Gepubliceerd op: vrijdag 27 februari 2026

Iemand klopte

 

Maar het liefste schrijf ik kinderliedjes, of in elk geval dingen om te kunnen zingen op willekeurig welke melodie, op één voorwaarde en dat is dat ze gans ongaar onnozel zijn. Waarom houd ik toch zo van onnozelheid? Van domheid en snotneuzen? Van onschuld en naïviteit? Waarschijnlijk omdat dat het is wat mensen het eerst en onherstelbaarst en jammerlijkst kwijtraken als ze groot worden: onnozelheid is kinderlijkheid en kinderlijkheid is goddelijkheid.

Dit liedje lijkt op andere liedjes die ik geschreven heb, bijvoorbeeld het liedje over een liedje willen zingen maar niet weten waar het over moet gaan, hier. Maar wat het verhaal betreft, het mini-epos dat erin verpakt zit, een Homerus waardig, dat heb ik – of heb ik niet, ik weet het niet meer, misschien heb ik het wel geheel en onafhankelijk en van mezelf bedacht, zulke dingen gebeuren en kunnen de besten overkomen – mogelijk van een gedichtje van Charms, dit, uit Hé, waar zijn mijn kindjes, de door M10 uitgegeven prachtbundel met een onbekend aantal onbekende Charms-gedichten, zie hier , en dat ik zo vertaalde:

Specht tikt,
Uil geeuwt,
De deur zwaait woedend open.
Uil schrikt,
Eekhoorn schreeuwt,
En specht – is weggekropen.

Iemand klopt, maar je weet niet wie. In de illustratie die bij het Charms-gedichtje is gemaakt wordt duidelijk dat het de specht is die had geklopt, maar bij mij blijft alles in het duister gehuld. Op die manier is het wel een beetje een horror-movie voor de allerkleinsten, besef ik nu.

Enfin, een onnozel liedje is het wel, met maar één pretentie en dat is pretentieloosheid.

Iemand klopte

Iemand klopte
Iemand klopte
Klopte zachtjes op het hout
Van mijn deurtje
Van mijn deurtje
In het grote zwarte woud

Ik ging kijken
Ik ging kijken
Wie daar klopte o zo zacht
Bij het vallen
Bij het vallen
Bij het vallen van de nacht

Ik deed open
Ik deed open
En ik zei kom er maar in
Maar zag niemand
Maar zag niemand
Niemand anders dan een spin

Stil aan ’t weven
Stil aan ’t weven
Van zijn web tussen het gras
Ik denk niet dat
Ik denk niet dat
Ik denk niet dat die het was

Er er kroop een
En er kroop een
Slakje langzaam door het riet
Maar die was het
Maar die was het
Denk ik ook zeer zeker niet

En nu weet ik
En nu weet ik
Niet wie bij me heeft geklopt
Of heeft hij zich
Of heeft hij zich
Daarna soms weer snel verstopt?

Over de auteur

Robbert-Jan Henkes