Somnadinges
Y drukte me een map in handen.
‘Waar kijk ik naar?’ vroeg ik hem, het voorblad openslaand.
‘Dit is wat ik noem mijn El Dorado.’
Hij boog voorover, drukte het stompje dat zijn peuk was in de bodem van een schaaltje dat als asbak dienstdeed en veerde weer rechtop in zijn stoel. Met pretoogjes boven zijn edel-gevormde neus keek hij me aan. De map bestond uit enkele bladzijden volgepend met woorden die in schema’s stonden opgesteld.
‘Wat is homolitisch?’ vroeg ik hem, en hield de top van mijn wijsvinger bij het gesignaleerde woord.
‘Homolitisch,’ herhaalde hij. Even keek hij naar de defecte koekoeksklok aan zijn muur. ‘Iets dat in iets anders opgaat, meen ik.’
‘Somnambule?’
‘Dat is een slaapwandelaar,’ antwoordde hij, tevreden met zichzelf.
‘Hoe moet ik deze map interpreteren?’ Ik bladerde door de pagina’s en legde de map vervolgens op het plakkerige, transparante tafelzeil. Eronder, als in ijs vastgevroren beesten, trof ik enkele ansichtkaarten aan, die aan de onderzijde van het zeil plakten.
‘Dat zijn de ingrediënten van mijn poëzie, Ferdy.’ Hij plukte een kruimel van het tafelzeil en liet het op de grond vallen. ‘Het zijn als het ware de chocoladebrokken in de koek. Zij vormen mijn gedichten.’
‘Somnambule?’
‘Ja, het heeft toch een prachtige klank?’ Hij wreef zich met zijn handen over zijn gezicht. Ik wierp vlug een blik op de andere klok, aan de muur in het keukenblok, maar constateerde dat we onmogelijk in het door dit exemplaar aangegeven tijdstip konden leven.
‘Klank,’ mompelde ik.
Y schoof met enig animo zijn stoel dichter aan tafel. De schuring van de stoelpoten over het matte hout van de vloer produceerde een hoog, piepend geluid.
‘Kijk,’ leidde hij in, met hevige gesticulaties die ik van hem gewend was, ‘poëzie is kunst. Het gaat niet om betekenis. Taalkunst, Ferdy. Anders kun je gewoon een verhaal vertellen. “Harrie gaat naar de slager en ziet daar door een openstaande deur zijn eigen vrouw zich aankleden.” Dat werk.’
‘Maar niemand snapt wat een somnadinges is.’
‘Daar gaat het ook niet om.’ Y had me niet meer aangekeken, bevangen door zijn eigen relaas. ‘”De somma van de somnambule”,’ grinnikte hij. ‘Het is als zitten op een slee en glijden door een sneeuwlandschap. Dat prefereer je toch boven de snoeverij van het lezen van een lijzige kroniek?’
Met de mok in de hand stond hij op om zijn koude koffie in de wasbak te gieten.
Bij vertrek uit zijn woning trof ik bij het uitstappen van de ongure lift het kordon aan brievenbusbakken van de flatbewoners aan. “Fok klare taal” stond er in hoekige letters op één van hen gekerfd.

