Delphine Lecompte – Naar de Inuit
Op een dag nam ik met mijn moeder de bus naar Duinkerke om een tentoonstelling over de Inuit te bezoeken. Mijn moeder noemde de Inuit meestal Eskimo’s. Ik ook. In de bus zei mijn moeder: ‘Vanaf nu zeggen we Inuit tegen Eskimo’s.’
‘Inuiten?’
‘Nee, Inuit is al een meervoud.’
‘Het klinkt niet als een meervoud.’
Mijn moeder gaf toe dat het niet als een meervoud klonk.
We stonden lang stil aan de douanepost. Mijn moeder zei: ‘Ooit zullen er geen grenzen zijn.’
‘Geen grenzen!! Maar dat is verschrikkelijk! Dan komen alle huiveringwekkende sadistische lachgasjunkies uit Calais onze rijke kribbige geriatrische windzeiltycoons en krakkemikkige weerloze dementerende pretparkmogols folteren en beroven!’
‘Je mag geen angsthaas zijn, Fientje. Bovendien klinkt dat als muziek in mijn oren: oligarchen moeten zo vaak mogelijk gemarteld worden.’
Ik vroeg: ‘Wat zijn oligarchen?’
‘Mensen met te veel poen en te veel porseleinen poema’s.’
‘Wat is poen?’
‘Geld.’
‘Haat je mensen met geld?’
‘Evidemment,’ zei mijn moeder pretentieus.
Ik vond het helemaal niet zo evident, haar vader (mijn grootvader) was toch ook een mens met geld? Mijn grootvader kocht de domste dingen met zijn geld: Glenfiddich, olieverfschilderijen van kermistaferelen, zakdoeken waarop zijn initialen (A.D.) stonden, erotische Japanse gravures, lelijke schreeuwerige Peruviaanse poncho’s die hij kocht omdat hij medelijden had met de braderieverkopers die zo weinig poncho’s wisten te slijten aan de schichtige argwanende kleinburgerlijke inwoners van De Panne, lingerie voor zijn minnares (een wulpse vulgaire hilarische onweerstaanbare garnalenpelster), een hoeve voor zijn minnares, een vaas voor zijn minnares, een mannetjespauw voor zijn minnares, een beo voor zijn minnares, een penseelaapje voor zijn minnares, een jachtgeweer voor zichzelf, en talloze pluchen kamelen voor mij.
De bus mocht Frankrijk binnen, het Noorden van Frankrijk was erg desolaat en mistroostig. Mijn favoriete desolate mistroostige Noord-Franse dorp heette Hondschote. Mijn grootvader had een tijdje geleden op de rommelmarkt een olieverfschilderij met als onderwerp De Slag bij Hondschote op de kop getimmerd, maar hij mocht het nergens ophangen van mijn grootmoeder. Hij had het dan maar weggegeven aan de bulderende meubelmagnaat, die had mijn grootvader niet uitvoerig genoeg bedankt en nu zinde mijn grootvader op wraak. Volwassenen in een notendop: genereus, maar meteen achteraf spijt als de generositeit niet het gewenste effect opleverde.
Mijn moeder zei: ‘Gisteren had ik tegelijkertijd een bloedneus en de hik, vreemd.’
Ik vroeg: ‘Wat begon er eerst?’
‘De hik, denk ik.’
Ik zei: ‘Ik ben geen dokter.’
Mijn moeder lachte luid alsof ik iets bijzonder gevats had gezegd. Ze lachte om indruk te maken op de buschauffeur, om hem te tonen wat een geestige speelse onorthodoxe interessante betrokken moeder ze wel niet was. Hij trapte er natuurlijk in, ze begonnen te flirten via blikken in de spiegel. De buschauffeur had een puist op zijn slaap, maar was verder heel mooi: zo mooi als de tragische naïeve analfabete matroos Billy Budd. Mijn moeder verliet haar zitplaats en ging naast de chauffeur staan, schoon dat eigenlijk verboden was. Ze trok plagerig en prikkelend aan de korte haartjes op zijn forse voorarm. De voorarm van de buschauffeur was getatoeëerd, dat had ik gezien toen we de bus betraden: tatoeages van kwallen, anemonen, vuurtorens, samoeraikrijgers, pierrots en zeemeerminnen.
Een pedofiele fazantenstroper kwam naast me zitten. Hij zei: ‘Een kleine hummel helemaal alleen in de bus, je beseft niet half hoe gevaarlijk het is. Ik zal je beschermen…’ Pedofiele boemannen beweerden altijd dat de andere mensen wolven waren en dat zij en enkel zij geen wolven waren en mij bescherming zouden bieden. Voor je het wist lag je naakte zesjarige lijfje op een veldbed en werd je gelikt door een vijftigjarige walmende ploert. Het likken was zalig en dat deed nog het meest pijn: de verwarring, de stomheid, de dwaze extase en de schuldgevoelens achteraf. Ik had me al zo vaak verbrand aan pedofiele monsters. Nu was ik acht en vroegtijdig bitter, achterdochtig, en afgestompt.
Ik negeerde de pedofiele fazantenstroper en keek uit het raam: ik zag een struise vrouw de was ophangen, ze gebruikte uitsluitend blauwe wasknijpers. Een bastaardhondje keek gefascineerd toe, hij leek de vrouw te aanbidden. Een beetje verder, eigenlijk veel verder want de bus reed snel, zag ik een loensende landloper die de ruit likte van een apotheek. Was hij gek? Of dacht hij dat er verpulverde angstremmers aan de ruit kleefden? De pedofiele fazantenstroper streelde mijn knie, hij deed maar… Ik zag een steltloper, de bus stond stil aan een verkeerslicht, dus kreeg ik de kans om de steltloper lang en uitgebreid te bestuderen: hij was pezig, gebruind, kaalgeschoren, piepjong. Hij droeg kleurrijke folkloristische kleren, Bretoens of Grieks. In mijn stripalbums van Kuifje maakten Jansen en Janssen zichzelf altijd belachelijk wanneer ze in het buitenland folkloristische outfits droegen die enkel nog in processies of in kleine gehuchten werden gedragen, of die in heemkundige museums hingen te beschimmelen. De steltloper zag me staren, hij knipoogde brutaal naar mij en hij tuitte suggestief zijn lippen. Het licht werd groen en de bus vertrok hortend, krakend, klaaglijk en puffend.
De pedofiele fazantenstroper vroeg: ‘Kind, waar ga je heen, zo alleen?’
‘Naar de Eskimo’s, ik bedoel: naar de Inuit.’
‘Die leven in Groenland, daar geraak je nooit. Je hebt een boot nodig, en geld.’
‘Ik heb geen boot en geen geld.’
‘Ik wel! Ik zal je naar Groenland begeleiden. Vertrouw je mij?’
‘Nee. Een beetje…’
Ik vertrouwde de pedofiele fazantenstroper voor geen haar, maar ik wilde zijn gevoelens sparen. Hij verdiende het niet om gekwetst te worden, hij zag eruit alsof hij al genoeg kwetsuren had opgelopen.
De pedofiele fazantenstroper zei: ‘We moeten ons haasten, anders missen we de boot. We stappen af aan de volgende halte.’
Ik zei gedwee: ‘Oké.’
Mijn moeder was nog steeds aan het flirten met de buschauffeur. Wanneer mijn moeder flirtte kneep ze haar ogen bijna volledig dicht, gespeeld deemoedig en argeloos. De vrije arm van de buschauffeur verdween onder het kleedje van mijn moeder.
‘Ik heb een tupilak op mijn nachtkastje staan. Weet je wat een tupilak is?’ vroeg de pedofiele fazantenstroper schor.
‘Nee. Wat is een tupilak?’
‘Een wraakbeeldje!’
‘Fantastisch! Kan ik ook een tupilak maken?’
‘Jij bent toch geen sjamaan?!’
‘Toch wel!’
‘Op wie wil je wraak nemen?’
‘Op mijn moeder.’
‘Dat is verschrikkelijk! Je zou je moeten schamen, het is dankzij je moeder dat je in deze bus zit en mij leert kennen…’
‘Mijn moeder is een hoer.’
‘Werkt ze in een bordeel?’
‘Natuurlijk niet! Ze staat daar!’
Ik wees naar mijn moeder, ze was aan het kronkelen en kirren.
De pedofiele fazantenstroper zei: ‘Je moeder bevalt me niet, ze draagt te weinig kleren. Ze is een sloerie. Terwijl ze die arme onschuldige buschauffeur aan het opvrijen is, dreigt haar kind te worden ontvoerd door een sadistische roofzuchtige bruut… Het is de taak van een moeder om haar kind te beschermen tegen sadistische roofzuchtige bruten.’
Ik zei naïef: ‘Jij bent me toch al aan het beschermen tegen potentiële sadistische roofzuchtige bruten?’
‘Dat klopt, mijn kind, mijn brave kind. Kom, we moeten hier afstappen. Vlug, haast je!’
Maar mijn moeder voelde instinctief dat ik in gevaar was, ze draaide zich om, slaakte een dierlijke gierende akelige snerpende kreet en reet het gezicht van de fazantenstroper open met haar sleutelbos. Mijn moeder had meer sleutels dan een cipier, meer sleutels dan een kastelein. Ze had sleutels van huizen die waren gesloopt nog voor ik was geboren, en ze had sleutels van commodes die allang in stukken waren gehakt. Maar mijn moeder had ook sleutels van huizen die nog bestonden en van buffetkasten die nog werden geboend en afgestoft. Mijn moeder bezat zelfs de sleutel van een fabelachtig herenhuis dat zich in Boekarest bevond! Eén van haar minnaars was een Roemeense gynaecoloog, vandaar. Ik riep: ‘Stop, mama, stop! Mijn vriend is een sjamaan, hij heeft een tupilak op zijn nachtkastje staan! Als je niet stopt dan ga je eraan!’
Mijn moeder bedaarde en vroeg: ‘Wat is een tupilak?’
‘Een wraakbeeldje. Je kunt het alleen vervaardigen als je een sjamaan bent. Jij bent geen sjamaan, mama.’
Mijn moeder zei lijzig: ‘Jij ook niet, Fientje.’
De pedofiele fazantenstroper greep me bij de kraag en zei half kwaad half amechtig: ‘Ik dacht dat je een jongetje was, je deed uitschijnen dat je een knaapje was… Met een wicht dat Fientje heet kan ik niets aanvangen, bah! Ik ben geen sjamaan, kind. Ik heb je nooit wijsgemaakt dat ik een sjamaan ben. Het is jammer dat je geen jongetje bent…’
‘Dat vind ik ook,’ zei ik somber.
Mijn moeder gaf me een oorveeg die ik echt niet had verdiend, ze zei: ‘Je hebt onze uitstap vergald! Ik heb geen zin meer in de tentoonstelling over de Eskimo’s…’
‘Inuit, Inuit, Inuit!’ riepen de pedofiele fazantenstroper, de vunzige buschauffeur en ik in koor.
De bloedende fazantenstroper bleef zitten in de bus. Ik ook. Mijn moeder zat als een aangestoken bom naast me. Ze vloekte binnensmonds, haar vuisten jeukten. Zelfs haar kuiten zagen er woedend uit. Ze vond een zwart-witfoto van Glenn Gould in haar handtas. Ze kuste zijn wang, ze zuchtte, ze snikte en ze kalmeerde uiteindelijk.
De tentoonstelling was prachtig, ik zocht en vond een tupilak.
En nog een tupilak.
En nog een tupilak.
En nog een tupilak.
En nog een, en nog een, en nog een.
‘Zo veel tupilakken!’ jubelde ik luidruchtig.
Een norse berentemmer corrigeerde mij: ‘Het meervoud van tupilak is tupilait.’
Ik zei achterdochtig: ‘Dat lijkt me sterk…’
De norse berentemmer glimlachte, hij beweerde dat zijn vader een Inuit was.
Hij vroeg: ‘Wil je zijn iglo zien, vreemd jongetje?’
‘Staan er tupilait in zijn iglo?’
‘Uiteraard!’
‘Dan ga ik met je mee!’
Maar mijn moeder hield me tegen.
Ik bleef weken, nee maanden, kwaad op haar. Op een dag stond de norse berentemmer in de krant: hij had zijn vader vermoord. Zijn vader was een bietenboer, niets meer en niets minder. Mijn moeder was natuurlijk in haar nopjes, ze wreef het krantenartikel meermaals in mijn gezicht. Mijn gezicht werd zwart. Ik zei nukkig en tegendraads: ‘Het is mogelijk om zowel bietenboer als Inuit te zijn. Een iglo gemaakt van bieten lijkt me magisch.’

