de spijlen van de kooi waren te nauw. Ik gebruikte mijn meetlat om de pluk naar mij te trekken. Het lukte. Ik borg de pluk op in mijn pennenzak van Guust Flater.
In de circustent klonk gebrul, ik trok het zware zeil opzij en zag de leeuwentemmer in actie: hij gebruikte een dikke obscene zweep om de mannetjesleeuw in het gareel te houden. Zo kon ik het ook! Zo was er geen kunst aan! De leeuw zat op een gammele groene pedestal, hij brulde telkens de zweep zijn wenkbrauw raakte. Eerst klonk hij kwaad, daarna gelaten. Nee, nog veel erger: hij klonk moedeloos, uitgeblust. Net op het moment dat ik de circustent wilde betreden om een eind te maken aan de mishandeling van de leeuw werd mijn arm venijnig naar achteren getrokken door een messenwerper. Hij zei: ‘Je speelt met je leven als je de tent betreedt, die leeuw is onhandelbaar. De enige die hem meester kan is Dennis.’ Het was een rare ongeschikte naam voor een leeuwentemmer: Dennis.
Ik zei verontwaardigd: ‘Dennis gebruikt een zweep, dat mag niet!’
‘Elke leeuwentemmer gebruikt een zweep, waar moei je je eigenlijk mee?!’
De messenwerper had geen naam, hij nam me mee naar zijn caravan. Ik kreeg een kop donkere thee, er stond een verliefd mollenpaar op de kop. De verliefdheid werd uitgebeeld aan de hand van een wolk rode hartjes die boven het koppel zweefde. De messenwerper zei: ‘Die kop komt uit Praag.’
‘Heb je daar opgetreden?’
‘Ja, vaak.’
De assistente van de messenwerper betrad de caravan, ze droeg een zilveren turnpakje met pailletten. Ze was struis en niet erg bevallig. De messenwerper zei: ‘Dat is mijn assistente, haar artiestennaam is Roxie The Mute. In het echt heet ze gewoon Linda. Linda is doofstom.’ Linda negeerde mij, ze rookte een fijn sigaartje en dronk een glas sherry. De caravan stond vol kitscherige beeldjes van pimpelmezen, damherten, walrussen en herderinnetjes. Maar het mooist was toch wel de oehoe volledig gemaakt van schelpen. Ik hield van kitsch, maar mijn moeder was er fel tegen gekant.
Ik zei tegen de messenwerper: ‘Ik hou van kitsch, maar mijn moeder is er fel tegen gekant.’
‘Wat is kitsch?’ zei hij melancholisch. Was het een retorische vraag? Ik zweeg en dronk mijn kop thee leeg. De messenwerper siste: ‘Hoe durf je mijn kleinoden kitsch te noemen, ondankbaar wicht!!’ Ik greep de oehoe van schelpen gemaakt en rende de caravan uit. Niemand kwam me achterna.
De mannetjesleeuw zat weer in zijn kooi. Hij had een open wonde boven zijn linkeroog. Ik deed mijn fluwelen gilet uit en depte de wonde, hij liet het toe. Hij liet het toe omdat ik de dochter van de heilige Hiëronymus was. Ik liet de oehoe uit mijn handen vallen, de leeuw schrok en haalde uit. Ik sprong net op tijd achteruit, hij verslond mijn gilet. Het was begrijpelijk.
Ik keerde terug naar mijn zinloze school in de Onderstraat. Het was middagpauze, ik vertelde aan guitige Lori en aan Jerry de garagistenzoon wat ik had meegemaakt. Ze geloofden me niet. Noch het stuk over de messenwerper noch het stuk over de leeuw. ’s Middags gaf meester Luc les over de Merovingische periode, zonder hartstocht. Er kwam ook nog een cipier op bezoek die ons warm probeerde te maken voor de juiste kant van de gevangenis. Ik vertrouwde hem niet. We grinnikten telkens hij het woord ‘penitentiair’ liet vallen.
Het was donderdag en dus stond mijn vader aan de schoolpoort op het eind van de dag. Ik vertelde hem niets over het circus op de Vrijdagmarkt, maar hij begon er zelf over. Hij nam me mee naar de kooi met de mannetjesleeuw, zijn wonde was geheeld. Ik zei tegen mijn vader: ‘Ik heb een band met deze leeuw.’ Mijn vader luisterde niet, hij was aan het staren naar het zilveren turnpakje van Roxie The Mute. Ik zei tegen mijn vader: ‘Dat is de assistente van de messenwerper, ze is doofstom.’ Mijn vader vroeg: ‘Kan je me aan haar voorstellen?’
Ik stelde mijn vader voor aan Roxie The Mute, ze lachte guitig naar mijn vader. Ze stond op blote voeten naast de caravan die ze deelde met de messenwerper. Haar teennagels waren onverzorgd, iets wat mijn vader prikkelend vond. Mijn vader zei in gebarentaal dat hij haar graag eens wilde trakteren op een moussaka of op een aardbeimilkshake. Roxie The Mute stemde toe. Onder de leeuwenkooi lag het gebroken oehoebeeldje, ik raapte het op. Het was rommel. Er was al zoveel rommel in mijn leven.
Toen kreeg ik de diabolische leeuwentemmer Dennis in de gaten, hij stond naast Jacob van Artevelde. Hij klakte zijn zweep landerig tegen het zware voetstuk. Ik keilde de gebroken oehoe naar zijn hoofd, hij liet zijn zweep vallen. Ik griste de zweep van de grond en geselde hem tot hij om genade smeekte. Hij bloedde overvloedig, maar hij zou zijn leven niet beteren. Integendeel. Hij zou almaar wreder worden. Zo ging het nu eenmaal.
Ik nam afscheid van de mannetjesleeuw. Hij gromde schor en amechtig, hij herkende mij. Mijn vader vroeg: ‘Waar is je gilet?’
‘In de maag van de leeuw.’
Ik kreeg een klap, mijn vader dacht namelijk dat ik loog. Hij had een hekel aan leugenaars, zelfs op 1 april.

