Gepubliceerd op: vrijdag 2 januari 2026

Iets wat het is

 

Een ezel die over de heuvel ging
      wou kijken wat daar lag,
die ezel die over de heuvel ging,
      en weet je wat hij zag?

Soms is iets wat het is. En dan moet je het laten zoals het is. Niets meer aan doen. Wat niet hetzelfde is als niets meer aan te doen. Of wel. Soms hetzelfde is. Als iets is wat het is, is het niet iets anders. Niet iets wat het had moeten zijn. Dus dat is goed. En meegenomen. Want als het niet is wat het is maar iets anders, dan had het beter dat anders kunnen zijn. Wie of wat wil nu iets zijn wat het niet is? Of niet zijn wat het wel is? Dan mankeert er toch iets. Dan denk je: hoe is het zo gekomen? Waar is het fout gegaan? Wat heb ik over het hoofd gezien? Waar heb ik de big mistake gemaakt? De afslag gemist? Als iets is wat het is, is het tenminste dat. Wat het is.

‘Het is wat het is’ wordt meestal in teleurgestelde zin gebruikt. Het is wat het is, en daar doe je het maar mee. Daar moet je het maar mee doen. Zo zijn de kaarten die je gedeeld zijn. Meer zit er niet in. Sorry. Volgende keer beter. Maar dat is mijns inziens dus niet goed. Klopt niet. ‘Het is wat het is’ gebeurt helemaal niet zo vaak. Heel zelden zelfs. Eigenlijk bijna helemaal nooit. Of zeg gewoon maar helemaal nooit. Uitzonderingen daargelaten. Overal zit wel wat anders in. Wat anders dat eruit wil. Maar er niet uit kan. Vanwege machteloosheid. Of niet hebben gezien. Of er zit iets in dat er helemaal niet in hoeft te zitten. Dat het gezicht beneemt op wat het is. Dat een teveel is in plaats van een te weinig. En dus ook weer iets anders dan wat het is. Vanwege dezelfde machteloosheid. Niet kunnen stoppen. Blijven prutsen. Of een andere kant op gestuurd worden door je redenerende hoofd. Soms is het goed om te weten waar je heen wil. Zolang je dan maar wel ergens anders uitkomt.

Maar wanneer is iets wat het is? Dit bijvoorbeeld. Waarom is dit wat het is? En is genoeg genoeg? Eerst had ik nog een tweede couplet, dat zo ging:

Een ezel die over de heuvel ging
      wou kijken wat daar lag,
die ezel die over de heuvel ging,
      en weet je wat hij zag?

Inderdaad. Precies hetzelfde. Wat niet zo gek is, want het is een oneindeloos gedicht. Maar als het een oneindeloos gedicht is, waarom dan maar twee coupletten? Waarom geen zeventien? Waarom geen vierentwintig? Waarom geen boek van zesennegentig bladzijden met hetzelfde couplet? Er is een moment dat kwantiteit een kwaliteit wordt, immers. Dat het de kwantiteit is wat het is. Maar dat is het in dit gedicht niet. Het kán het zijn. Als je wil. Als je zo gek bent om het zes maal negentig is vijfhonderdveertig maal achter elkaar te zetten. Ja, dán. Maar dan is het niet meer wat het is: die ene vier regels over een nieuwsgierige ezel die over de heuvel ging. De vier regels blijven hangen. Niet de eenentwintighonderdzestig. Daarvan blijft alleen de eenentwintighonderdzestig hangen.

Het is wat het is. En het is niet wat het niet is. Tenzij. Tenzij je vindt dat die eenentwintighonderdzestig regels zijn wat het is. Dat die het zijn die erin zitten en eruit willen. Maar voor mij is dit wat het is.


De illustratie is afkomtig uit 578 Afbeeldingen van Viervoetige Dieren, in koper gesneden uit J. Jonstons Naeukeurige Beschryvingh van de Natuur, 1660 (reprint 1976).

Over de auteur

Robbert-Jan Henkes