KP56: Willem van Toorn
Vide-grenier
Van heinde en ver, in horden en om wat
te vinden aangereisd door het herfstlandschap.
Contanten meegebracht, dit is de economie
van het kleingeld, de weemoed, het gedeukte,
gescheurde maar weer opgelapte, van wat ooit geliefd,
onmisbaar was. En van nog niet verloren dromen,
van tijd, dat er een toekomst was. De stoel waarop moeder
nog een dag stil voor het raam zat, lang bewaard
maar nu toch maar. De rubberen Babar
waar nooit mee is gespeeld. Een pakje klassenfoto’s
waarop je achter de rij kinderen het dorp compleet
met school en kerkhof en kaduuk kasteel
nog moeiteloos herkent. Zilveren vingerhoeden.
Een doos met kranten in perfecte staat, die van 3 oktober
1935 bovenop met in zwart-wit de duce,
die het juichend volk volgens de kop meedeelt
dat nu, op dit moment , het groot fascistisch heer
Abessinië binnenvalt. Een opgezette uil. Gedragen schoenen
Er moet iets bij zijn wat je nog niet hebt
of al ondraaglijk lang niet meer.
De dichter 1935 – 2024
Willem van Toorn is onder meer vertaler van het werk van de Praagse, Duitstalige schrijver-dichter Franz Kafka (1883 – 1924). Kafka is een van de eerste auteurs op het oude en vermoeide continent die in zijn boeken gewag maakt van de ontworteling van de moderne mens, die steeds eenzamer opgroeit en zich moet zien te redden in een steeds meer gedepersonaliseerde samenleving die geleid wordt door een abstracte en bureaucratische overheid. Men leze daartoe zijn boeken ‘Het proces’ of ‘De gedaanteverwisseling’; boeken waarvan de inhoud als surrealistisch en absurdistisch bestempeld wordt maar die in hun kern een somber toekomstbeeld schetsen van de mensheid. Door zijn geslaagde vertalingen heeft hij bijgedragen aan de toegankelijkheid van Kafka’s werk voor al diegenen, die geen Duits in hun vakkenpakket hebben gekozen.

Ook manifesteert Van Toorn zich als vertaler van het oeuvre van de Oostenrijker Stefan Zweig, die net als Kafka jood is en die eveneens niet optimistisch is over de toekomst van Europa. Van Toorn vertaalt van hem onder meer ‘Die Welt von gestern’; hierin schetst Zweig de ontwikkeling van het Ancien régime naar het nationaalsocialisme. Een ontwikkeling die achteraf beschouwd de mens niet beter en gelukkiger heeft gemaakt.
Van Toorn is meer dan vertaler alleen; hij schrijft jeugdboeken, waarmee hij met zilveren griffels is geëerd. Daarnaast schrijft hij novellen en romans. In zijn autobiografische romans ‘De rivier’ en ‘Het lege land’ verhaalt hij over zijn jeugd in Tiel en over de rol van de rivier De Waal daarin. Hoe het landschap, waardoor die brede waterloop zich al zo lang traag en machtig slingert ‘door oneindig laagland’ van lieverlee teloorgaat aan bebouwing, dijkverzwaring, roekeloos weg- en waterverkeer en recreanten met hun achtergelaten welvaartsvuil.
Van Toorn is tevens enige tijd redacteur van het 3-maandelijkse literaire tijdschrift Raster, een blad dat zich vooral richtte op grensoverschrijdende, van de geldende normen afwijkende literatuur. Het tijdschrift was een kort leven beschoren. Slechts 6 jaar.
Als dichter is Van Toorn bijzonder actief. In 1959 verschijnt zijn eerste bundel. Het voorliggend gedicht is afkomstig uit de bundel ‘De dagen’ en verschijnt in 2020. Van Toorn houdt van Frankrijk en woont er lange tijd met zijn vrouw. Zijn gedicht ‘vide-grenier’ is een hulde aan de Franse rommelmarkten, waarin weemoed en verval over elkaar buitelen. Uiteindelijk sterft hij er ook; onverwachts, in de zomer van 2024, op 88-jarige leeftijd als gevolg van longontsteking in het ziekenhuis van Chateauroux.
Het gedicht
Op het Franse platteland heeft bijna ieder gehucht en dorp zijn eigen ‘vide-grenier’: letterlijk zolderopruiming of lege (graan)zolder maar in de volksmond rommelmarkt. En altijd op zondag. De markten zijn ontmoetingsplaatsen waar nog iets te verdienen valt, wat onttrokken is aan het oog van de Franse fiscus. Het is ‘de economie van het kleingeld’, een relict van de middeleeuwse markten met ruilhandel, handje klap, baar geld en plat vertier. Men komt er van ‘heinde* en ver’.
*’heinde’ is een Middelnederlands woord en betekent ‘dichtbij’.
Wat opvalt, is dat de dichter de vide-grenier beschrijft in zijn oorspronkelijke opzet. Dat blijkt uit de opsomming van koopwaar. De strofen benoemen kort de handelswaar die zich onderscheidt door zijn bonte diversiteit: meubels, speelgoed, lectuur, foto’s, kranten, opgezette dieren en naaigerei. Een reeks die desgewenst eindeloos kan worden aangevuld met soortgelijke koopwaar als servies, heiligenbeeldjes, kleding, gereedschap, munten, plattegronden en suikerzakjes. Een ieder die ooit de Franse vide-greniers bezocht, zal deze ontmoetingsplekken in die opsommingen herkennen.
Subtiel wordt in die enumeratie verwezen naar het wezen van vide-greniers. De waar is er vanwege ‘het kleingeld’ goedkoop, ‘gedeukt, gescheurd maar weer opgelapt’ en soms zelfs ongebruikt of onaangeroerd. Toch is het gedicht meer dan louter opsomming. Erachter gaan beelden schuil die onder de noemer ‘weemoed’ vallen. Want hoe nietig de koopwaar ook is, bijna elk heeft zijn herinnering of geschiedenis. En die gaan vaak diep zoals het afstand doen van ‘de stoel waarop moeder nog een dag stil voor het raam zat’. En het koddige olifantje ‘Babar, waar nooit mee is gespeeld’. Dan de bewaarde ‘doos met kranten’, bedoeld om ooit te lezen maar waarvan nooit iets kwam. Zo zit er achter elk object wel een verhaal. De verkoop van de negotie zelf doet geen pijn maar wel de herinnering aan het moment waarop je iets kreeg of kocht.
De dichter schetst de vide-grenier als een van de weinige plekken, waar men elkaar nog kent, elkaar de hand schudt en over de kleine dingen des levens praat, soms met schaterlach en soms met een traan. De markt als substituut van de zondagsmis met daarna een gezellige kout en wat schalks getortel en gekir op het kerkplein. En een borrel in het dorpscafé, waarbij het lijkt alsof de tijd heeft stil gestaan. Zegt de dichter immers niet dat men ‘school en kerkhof en … kasteel’ op de achtergrond van vroegere klassenfoto’s heden ten dage ‘nog moeiteloos herkent’. Het syndetische karakter van de opsomming benadrukt die stilstand. Tegelijkertijd vallen we – rondslenterend – opeens midden in een oorlog. Een krant uit 1935 kopt hoe Mussolini door zijn volk wordt toegejuicht. Hiermee geeft het volk zijn fiat aan het oprukken van de legers van de ‘duce’ naar het toenmalige keizerrijk van ‘Abessiniё’, het huidige Ethiopië. Een vrijbrief voor fascisme en kolonisatie met al zijn kwalijke gevolgen. Schaduwen uit een donker verleden die achteloos een smet werpen op een mooie en gezellige zondagmiddag.
Een gedicht dat ook nog op andere manieren geduid kan worden. De vide-greniers waren ooit vindplaatsen van talrijke trouvailles, waardevolle vondsten die door de brocantehandel massaal zijn opgekocht en elders tegen hoge prijzen zijn of worden verkocht aan stedelingen die niet op ‘kleingeld’ hoeven te letten. Maar zoals gezegd: de markten floreren als nooit tevoren. Ze lijken nu vooral een uiting te zijn van een sterk lokale behoefte aan gemeenschapszin.
Tegenwoordig zijn greniers ook locaties waar de précarité, de armoede op het Franse platteland, zichtbaar wordt. Tegelijkertijd is op die markten de verspilling waarneembaar. Zelfs in de meest verpauperde oorden is op rommelmarkten sprake van encombrement, wat wil zeggen een overdaad aan spullen, de zogeheten verspulling. Van die laatste categorie wordt gretig gebruik gemaakt. De vide-greniers worden steeds meer bezocht door nieuwe groepen armen, zoals randmaatschappelijken, langdurig werklozen, daklozen, illegalen en immigranten. Zij kunnen er zich met ‘kleingeld’ of ruilhandel te goed doen aan de overdaad die de onderklasse van de Franse samenleving inmiddels rijk is en afdankt.
Wie er altijd komen, zijn de collectioneurs, de verzamelaars van munten, eierdoppen, postzegels en noem maar op. Zij frequenteren de markten op zoek naar iets, wat ze nog niet hebben. Want vide-greniers blijven plekken waar tussen prullaria, snuisterijen, rommel en afgedankte spullen soms iets opduikt wat je ‘nog niet hebt’. De dichter houdt met zijn gedicht de lezer in zekere zin een spiegel voor:
de vide-grenier als een tableau vivant
waaruit in de diepte de paradox oplicht
tussen overdaad en armoede en waarin de verzameldrang
van de mens uit lang vervlogen tijden voor even weer zichtbaar is.
Een eerdere versie van deze bespreking verscheen in de serie Eerste Indrukken.
Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com
Nieuwsgierig naar de volgende KP? Noteer zaterdag 27 februari KP57 met daarin een gedicht van Hans van Straten over een meisje wier evenbeeld in de contouren van een diepzwarte bijt is blijven staan.
