Gepubliceerd op: zondag 8 februari 2026

Delphine Lecompte – Hoe ik leerde houden van haaien en van David

 

In het tweede middelbaar had ik nog steeds dezelfde aanbidder: David. Hij was nog altijd hindeachtig onbevangen, donzig, argeloos, naïef, geestdriftig en kinderlijk. Hij werkte op mijn zenuwen, maar er waren weinig mensen die in 1992 niet op mijn zenuwen werkten. Ik was veranderd: ik was grimmig en slonzig geworden. Ik had borsten gekregen, maar toch had mijn leven geen positieve wending genomen. Het enige wat veranderde is dat ik nare krenkende opmerkingen kregen over mijn lelijke tepelhoven van de vijftig jaar oudere Noord-Franse taxichauffeurs, Bulgaarse laminaatverkopers, naargeestige scheepsherstellers en psychotische betonvlechters die in mijn schaamlippen knepen.

Ik hield nog steeds niet van dolfijnen, maar ook niet van haaien. Waarom eigenlijk niet?

Ik zat nog steeds in de richting Latijn-Grieks, ik worstelde. Ik worstelde vooral met het Grieks. Onze nieuwe leraar Grieks was sluw, scherp en schrander. Je kon hem geen rad voor de ogen draaien. Hij heette Rouquart, maar ik noemde hem Requin: het Franse woord voor haai. Freya had klierkoorts en Bregje was een paria geworden nadat ze op een dag een oubollige gebreide trui met pailletten had gedragen. En Anton? Anton was door de mand gevallen toen ik hem op de rooster had gelegd over The Doors. Ik aanbad The Doors. Ik vroeg aan Anton, om hem te testen: ‘Wie is de drummer van The Doors? Antwoord meteen!’ Anton zei nors en stamelend: ‘Ik denk, euh, is het, kuch, John Bonham?’
‘Natuurlijk niet! Het is John Densmore!’ Na die ontgoochelende uitwisseling verloor Anton zijn luister.

In de lessen Latijn zaten we met wel dertig wrede nonchalante overwegend briljante puberkinderen. Maar in de lessen Grieks waren we slechts met vijf, een klein select zielig nukkig bevreemdend gebrekkig clubje: David, Anton, Dimitra, Tamsin en ik. Dimitra en Tamsin waren misschien nog het meest normaal, het meest conventioneel. Dimitra was een ravissant oliedom half-Cypriotisch vroom onderdanig kleurloos kruiperig lieftallig devoot zorgzaam wezentje dat altijd zwarte kleren droeg. Maar niet als statement: niet omdat ze een melancholische romantische fatalistische goth was, wel omdat de zwarte preutse kleren de kleren waren die haar strenge onberispelijke bitsige fanatieke moeder elke avond op haar stoel klaarlegde. Tamsin was blasé, oninteressant, ouwelijk.

Op mijn veertiende verjaardag was David de enige van de klas die een geschenk voor me had: een poster van haaien. Hij overhandigde me de poster in het klaslokaal van meneer Rouquart. David zei met piepende stem: ‘De posters van dolfijnen waren helaas uitverkocht.’
Ik zei: ‘Gelukkig maar!’
Ik bestudeerde de haaien: een voshaai, een franjehaai, een hamerhaai, een tijgerhaai en een grote witte haai. Tamsin droeg die dag een T-shirt van de Pixies, het was nochtans hartje winter. Er stond een aapje met een aureool op het T-shirt. Ik hield van de Pixies, ik vond het dan ook verschrikkelijk dat de verwaande pedante hooghartige antipathieke Tamsin een T-shirt van de Pixies droeg.Ik nam de poster aan en zei aanstellerig en gemaakt tegen David: ‘You shouldn’t have!’ David zei ernstig: ‘Als er iemand een geschenk verdient, dan wel jij.’ Anton keek bedenkelijk. Dimitra zei: ‘Meneer Rouquart is te laat, we moeten dit melden aan het secretariaat.’ Tamsin, Anton, David en ik schreeuwden in koor: ‘Nee! We wachten, Dimitra! Wees niet zo plichtsbewust en angstvallig, droefgeestig bedremmeld delicaat bedwelmend schepseltje!’

David was venijniger geworden dan vroeger. Zijn thuissituatie was veranderd: de Knokse kledingboetiek van zijn moeder was failliet en er werd gefluisterd dat zijn moeder overdag in bed lag met flessen Baileys en melige cd’s van Rick Astley en Santana en soms moest David haar troosten. Ze droeg nooit een pyjama in bed, dus nam het troosten een onvermijdelijke pijnlijke sinistere incestueuze wending waartegen David zich helaas niet kon verzetten. David vroeg aan mij: ‘Welke haai spreekt het meest tot je verbeelding?’
‘Op de poster?’
‘Ja, op de poster.’
‘De voshaai dan maar.’
‘Goede keuze.’
De voshaai had een formidabele staart, de staart was langer dan zijn lijf en hij kon er furieus mee striemen en klapperen om zichzelf te verdedigen. Maar hij ving ook makrelen en haringen met zijn staart, dan omsingelde hij een school vissen en zwiepend hield hij ze in het gareel. De voshaai had een klein mondje en een gekwetste verontwaardigde oogopslag, zoals je die kon gewaarworden bij John McEnroe net voor hij ontstak in een begrijpelijke emotionele hartverwarmende komische buitenproportionele kinderlijke zinloze woede-uitbarsting.
De voshaai leek ook een beetje op Mozart zoals hij werd neergezet door Tom Hulce in Amadeus van Milos Forman: frivool, wuft, flamboyant, innemend, onnozel, impulsief, ontwapenend, buitenissig.

Meneer Rouquart betrad ontredderd en verfomfaaid het klaslokaal. Tamsin prevelde: ‘Hij is zichzelf niet.’ Meneer Rouquart zei: ‘Ik ben te laat omdat ik werd lastiggevallen door nozems in het station.’ We grinnikten. Niet uit leedvermaak, maar vanwege het gebruik van het woord ‘nozems’. Het woord was in onbruik geraakt, Anton kende het zelfs niet. Ik kende het woord dankzij mijn vader die met Cornelis Vreeswijk dweepte en vaak zijn muziek oplegde. Cornelis Vreeswijk had een liedje dat heette De nozem en de Non. Het liedje beschreef de onorthodoxe liefdesaffaire tussen een hufter en een kwezel, oftewel: een nozem en een non. De non ging in tegen haar aangeboren preutse instincten en aangeleerde puriteinse hypocrisie, in het voorjaar werd ze smoorverliefd op een nozem. ‘En honderdduizend kussen kreeg de nozem van de non.’ De nozem beantwoordde de liefde van de non: ‘De nozem was verloren toen hij in haar ogen zag.’ De non vergat te bidden en zichzelf te kastijden, de nozem vergat gebouwen te beschadigen en drugs te nemen. Maar uiteraard gooide een bemoeizieke geschandaliseerde broze kleinburgerlijke trut roet in het eten: ‘juffrouw Jansen die belde naar de krant.’ Ik was een nozem in zekere zin, en David was toch echt een soort non of pater.

Dus ja: meneer Rouquart herpakte zich en gaf een uiteenzetting over Persephone. Hij toonde ons een foto van het beroemde beeld van Bernini: een naakte kronkelende worstelende Persephone probeerde te ontkomen aan de ploerterige ruige bebaarde sadistische potige genadeloze Hades. David fluisterde in mijn oor: ‘Haaides.’ Ik zei snibbig: ‘Laat de woordspelingen maar aan mij over.’ David zuchtte theatraal. De penis van Hades was niet te zien, maar zijn geprononceerde schaambeenderen lieten weinig aan de verbeelding over. Hij droeg een kroon, dat was vreemd. David zei tegen mij: ‘De Poolse kuisvrouw van mijn moeder lijkt als twee druppels water op Persephone.’
‘Is ze aardig?’
‘Aardig?’
‘Vriendelijk?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Dat moet je aan haar vragen. Ze neemt te lange pauzes en ze eet altijd mijn dinosauruskoeken op.’

Meneer Rouquart bulderde: ‘Delphine en David!! Onruststokers! Wat is er zo interessant? Interessanter dan Persephone? Deel het met ons! En wel nu meteen!’ David keek naar mij, ik moest de boel weer redden. Ik zei poëtisch en raadselachtig, maar ook een tikkeltje zweverig: ‘Alles is interessant: de voshaai, de horsmakreel, Brian Eno, Pluto, de dauw, Hades, het treinverkeer in Malta, Mixteken, Coloradokevers, mijn moeder, Proust, Fassbinder, snooker, vioolspinnen, het kubisme, Rory Gallagher, gerstepap, syfilis, vampirisme, Las Vegas, graancirkels, enzovoort…’ Meneer Rouquart vond mijn betoog niet bevredigend, razend stormde hij op me af. Zijn blik viel op mijn verjaardagsgeschenk, mijn enige verjaardagsgeschenk. Hij verscheurde de poster. David kermde als een aangereden pinscherhondje, maar het kermen werd luider en uiteindelijk veranderde het in een geluid dat nog het best omschreven kon worden als een kruising tussen een koortsige onbeheersbare Algerijnse tapijtenverkoper en een everzwijnmoeder die haar jongen in gevaar ziet komen door lompe wandelaars die naderen met hun kletterende kampeeralaam. Hij vloog op meneer Rouquart af en beet hem in de hals. Meneer Rouquart bloedde op de verscheurde poster, maar ook op de pennenzak van Tamsin en op de keurige zwarte plooirok van Dimitra. Anton was de enige die het hoofd koel hield, hij nam zijn rolletje plakband en maakte de haaienposter weer heel. Echt lief van hem.

Meneer Rouquart stierf niet, Tamsin stelpte het bloeden. Ze zei tegen meneer Rouquart: ‘Het is geen slagaderbloeding, je hebt geluk.’ Ik beaamde: ‘Je hebt geluk, meneer Requin. Ja: zo noem ik jou. Nu weet je dat ook.’
‘Requin?’ vroeg David. Ik zei ongeduldig: ‘Ja, David, requin! Het Franse woord voor haai. Wat weet je ontzettend weinig…’ David zei nukkig: ‘Ik weet net erg veel. Ik heb gewoon geen talenknobbel, maar op het vlak van paleontologie kan ik de gemiddelde twintigjarige naar de kroon steken. Zelfs twintigjarigen die de studierichting paleontologie hebben gekozen…’ Niemand luisterde naar David. Ik zei: ‘Door alle commotie dreigen jullie te vergeten dat ik jarig ben, boerse onmenselijke hardvochtige cynische rotzakken!’ Niemand luisterde naar mij. Ik gooide de bebloede pennenzak van Tamsin uit het raam, The Pink Panther stond erop. Ik hield van The Pink Panther, van het deuntje. Niet van het dier, ik begreep zijn psychologische drijfveren niet. Dimitra zei huilerig: ‘Dit is een heftige intense mislukte dag. Ik kan dit niet aan. Het spijt me.’ Anton zag zijn kans schoon en streelde opportunistisch en geil haar fijne koddige porseleinachtige oorschelpjes. Dimitra liet het toe. Passief, kwijlend, gelukzalig.

Ik rolde de herstelde haaienposter op, stak hem onder mijn arm en ging ervandoor. David liep me achterna. Ik negeerde hem. Ik nam de bus naar het Citadelpark, het was niet ver maar ik was te lui om te stappen. Naast het museum waar een prachtig schilderij hing van Gustave De Smet zeeg ik neer. Ik hield van de norse hoekige droefgeestige schepselen van Gustave De Smet. Het schilderij waar ik het meest van hield was Het Goede Huis. Mijn moeder lachte me nog altijd uit omdat ik als kind niet doorhad dat Het Goede Huis een bordeel was. Mijn moeder lachte me graag en vaak uit, ik gaf haar dan ook veel redenen om me uit te lachen en met de grond gelijk te maken.

Ik rolde de haaienposter open, deze keer werd ik getroffen door de loensende argwanende ziedende blik van de hamerhaai: de zure gierige schriele kruidenier Yvan had zo naar mij gekeken nadat hij me had betrapt op de diefstal van een pak stroopwafels. De houdbaarheidsdatum was nochtans verstreken, eigenlijk bewees ik hem dus een dienst want had de voedselinspectie het pak in de gat gekregen dan had hij zijn winkel moeten sluiten. Ik had hem gered van een nakend faillissement!

David zei flemerig: ‘Delphine, ik hoop dat je beseft dat je mooier bent dan een haai. En meer voor me betekent.’
Ik zei: ‘Ik besef het, David. Het besef drukt me niet terneer.’
De zon ging onder en ik ging begrijpen dat ik hield van haaien. Maar nog meer dan van haaien hield ik van David.
Een week later werd hij doodgereden door een vrachtwagen die kerststalbeeldjes vervoerde, zo stond het in de krant.

Over de auteur

Delphine Lecompte