Delphine Lecompte – Het antipathieke dominante aanbiddelijke bastaardhondje Bernard
Op 4 augustus 2014 voerde de oude kruisboogschutter mij naar een boerderij in de buurt van Sint-Niklaas, ik zou er een puppy kiezen uit een nest. De puppy moest klein zijn want ik had geen tuin en ik wilde een hondje dat slaafs, deemoedig, amechtig, onbeholpen en hijgend op mijn schoot zou zitten. Ik zou het hondje kleertjes aantrekken: een truitje, een geruit regenjasje, strikjes, sokken, parfum, een luier en misschien zelfs een zonnebril. Het was allemaal mogelijk, er bestonden gespecialiseerde winkels voor bittere anorectische verschrompelde vereenzaamde dragonders die niets beters te doen hadden dan decadente parafernalia te kopen voor hun verwende tegennatuurlijke gezelschapshonden. Ik had een idyllisch beeld voor ogen: het hondje zou mij adoreren en niemand anders nodig hebben dan ik.
De oude kruisboogschutter was nors tijdens de rit, hij vond een hond een slecht idee. Hij somde op waarom: ‘Je kan nog niet eens zorgen voor jezelf, je hebt rare eetgewoonten, je hebt geen tuin, je kerft, je draagt vaak voor in Nederland, je bent niet autoritair genoeg om een hond op te voeden, je zal de hond beu raken…’ Dat laatste was het enige wat niet klopte. Aan voordragen in Nederland viel een mouw te passen: ik zou al mijn voordrachten afzeggen om bij mijn hondje te kunnen blijven. Zielig? Vast wel. En dan? Ik deed het toch niet graag, het voordragen van mijn rare gedichten. Zorg dragen voor een dier was veel interessanter en troostrijker dan op een podium te staan en trucjes op te voeren.
Ik was 35, er was nog tijd voor een kind. Ik wilde geen kind. Ik wilde een hondje dat ik zou behandelen als een kind. De avond voordien had ik voorgedragen in Oostende, samen met de pientere intelligente ravissante Lieke Marsman. In een tent hadden we een hapje gegeten met Sylvie Marie, net voor de voordracht begon. Sylvie Marie sprak uitbundig, gulzig en sentimenteel over de strandwandeling die ze die ochtend had gemaakt met haar peuter Simon. Ze was vertederd over alle banale dingen die haar peuter deed en aanwees. Lieke Marsman kon haar ongeduld en misprijzen met moeite de baas, het amuseerde mij. Op het podium moesten we gedichten voordragen van onszelf, maar ook van een poëtische held. Ik koos voor Paul Snoek. Lieke legde op schrandere scherpzinnige lucide manier uit waarom ze het hele concept van heldenverering maar bespottelijk vond, ze las een gedicht van Mark Strand voor. Geen dichter met wie ze blind dweepte, maar wel iemand wiens werk ze grondig had bestudeerd en die ze waardeerde:
Oude man verlaat feest
Toen ik het feest verliet bleek zonneklaar
Dat ik, hoewel over de tachtig, nog
Een mooi lijf had. De maan scheen zoals verwacht
Op momenten van intense zelfbeschouwing. De wind stokte.
En kijk, iemand had een spiegel tegen een boom laten staan.
Zodra ik mij alleen wist, trok ik mijn hemd uit.
De berengrasbloemen lieten hun maanovergoten kopjes hangen.
Ik trok mijn broek uit en de eksters draaiden om de reuzenpijnen.
Beneden in het dal stroomde nog eenmaal de krakende rivier.
Wat vreemd dat ik in de wildernis alleen met mijn lichaam moest staan.
Ik weet wat je denkt. Ik was ooit zoals jij. Maar nu
Met zoveel voor mij, zoveel smaragdgroene bomen en
Door kruid gewitte velden, bergen en meren, hoe kon ik niet
Van ogenblik tot ogenblik alleen mijzelf zijn, deze vleselijke droom?
Ik hield van het gedicht van Mark Strand dat Lieke had gekozen, vooral van die achtergelaten spiegel tegen een boom. Het gedicht van Paul Snoek dat ik voorlas heette Zeefauna. Het was onnozel, vulgair, agressief, leuk maar niet echt leuk. Niemand in het publiek lachte, ik had nochtans gemikt op de lach van het publiek. Eigenlijk was Zeefauna een anti-gedicht, Snoek zelf noemde de reeks waarin Zeefauna was opgenomen ‘Gedrichten’.
Zeefauna
Met mijn spreekwoordelijke goedheid
boog ik mij over een purperen kwal
en vroeg: Waarom ben je zo vies,
zo onbemind en toch zo zacht geschapen?
Ik ben oneetbaar zei de kwal met een zucht
Dat vond ik ook want ze verspreidde
een stinkende zeewierlucht,
maar terstond vond ik het verzoenende woord:
Prachtig als een oog ben je
en mooi omdat je leeft in het zuivere
en alles afweet van het onbekende
Ben je een huisdier van de zee?
Kloot zei de kwal. Herken je me dan niet?
Ik ben de weggesneden kut van Ester Williams.
We kwamen aan in Kruibeke, de oude kruisboogschutter was niet meer nors. Godzijdank! De boer toonde ons het nest: vijf lelijke mormels, etterend en hyena-achtig. Slechts één van hen veerde op en haalde alles uit de kast om gekozen te worden door ons. Ik fluisterde: ‘Dat is hem. Dat is Bernard.’ Bernard had een goudbruine vacht en puntige oortjes, hij leek op een vosje. De boerin knipte de nagels van Bernard, terwijl ik enkele papieren ondertekende en 400 euro overhandigde aan de taaie cynische boer. De oude kruisboogschutter mopperde: ‘400 euro voor een ordinaire straathond, dat kan toch niet…’ De boer zei agressief: ‘Je dingt toch niet af op een dier?!’ Bernard lag mak en stoïsch in de armen van de mollige simpele boerin, het knippen van zijn nagels scheen hem nauwelijks aan te gaan.
De boerin overhandigde Bernard aan mij. Hij begon meteen te wriemelen, hij wilde op de begane grond gezet worden. Geen onredelijke eis. We verlieten de boerderij en stapten in de wagen van de oude kruisboogschutter. Bernard weigerde om tijdens de autorit op mijn schoot te zitten. Hij ging op onderzoek uit. Alles, behalve ik, werd gretig geëxploreerd: de zetels, de pook, het stuur, mijn rugzak, de volumeknop, de claxon, het handschoenenkastje, de carwashjetons, de veiligheidsgordels, de fles lauwe limonade die op de achterbank lag, … Maar Bernard was nog het meest aangetrokken tot de oude kruisboogschutter. De oude kruisboogschutter fascineerde hem buitensporig. Bernard klonk zich verbeten en devoot vast aan de oude kruisboogschutter. Ik was gekrenkt, maar eens terug in Brugge zou ik wel een betere relatie opbouwen met Bernard. Niettemin zei ik kwaad en kleinzielig tegen Bernard: ‘Ik ben degene die jou heeft geadopteerd! De mand waarin je straks zal liggen heb ik gekocht, alsook: de trektouwen, de balletjes, de pieppatrijs, de kluiven en de veel te dure kuipjes lamsterrine met erwtjes en worteltjes en een vleugje tijm. En niet te vergeten: de kokette roodlederen halsband die goed bij je vacht zal passen, en tot slot het lidmaatschap van de hondenschool.’ Bernard geeuwde en liet een scheet.
We kwamen aan in Brugge, de oude kruisboogschutter zette me af aan mijn kleine huurhuisje in de Jan Miraelstraat. De oude kruisboogschutter woonde in dezelfde straat, slechts enkele huizen verder. Maar zijn huis was gigantisch en heel comfortabel, hij had zelfs een badkuip en een logeerkamer. Het huis was bovendien zijn eigendom. Ik betrad mijn miserabele huis, Bernard bekeek me sceptisch maar ook verwachtingsvol. Ik gooide een balletje, Bernard negeerde het balletje en dronk zuinig van zijn kom water. Ik ging met hem naar buiten, hij was erg nieuwsgierig en hij wilde mee met een troep Duitse toeristen. Ik begreep de aantrekkingskracht niet. We keerden terug naar huis.
Daar zat ik dan: ik had een hond, het was niet hemels en het was zeker niet bevredigend of troostrijk om een hond te bezitten. Ik bekeek The Misfits, de beruchte niet volledig gelukte neo-western van John Huston. Het was de laatste film waarin Marilyn Monroe te zien was. Ze kwam altijd een uur te laat op de set, en op een bepaald moment werd de film twee weken stopgezet omdat Monroe zich moest laten opnemen voor een depressiekuur. Ze dronk constant en ze nam kalmeringsmiddelen, ook na de psychiatrische opname. Ze was verdoemd. Ze was niet de enige verdoemde op de set: Clark Gable stierf twaalf dagen na de voltooiing van de film, hij werd nog geen zestig.
De volgende dag ging ik naar de verloederde lesbische adellijke alcoholistische ex-pianiste Patricia in de Raamstraat voor wier oude terriërhondje Nina ik zorgde. Ik deed namelijk vrijwilligerswerk. De alcoholistische ex-pianiste was de enige die mijn kleptomanie door de vingers zag. Ik nam Bernard mee naar Patricia, ze waren meteen verzot op elkaar. Gelukkig had ik nog Nina. Nina was altijd blij wanneer ze me zag, ze likte mijn handpalmen geestdriftig en uitgebreid. Tenminste één dankbaar beest in mijn leven. Ik ging samen met Nina en Bernard naar het plantsoen van de satanische priester Van Haecke. Ik liet beide honden los, Nina beet een donzig eendje dood. Bernard was niet geïnteresseerd in de eenden, wel in de mensen: hij wilde opnieuw meegaan met een stel toeristen. Deze keer waren het geen wansmakelijke Duitse toeristen, maar een streng intimiderend ongenaakbaar intellectueel gesofisticeerd koppel uit Montpellier. De vrouw aaide Bernard nonchalant, de man streelde Nina. Nina gromde naar hem. We keerden terug naar Patricia, een beetje later legde Patricia het loodje.
Bernard was een verstandige voorbeeldige puppy, in een mum van tijd was hij zindelijk en hij beet niets kapot. Toch knaagde het aan mij dat hij zo weinig aanhankelijk was. Hij scheen vooral mij niet te mogen. Het kwelde me en ik klaagde er vaak over tegen de oude kruisboogschutter. De oude kruisboogschutter kreeg het op zijn heupen en zei dat ik blij mocht zijn dat zo’n gemakkelijke zelfstandige hond had. Ik werd meermaals uitgenodigd om voor te dragen in Nederland, maar ik stuurde mijn kat. Ik wilde Bernard niet achterlaten, toch zeker niet tijdens zijn prille puppymaanden. De uitnodigingen droogden op. De literaire wereld vergat mij, ik werd er een beetje bitter van. Ik had niets: geen literair succes en geen loyale hond.
Maar alles veranderde toen ik naar de hondenschool Tempelhof ging. Weliswaar vond Bernard de commando’s beneden zijn waardigheid, maar ik voelde toch dat ik in zijn achting begon te stijgen. Catharina, de struise wijze onverstoorbare squawachtige instructrice, leerde me om sterker in mijn schoenen te staan. Iets wat me later vooral van pas zou komen in de literaire wereld. Bernard raakte verknocht aan mij. Dat ik meer dan zeventien maanden had moeten knokken om zijn affectie te bemachtigen, bewees dat zijn tederheid en trouw echt iets betekenden. Bernard was niet kruiperig, niet behaagziek en niet omkoopbaar. De uitnodigingen om voor te dragen tijdens literaire festivals stroomden opnieuw binnen. Ik nam Bernard mee en dichters die hem niet mochten hadden het meteen verkorven.
Ondertussen is Bernard negen jaar, uiterst chagrijnig en aanbiddelijk. Vreemde mensen interesseren hem hoegenaamd niet. Hij is gehecht aan mij en aan de oude kruisboogschutter. Aan mijn moeder heeft hij jammer genoeg een hekel.

