Gepubliceerd op: vrijdag 6 februari 2026

Bim Bam Bom

 

Bim bam beieren,
de koster lust geen eieren.
Wat lust de koster dan?
Spek in de pan!
Daar wordt de koster dik van!

Wie kent het versje nog? Is het een hop-paardje-hop? Is het een kietelversje? Ik kan het me niet meer herinneren. Noch ben ik zeker over de laatste regel. Het woord dik zou iets tweelettergrepigs trocheïsch moeten zijn, in mijn herinnerende herbeleving en naar mijn gevoel.

Ik kan het natuurlijk altijd even opzoeken. Het onverbetelijke internet leert mij, op kinderliedjes.info dat de laatste regel enigszins vloeibaar is, misschien omdat er meer mensen mee geworsteld hebben als ze het wilden opzeggen. ‘Daar wordt de koster dik van!’ is inderdaad een bestaande variant. Maar de oorspronkelijke versie lijkt te zijn ‘Dat er de koster niet krijgen kan’. Vooral door dat woordje ‘er’ komt het heel oud en authentiek over. Een andere variant luidt: ‘O, wat smult de koster dan’, maar dat lijkt me een contaminatie, gemaakt op basis van de andere kinderklassieker die eindig met ‘O wat heerlijk smullen wij’ – door mij uitgesproken, werd me nog vele jaren nagedragen, als ‘O wat heerlijk mullemij’ – dat wil zeggen het onsterfelijke Poesje mauw. En de laatste variant op de website luidt ‘Wat een lekkere koster dan’ – die ik nog wel het leukst vind.
– Papa, wat is een koster?
– De koster luidt de kerkklokken, maar dat is zwaar werk en dus moet hij heel goed eten.
– Waarom?
– Omdat hoe dikker de koster is, hoe harder hij de klokken kan luiden.
– Waarom?
– Dus je moest hem goed vetmesten, de koster, niet met eieren, want die waren voor de gewone, arme mensen. Nee, de koster moest spek hebben, wat andere mensen maar hoogstens één keer per week op hun houten bordje kregen. Daarom zie je op schilderijen uit die tijd ook zoveel dikke kosters rondlopen.

Maar als we het internet verlaten en ad fontes afdalen, bijvoorbeeld allereerst in het standaardwerk Alles in de wind, wordt de tekst alweer schimmiger, want daar, in de inhoudsopgave, wordt het genoemd Bom, bam, beieren!, tweemaal zelfs, de ene keer met als tweede regel ‘de koster lust geen eieren’, maar vervolgens ook een versie met als tweede regel ‘ons poesje lust geen eieren’. De versie met de koster, op blz. 169-170 heeft als laatste regel het helaas bijgewerkte ‘dat de koster niet krijgen kan’, zonder dat authentieke woordje ‘er’ dus, heel jammer. De versie met het poesje op blz. 182 heeft als laatste regel ‘daar wordt ons poesje vet van’, maar ik denk dat we die op onze zoektocht naar het oorspronkelijke origineel gevoeglijk kunnen vergeten.

Alles in de wind verwijst netjes naar de vindplaats, en dat blijkt – hoe kan het ook anders ¬– het nooit overtroffen standaardwerk de Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen te zijn van Johannes van Vloten uit 1871. (Wanneer komt er eens een echt nieuw standaardwerk, met alles wat er nog in het Meertens-instituut in de papieren van Hein Boekenoogen ligt te wachten?) En daar staan er wel zeven in! In mijn derde druk uit 1874 tenminste: later nog eens vermeerderd met een Limburgse (eindigend met ‘O, die lekkere köster Jan’) en met een ‘Rom, Bom, Bom’, over een tamboer (‘Tamboer houd je stokken krom’).

In de eerste versie die Van Vloten optekent is het echter niet de koster die geen eieren lust, maar de klok (‘de klok die lust geen eieren’), en het eindigt met ‘is dat geen lekkere bombam’. Dat lijkt mij echter een door godvrezende opvoeders gecensureerde versie, alleen zit ik daar helemaal fout mee, want de derde druk heeft achterin nog allerlei interessante wetenswaardigheden, die in latere drukken geschrapt zijn helaas, en over de klokken die geen eieren lusten verwijst Van Vloten naar een oude Roomsche traditie, ‘volgens welke de kerkklokken telken jaar in de vasten naar Rome gaan om te biechten, en dan saterdaghs voor Paschen met eyeren terugkomen, die ze in ’t klokkenhuis leggen.’ Zou het? En zo ja, is dit dan ook de oorsprong van de paashaas?
Ook de versie met het poesje zou best wel eens oorspronkelijker kunnen zijn dan ik hierboven dacht, want Van Vloten diept een platduitse versie op die gaat:

Puuskat mag geen Eier;
Wat mag se dan?
Eier in de Pann!
Dar wort Puuskat lecker van

Die inderdaad heel authentiek overkomt. Hoe zit het nu? Wie was eerst en waarover gaat het eigenlijk? Er zit, met al die elkaar tegensprekende en aanvullende mondelinge overleveringen en wel of niet ter zake doende tradities, niets anders op dan zelf maar iets te bakken, hopende dat het evenveel onbeantwoorde vragen zal oproepen, ooit.

Bim, Bam, Bom

Bim, Bam, Bom
bakken zeven eieren,
Bim, Bam, Bom,
onder een boom in Beieren,
bakken, bakken, bakken,
spek in dikke plakken,
maar o wat duurt dat lang!

Ik klim, zegt Bim,
ik klam, zegt Bam,
ik klom, zegt Bom,
om daarom duurt het lang!
En met z’n drieën rennen ze
rondjes om de stam.

Bim Bom Bam, rondjes om de stam,
Bom Bam Bim, rondjes om de stim,
Bam Bim Bom, rondjes om de stom.

(En onder de boom in Beieren
bakken nog steeds de eieren.)

_____
Illustraties uit de Nederlandsche Baker- en kinderrijmen, derde druk, 1874, blz. 24.

Over de auteur

Robbert-Jan Henkes