Gepubliceerd op: zondag 22 februari 2026

Delphine Lecompte – De papegaai van Cees Buddingh

 

Op dinsdag 15 juni 2010 mocht ik naar Rotterdam om de C. Buddingh’-prijs in ontvangst te nemen voor mijn poëziedebuut De dieren in mij. Ik ging met de trein, de oude kruisboogschutter vergezelde mij. Hij wilde alles filmen, het ergerde mij. Hij filmde hoe ik de trein betrad. Het was niet elegant, ik moest het opnieuw doen.

De trein zette zich in beweging, ik sloot me op in het dichtstbijzijnde toilethokje en maakte drie lange suisses soldaat. De boterkoeken waren nes. In Oostende maar ook in Brugge werd het woord ‘nes’ nog vaak gebruikt, vooral om de smeuïge textuur van gebak aan te duiden. In 2010 had ik een eetstoornis: ik hongerde mezelf een week uit, en op de achtste dag mocht ik dan zondigen. 15 juni was de achtste dag. Het vreten was reeds begonnen om middernacht: in mijn bed had ik een pot speculaaspasta van de Aldi, een tijgerrol en een zak wijngommen opgeschrokt. Daarna had ik woelig geslapen. Om 7u was ik opgestaan en had ik slagroom, ansjovis en tien Leo’s gegeten. Nu was het 11u40.

Na de drie lange suisses at ik nog een marsepeinen wortel en tweehonderd gram witte chocolade, ik kwijlde per ongeluk op mijn feestelijke blouse. Het was mijn enige feestelijke blouse, ik had hem speciaal gekocht voor de uitreiking van de C. Buddingh’-prijs. Ik was niets meer dan een zwijn met een strik.

In 2010 werkte ik deeltijds in een bejaardentehuis, mijn collega’s wisten niets van mijn aarzelende weifelende amechtige pasjes in de literaire wereld. Ik had een vrije dag, dat kwam goed uit. Op die manier moest ik niet bekennen dat ik een poëzieprijs had gewonnen, in West-Vlaanderen was men niet mals voor mensen die ‘stoeften’.

Eerlijk gezegd zag ik niet in wat er zo opmerkelijk was aan die prijs. Of beter gezegd: ik begreep niet waarom ze hem aan mij hadden gegeven, ik vond Hechtzwaluwen van de Friese dichter Elmar Kuiper zoveel beter dan De dieren in mij. Geen valse bescheidenheid. In een aantal kranten had men voordien geschreven dat wij de twee favorieten waren. Er waren vier genomineerden. Slechts Elmar en ik hadden ons best gedaan. Vooral Elmar. Ik was verliefd geworden op zijn bundel Hechtzwaluwen. In 2010 was de poëzie nog zo’n exotisch verwilderd avontuurlijk onontgonnen gebied dat ik verliefd kon worden op dichtbundels.

Ik maakte mijn blouse weer schoon met water en spuugsel, en keerde dan terug naar de oude kruisboogschutter. Hij filmde mijn terugkeer. Hij wees uit het raam en zei: ‘Kijk! Je vieze geboortestad.’ We kwamen aan in Gent.
Gent was inderdaad vies, maar er was tenminste een universiteit en verder kon je er geestige weerbarstige relschoppers en lome lankmoedige anarchisten tegenkomen. Die vond ik maar niet in Brugge, en al helemaal niet in het bejaardentehuis van Sint-Michiels. Mijn collega’s trouwden op hun achttiende, kregen kinderen, verzamelden kapstokbomen, gingen naar concerten van nostalgieacts, kochten broodfokpups, bezochten kerstmarkten en zandsculptuurfestivals, maakten ruzie met hun zussen die betere espressomachines en begaafdere kinderen bezaten en daarover opschepten, kregen kanker en stierven min of meer tevreden nee ontevreden, zuur. Ik wilde geen zuur dof hebberig lijdzaam leven leiden. Ik wilde een wervelend extatisch roekeloos bestaan. Mijn gedichten zouden me verheffen, optillen, een betere mens van me maken. Melig en hoogmoedig, ja.

Ik sprak met de oude kruisboogschutter over papegaaien. Ik wilde zo graag een huisdier en in de Biddersstraat was er iemand die zijn ara verkocht. Er hing een blad papier aan zijn ruit: ‘Ara te koop, sympathiek en tam. Met de kooi erbij 500 euro. Niet kloppen op de ruit, te veel prikkels.’ Een foto was niet nodig, want de ara en de kooi stonden op de vensterbank zichzelf aan te prijzen. Daarom stond er op het blad: ‘Niet kloppen op de ruit, te veel prikkels.’ Maar de mensen klopten toch, ze wilden een reactie uitlokken. De ara ergerde zich aan de mensen die op de ruit klopten, hij had een aversie tegen hen. Hij draaide zich om en toonde de opdringerige mensen ostentatief zijn gevederde rug. Hij observeerde kritisch doch genadig het karige interieur van zijn baasje dat niet meer voor hem kon zorgen. Ik kende het baasje van de ara, hij was een zachtaardige pedante alcoholistische ex-vuilnisman die me soms boeken over het taoïsme leende. Maar ik vergat ze te lezen. Ik had eens een glas melk gekregen van de alcoholistische ex-vuilnisman, ik mocht zitten op de enige stoel. Hij had me binnengeroepen omdat hij dacht dat ik een slet was, dat viel tegen.

De oude kruisboogschutter vroeg: ‘Heeft je moeder je al gefeliciteerd met je prijs?’
‘Nee.’
‘Typisch!’
De oude kruisboogschutter probeerde altijd een wig te drijven tussen mijn moeder en mij. Het was niet nodig. Er was al een wig: woede, wroeging, wrok, jaloezie, haat, onbegrip. Mijn moeder was erg afwezig in 2010, bestond ze nog wel? Ze kwam nooit meer op bezoek. Ze had mijn debuutbundel gelezen en gezegd: ‘Ik begrijp je gedichten niet.’ Mijn gedichten waren nochtans erg toegankelijk. Dat deed ik niet opzettelijk. Ik keek (misschien onterecht) op naar stugge hermetische taaie intellectualistische barse obscure dichters.

We naderden Antwerpen, de oude kruisboogschutter zei plots vinnig: ‘Je hals is bloot! Ik heb nog zo gezegd dat je een sieraad moest dragen!’ Ik betastte mijn hals, inderdaad bloot. Als puber had ik veel sieraden gedragen, ik waande mezelf excentriek en sjamanistisch. Maar na mijn verblijf in het gekkenhuis van Knokke was ik ermee opgehouden, en nu was ik al tien jaar lang een kleurloos verlegen achterdochtig schriel lafhartig schepsel dat vooral niet wilde opvallen. Toch niet met mijn tooi, wel met mijn taal. Mijn gedichten waren raar. Ik had geen formule, geen stramien, geen trucjes, geen programma, geen visie, geen poëtica. Daarom had ik mijn zinnen gezet op de ara van de Biddersstraat: hij zou me kleur en paradijselijkheid verlenen. Het zou op me afstralen, ik zou de ara imiteren. In het slechtste geval zou de ara mij imiteren: log, ziekelijk, neurotisch en zwaarmoedig worden.

In Antwerpen namen we de trein naar Rotterdam. In de trein naar Rotterdam las ik voor de zoveelste keer de zalige scheve schurende dichtbundel Hechtzwaluwen van Elmar Kuiper.

Majoor en de kiezelsteen

De majoor slaapt.
Een kiezelsteen in z’n koude hand fluistert:

‘Houd moed, als je te stijf
blijft, vergruis ik helemaal.

De majoor slaapt.
Een kiezelsteen in z’n koude hand roept:

‘Doe iets. Knijp in mijn wang, keil me
tegen de muur, dril me tot zoete moes.’

De majoor slaapt.

Wordt hij ooit wakker
zal hij een kiezelsteen mores leren.

Toch fantastisch dat de kiezelsteen sprak en de majoor sliep. Een Fries sprookje. Ik toonde het gedicht aan de oude kruisboogschutter. Ik bad dat hij niet zou zeggen: ‘Dat kan ik ook!’ Dat had hij mij onlangs aangedaan toen ik hem een werk van Jackson Pollock had getoond. Maar dit waren woorden, en woorden waren sterker dan verfspetters.

Echt? Nee, niet echt. De oude kruisboogschutter zei afkeurend: ‘Het rijmt niet.’

We kwamen aan in Rotterdam, ik was er nooit eerder geweest. Het was rumoerig, tumultueus, koortsig en gemeen. Ik haatte het meteen. We wandelden naar het hotel, ik was voor het laatst op hotel geweest met mijn moeder in Praag. Zij zwanger, ik panisch. Zij 39, ik 5099 of ouder. De hotelkamer in Rotterdam was veel mooier dan de slonzige versmachtende Praagse cel. Maar ook wel erg onpersoonlijk, zielloos, kraaknet, steriel.

We verlieten de hotelkamer, we hadden een zee van tijd. De oude kruisboogschutter kocht een halsketting voor mij: opzichtig, sexy, storend. Toen zag ik in de verte een sjofele man staan met een ara op zijn arm. De ara was nog prachtiger dan de ara van de Biddersstraat. Fierder, alleszins fierder. Misschien ook glanzender. De man had geen tanden en hij sprak geen Nederlands. Het kostte een aardige duit om met de ara te poseren. Voor ik het wist zat de loodzware machtige monsterlijke paradijselijke vogel op mijn arm. Ik dacht: hij zal mijn ogen eruit pikken, dan ben ik blind en eigenlijk is dat ideaal voor een dichter. Ik dacht ook: onnozelaar, één bundel en je durft jezelf al een dichter te noemen! Een kandelaar was minder zwaar dan de papegaai. Een fruitschaal woog minder. Ik sloot mijn ogen, de oude kruisboogschutter zei pesterig: ‘Ha ha, je hebt schrik van de papegaai!’

We gingen naar de uitreiking van de C. Buddingh’-prijs en de oude kruisboogschutter bazuinde overal rond dat er een papegaai op mijn arm had gezeten en dat ik een paniekaanval had gekregen. Elmar was vriendelijk maar gesloten. Er was een diner, het was walgelijk: noedels, kalfsreepjes en pikante saus. De uitreiking zelf was nog het verschrikkelijkst: een oude antipathieke verwaande vrouw maakte mijn bundel met de grond gelijk, ik moest de papieren cheque uit haar handen rukken. De vier genomineerden moesten hun gedichten voordragen. Elmar klonk robuust en eerlijk. Ik stotterde, giechelde, deed koddig, droeg lijzig en mismoedig voor. Ik werkte op de zenuwen van de schamele toehoorders. De bottines van Elmar waren smerig, hij was dan ook een bietenboer in de eerste plaats. Verder was hij een psychiatrisch verpleger, een vader, een geliefde, een steen, een zwaluw, een god, een knecht, een profeet, een majoor en een dichter. Na de uitreiking raakte ik aan de praat met een Libische dichter wiens naam ik ben vergeten.

Ik sliep slecht. De oude kruisboogschutter lag ook te woelen en te prevelen. Dan was het ochtend. De ontbijtzaal lag op de hoogste verdieping van het hotel. Elmar was al aan het ontbijten toen de oude kruisboogschutter en ik de zaal betraden. Hij was in het Fries aan het spreken tegen een dichter uit Workum. Hij zei: ‘Goedemorgen, Delphine! Goed geslapen? Mag ik nog even verder spreken in het Fries?’
‘Natuurlijk.’
Hij sprak nog even verder in het Fries, het klonk ruig en vertrouwd. Ik at traag en bedachtzaam een croissant met abrikozenconfituur. Ik wilde geen papegaai meer als huisdier. Ik zou me tevredenstellen met een foto of een kalender. Uiteraard zou ik een gedicht schrijven over de papegaai van Rotterdam, de papegaai van Cees Buddingh. Die ochtend keerde Elmar Kuiper niet meer terug naar het Nederlands.

Terug in Brugge bleek de ara van de Biddersstraat verkocht aan een kraanmachinist uit Loppem. Mijn moeder belde mij op en zei eindelijk: ‘Bravo met je prijs!’ De halsketting brak en viel op de vloer: een onopmerkelijke ordinaire zwaargebouwde chagrijnige adder of hazelworm. Ik zei tegen mijn moeder: ‘Bedankt, mama.’ Ik verbrak de verbinding en keek naar de papieren cheque. Het was genoeg geld om wel twee ara’s mee te kopen. Maar ik kocht niets en ’s middags fietste ik naar het bejaardentehuis om Irene, Georgine, Dorine, Louisa, Leon, Werner en de anderen te helpen met het aantrekken van hun nachtkledij en in bed te stoppen. Het leek wel alsof Rotterdam, de papegaai en de Friese taal nooit hadden bestaan.

Over de auteur

Delphine Lecompte