Gepubliceerd op: vrijdag 30 januari 2026

Af ben jij

 

Helemaal onmogelijk is het om nieuwe aftelversjes te verzinnen. Als buitenstaander meen ik. Aftelversjes bij spelletjes in de openbare ruimte (zoals dat nu heet) zijn strikt en exclusief eigendom van de spelers, die ze van elkaar overnemen, meestal door ze af te kijken van de net een jaartje ouderen. Inmenging van grote mensen strikt ongewenst. Cringe zelfs.

Ze worden gebruikt om te bepalen wie er welke rol speelt, wie er bij welke partij is – en ‘af’ betekent dan dat jij de minst gewilde rol speelt of bij de minst gewilde partij komt te zitten. Je kan er ook mee foetelen, door het rijmpje langer te maken als je zelf af dreigt te zijn, maar dan moet je goed tellen en anticiperen. Het is eerder een ritueel spelletje op zich dan alleen maar de aanzet tot een spelletje, en dat maakt het zo leuk.

Er bestaan vele variaties van als gevolg van de wankele mondelinge overlevering. Ook worden er door de kinderen zelf wel eens nieuwe verzonnen, die dan meestal meteen fantastisch mallotig zijn – en helaas slechts zelden opgetekend worden. Van Vloten heeft tweeëntwintig aftelrijmpje in zijn Nederlandsche bakerrijmen uit 1871, merendeels variaties op de twee bekendste, Eun deun dip en Iene miene mutten. Iona en Peter Opie hebben het er uitgebreid over in hun Children’s Games in Street and Playground uit 1969. In Counting-Out Rhymes van Abrahams en Rankin uit 1980 staan er 582, de variaties niet of nauwelijks meegeteld. In band één van de meerdelige Studien zur Befreiung des Kindes, getiteld Unsere Kinder im Spiegel ihrer Lieder, Reime, Verse und Rätsel van Ernest Borneman uit 1973 (band 2 bevat de ‘verboden’ rijmpjes), staan er vijfenvijftig fijne onzinnige. Allemaal heel grappig en leuk.

Ooit gaan we weer buitenspelen. Als het is opgehouden met regenen.

1
Nee nee nee,
in de koffiepot zit thee.
Ja ja ja,
houten been van chocola.
Geef mij niks of allebei,
af ben jij.

2
Trip trip tree,
Oedel ging met Doedel mee.
De ene op een bonte koe,
de ander in een boekenkist.
Hoe hoe hoe,
waar gingen ze naar toe?
Naar het land van rijstebrij,
af ben jij.

3
Ting tang telleraam,
geeze goeze gat,
heibel in de poppenkraam,
lap-jes-kat.
Lapjeskat en wij,
af ben jij.

4
Ka-koetje kiekeboe,
kwakie-kwakie, kwak,
kikker heeft een huis gebouwd
op een tak.
De tak die wou niet breken,
toen haalden we een zaag,
we zaagden zeven weken,
pas toen viel hij omlaag.
De tak die wou niet buigen,
toen haalden we een bijl,
toen viel de boom in duigen,
al in de afwasteil.
Wat die afwasteil toen zei:
af ben jij.


De illustratie is een detail uit de kinderspelen van Pieter Breughel d.O. uit 1560.

Over de auteur

Robbert-Jan Henkes