KP57: Hans van Straten
Kleine elegie
De seinpaal bij de overweg
herinnert zich nog hoe zij lachte
als jongens haar naar huis toe brachten
of als ze fietste langs de dijk.
En zij die langs de slootkant gaan
zien daar hoe aan de oeverkanten
tussen los kroos en waterplanten
haar spiegelbeeld is blijven staan.
Maar ’t lichte van de avondwind
dat ’s zomers door haar haar kwam suizen
vindt nu nog slechts de lage huizen,
het wagenwiel, de koffietent.
Waar zij eens met de terriër liep
staan nu de olmen meer gebogen,
woekeren gras en onkruid hoger
en waaien stukken pakpapier.
De dichter 1923 – 2003

Foto door Estella van Straten
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International License
Hoe het ook zij: Van Straten legt met zijn vroege gedichten in het algemeen en met zijn ‘Kleine elegie’ in het bijzonder een blauwdruk af van zijn latere, literaire werk, dat sterk gedomineerd wordt door persoonlijke ervaringen, kleine incidenten, belevenissen, waarnemingen, fictie en dromerij. Daarvan getuigen onder meer zijn boeken ‘De omgevallen boekenkast’ (1987) en ‘Weer wankelt de boekenkast’ (2000), èn zijn prozagedichten die vooral anekdotisch en lyrisch van aard zijn.
Van Straten wordt aanvankelijk beschouwd als een adept van Slauerhoff en later van de naoorlogse, experimentele dichters. Dat laatste louter vanwege zijn afwijkende dichtvormen en niet vanwege de inhoud en zijn wereldbeeld. Eerder zou zijn werk gerelateerd kunnen worden aan dat van H.H. Ter Balkt. Een gemeenschappelijkheid die zou kunnen worden aangeduid als impressioneel, in de betekenis van een gekluisterd zijn aan een immanente somberheid die herfst heet.
In ieder geval is hij geen strikte navolger van Slauerhoff die de Hollandse herfst juist ontvluchtte voor zonnigere oorden en eenmaal aan de evenaar onder de brandende zon smartelijk terugverlangde naar het land van ‘mest en mist en vuilen, kouden regen’ (De Genestet). Van Straten daarentegen wilde alleen maar in de Hollandse herfst zijn.
Hans van Straten is – zoals veel dichters in de najaren van het interbellum en daarna – journalist bij de dan nog vele regio- en zuilgerichte dagbladen zoals Het Vrije Volk, een van oorsprong socialistische krant die zich eind jaren ’60 losmaakt uit de boeien van de PvdA, èn het Utrechts Nieuwsblad, als voorzetting van het toenmalige roomse, middagdagblad Het Centrum.
Interessant is dat Van Straten zich ervan bewust is dat in letterij, schrijverij en bellettrie het plagiaat een met regelmaat voorkomende schrijverszonde is, waarvan hij in 1993 uitgebreid akte doet in zijn boek ‘Opmars der plagiatoren’. Hierin beschrijft hij na grondige studie gevallen van plagiaat in de Nederlandse en Vlaamse literatuur. Een voorbode van het plagiaat dat enkele decennia later in het exponentieel groeiende en toegankelijker geworden hoger onderwijs gevomeerd zou worden in scripties en papers.
In literair Nederland onderscheidt Van Straten zich begin jaren ’30 als redactiesecretaris van Forum, het tijdschrift van Du Perron en Ter Braak, dat pleit voor het nadrukkelijk manifesteren van de persoonlijkheid van de dichter als de schepper van het gedicht. De dichter staat niet buiten zijn creatie maar staat er midden in. Niet de vorm maar de vent is het uitgangspunt van Forum in zowel proza als poëzie. Du Perron en Ter Braak beschouwen gedichten niet als autonome creaties.
Ook manifesteert Van Straten zich als biograaf van diverse schrijvers, onder wie W.F. Hermans, Hugo Raes en Multatuli. Over Hermans schrijft hij soms nare maar wel – naar hij zelf ooit zei – ware passages. De biograaf krijgt dan veel drek over zich heen. Dat is het risico van biografen als zij zich niet primair als bewonderaar manifesteren, zoals Maria Vlaar recent is overgekomen na het verschijnen van haar biografie over Joost Zwagerman.
Overigens was Van Straten als dichter geen ijdeltuit. Hij ging tijdens de 2e W.O. dichten uit verveling, want wat moest hij anders doen! Maar, zoals hij zelf daarover zei, zonder groot succes. Hoe het ook zij, het voorliggend gedicht is te beschouwen als een juweeltje.
De vorm van het gedicht
Het 4-kwatrijnen gedicht kenmerkt zich door omarmend rijm. Opvallend daarbij is dat die omarming al in V1 en V4 eenmalig wordt onderbroken: ‘weg’ versus ‘dijk’. Dat opmerkelijke verschil springt in het oog en dient vermoedelijk een ander doel. Attendeert de dichter de lezer daarbij op de twee plekken, waar het meisje altijd even in schittering flaneerde? Bij ‘de overweg’ en langs ‘de dijk’? Zij lijken te fungeren als opmaat naar de derde, fatale plek: naar het donkere wak in het lentegroene ‘kroos’.
Een andere, in het oog springende, meer ambachtelijke vaardigheid van de dichter is dat de omarmende rijmen, met uitzondering in V1 en V4, mannelijk zijn en dat de gepaarde rijmen, steeds de 2e en 3e versregel van elk kwatrijn, vrouwelijk zijn. Ook in het hanteren van een strak metrum, hier de jambische tetrameter, is de dichter strikt en niet bepaald experimenteel, een etiket dat Van Straten soms te nadrukkelijk opgeplakt zou worden, zie ook verderop.
De dichter creëert in zijn strak gehanteerde metriek soms antimetrieën, zoals in V9 ‘maar’, een nevenschikkend voegwoord dat een tegenstelling aankondigt tussen de zomerbries vóór en ná het dramatische voorval. Ook in de voorlaatste versregel valt het accent op de eerste lettergreep van ‘woekeren’, een werkwoord dat de leegte en teloorgang benadrukt die na haar verdrinking zo kil domineren op en rondom de plek des onheils.
Dan valt op het gebruik van diverse personificaties. Want hoe schrijnend is het, dat behalve de impliciete ik-persoon, iedereen het meisje lijkt te zijn vergeten; dat alleen nog maar de levenloze relicten uit die tijd zich haar herinneren, zoals ‘de seinpaal’ in V1 en ‘de avondwind’ in V9 die zo graag ‘door haar haar’ streek maar haar nu tevergeefs zoekt. Zelfs de ‘olmen’ in V14 lijken te treuren en buigen voor de drenkeling hun fiere kruin. Wat resteert is een ‘wagenwiel’, een troosteloze ‘koffietent’ en – wat verderop – de povere, zwijgende ‘huizen’.
De inhoud van het gedicht
‘Kleine elegie’ is een treurdicht, een lied van stille smart, dat rept van een fris-sprankelend meisje dat zich met lichte tred zo sierlijk voortbeweegt op haar lentepad, op weg naar haar eerste zomerschreden. Maar zij is er niet meer en niemand lijkt nog van haar te weten. Het gedicht is daarom ook een klacht, een ingehouden woede over een niet te begrijpen fenomeen dat geeft en neemt, zoals in dit melancholieke lied van de dichter.
Slechts ‘de seinpaal bij de overweg’ herinnert zich nog haar olijk-blije, heldere meisjeslach, waarmee zij – vermoedelijk nog ongewild – jongens als in betovering naar zich toe trekt en alleen de ‘seinpaal’ weet nog hoe zij soms koos voor de weg beneden ‘langs de slootkant’ en hoe zij ‘langs de dijk fietste’.
Ook jongens kiezen soms die weg onderaan de dijk, vermoedelijk een poldersloot of een ooit bevaren wetering, waar aan beide oeverkanten ‘kroos en waterplanten’ zijn losgeraakt. Daar zien zij – voor even stom en stil (Guido Gezelle) – het donkere wak dat met harde klap is open geslagen in het met helgroen bedekte watervlak.
En in de contouren van die nu spiegelgladde, diepzwarte bijt is het alsof haar evenbeeld is ‘blijven staan’. De beeltenis van een meisje dat kind mocht zijn maar geen vrouw mocht worden, lijkt door de blinde Thanatos wreed te zijn achtergelaten op het bladstille slootwater. Want de wind is daar voorgoed stilgevallen nu ook Zephyros niet meer als lichte bries ‘door haar haar’ kan strijken.
En waar zij ooit onder rijke bladerkronen wandelde met een kleine jachthond, staan zelfs de olmen licht gebogen; treurend te midden van opslag van onkruid als zuring en netel. Alleen wat verderop speelt de wind er nog met wat onverschillig achtergelaten straatvuil.
Kortom, een kleine elegie dat doet denken aan een soortgelijk gedicht van de onlangs in KP besproken dichter Ed. Hoornik (KP55-2025), een genre-, beroeps- en tijdgenoot van Hans van Straten en van wiens gedicht ‘Requiem’ enkele versregels luiden:
Te Middelharnis is een kind verdronken.
Sober berichtje in het avondblad:
’t stond bij een hooiberg die had vlam gevat
en bij een zolderschuit, die was gezonken.
Stijl en inhoud van beide gedichten zijn karakteristiek voor die tijd: journalistiek, anekdotisch, beschrijvend en toch poëtisch. Daarnaast neutraal, objectief, actueel en toch sterk-invoelend en vol mededogen.
Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com
Nieuwsgierig naar de volgende KP? Noteer zaterdag 28 maart 2026, KP58 met daarin een gedicht van Hans Andreus: Diep in zijn versteende hart ‘danst zijn bloed nog met duizend listige duivels’
