Gepubliceerd op: zaterdag 20 december 2025

KP55: Eduard Hoornik

 

Het kerstmaal

De vader sloeg een kruis en zegende de spijs.
Zijn blik werd donker, of een ver verhaal
hem nieuw beroerde, een lang-vergeten wijs
hem weer beving. Wij aten diep bevreemd het maal
in geur van zware wijn en licht van kaarsen,
dat over dennegroen en witte handen scheen,
en hoorden telkens weer hoe in de paarse
avond de voetstap van een kind kwam en verdween.

 

De vorm van het vers
Het voorliggend gedicht bestaat uit 8 opeenvolgende versregels en is op grond daarvan te duiden als een zelfstandig octaaf. Zelfstandig, omdat er geen inhoudelijke of typografische cesuur is tussen V4 en V5. Een eventuele typering van het gedicht als dubbel kwatrijnenvers is dan ook niet van toepassing.

Een andere benaming van het vers zou kunnen zijn die van huitain; oorspronkelijk is het huitain gehouden aan strakke regels: 8 of 10 lettergrepen per versregel en een vast eindrijmschema: abbabcbc. Vanuit die criteria bezien, is het voorliggend vers qua eindrijm en aantal lettergrepen van zijn oorspronkelijke vorm in beperkte mate afgedreven. Niet zo bijzonder omdat het huitain een versvorm is die uit de late Middeleeuwen stamt en bijgevolg een leeftijd heeft van ouder dan een half millennium. Voor de hand ligt dan ook dat het huitain zich in de loop der eeuwen in allerlei varianten heeft doorontwikkeld, getuige het vers van Hoornik. De oorspronkelijke versvorm is vooral bekend geworden door François Villon, de dichter-struikrover, wiens ster ooit schitterde en schrijnde in de laatmiddeleeuwse Franse poëzie. Zijn beroemde ‘Ballade des pendus’ werd zelden in Franse literatuurlessen overgeslagen.

Hoornik gebruikt in zijn vers overigens wel een vertrouwd eindrijmschema, namelijk: ababcdcd: een gekruist eindrijm waarin 3x sprake is van mannelijk en 1x van vrouwelijk eindrijm. Het aantal lettergrepen per regel is qua aantal vrij regelmatig: 12x, 10x, 11x, 12x, 11x, 12x, 11x en 12x. Het metrum tendeert naar het middeleeuwse toppenvers, ook wel accent- of heffingsvers genoemd. Kenmerkend voor het toppenvers is een vast aantal toppen per versregel afgewisseld door een onbepaalde hoeveelheid onbeklemtoonde lettergrepen. Die toppen zijn tot op zekere hoogte in het voorliggend vers terug te vinden. Het gedicht moet bijgevolg eerder ritmisch dan metrisch gelezen worden. Kortom, Hoornik heeft zijn eigen invulling gegeven aan de vorm van het huitain qua rijm, metrum en syllaben. Maar wellicht beoogde hij met zijn vers helemaal geen nazaat van het huitain te schrijven.

Ver gezocht maar niet ondenkbaar zouden we het gedicht ook als een kerstoctet of – octaaf kunnen beschouwen. De 8 versregels vervangen dan de van oorsprong 8 stemmen die voor 8 dagen staan en leiden tot een kerkelijk hoogfeest. ‘Het kerstmaal’ zou dan de feestelijke afsluiting kunnen zijn van een achtdaagse groei naar Kerstmis. Tegelijktijdig zou het kerstmaal ook het begin van een nieuw octaaf of octet kunnen zijn dat loopt van 24 december tot aan Nieuwjaarsdag, zijnde het Hoogfeest van Maria, een periode waarin elke dag een metgezel van Christus herdacht wordt met het doel de intentie van kerstmis beter te doorgronden, zoals Stefanus, de eerste martelaar, en de apostel Johannes.

Maar genoeg nu over de vorm.

Enkele achtergronden van de dichter
Hoornik heeft het tijdens zijn leven niet gemakkelijk gehad. Nog maar 7 jaar is hij, als zijn moeder sterft: een pijnlijke, diepe sporen achterlatende ervaring. Hij is – wellicht mede daardoor – geen gemakkelijk kind en wordt op de HBS zelfs van school gestuurd wegens wangedrag. Later kan hij toch zijn HBS-opleiding op een andere school in Den Haag vervolgen en met een diploma afsluiten. Daarna gaat hij geneeskunde studeren, maar dat wordt een flop. Na een jaar geeft hij er de brui aan. Hij gaat de journalistiek in. Daarin zal hij zich zijn hele leven als een vis in het water voelen. Hij trouwt in 1934 vervolgens een Duits, niet-katholiek meisje, wat tegen het zere been is van zijn vader en stiefmoeder die hem een katholieke opvoeding hebben gegeven. Hij zet toch door. Zij schenkt hem 3 dochters maar uiteindelijk scheiden ze na 23 jaar huwelijk, in 1957.

Vanwege zijn illegale verzet tegen de Duitsers wordt hij in ‘43 opgepakt en naar Kamp Vught gebracht. Van daaruit wordt hij overgebracht naar concentratiekamp Dachau, waaruit hij in het voorjaar 1945 wordt bevrijd. Zijn leven lang heeft zijn internering in Dachau hem traumatisch achtervolgd. Ouder wordend hervindt hij zijn geluk bij de dichteres Mies Bouhuys met wie hij een maand na zijn echtscheiding in het huwelijk treedt.

De in Den Haag geboren en getogen Hoornik beweegt zich als persoon gemakkelijk in allerlei kringen, zowel in communistische als katholieke. In het begin van zijn carrière wordt hij beschouwd als een vertegenwoordiger van de Amsterdamse School, een beweging die zich laat leiden door actueel-anekdotische gebeurtenissen gepaard aan een journalistiek-zakelijke schrijfstijl en aangevuld met een sterk sociaal-kritisch engagement. Tot die school worden onder meer gerekend de dichters Han G. Hoekstra, Eric van der Steen, Jac. van Hattum, Maurits Mok en Gerard den Brabander. Zij zijn te beschouwen als de vroege herauten van een nieuwe stroming die later furore maakt onder de naam: de Nieuwe zakelijkheid. Hoornik presenteerde zich overigens niet alleen als dichter en auteur, maar ook heel nadrukkelijk als redacteur en recensent van talrijke literaire tijdschriften, waaronder het maandelijkse literaire tijdschrift Criterium.

Het leven van Hoornik gaat – of het nu rechts – of linksom is – gebukt onder schuldgevoel en het eerder aangehaalde Dachau-syndroom. Voortdurend drukt op hem een bezwaard gevoel van zelfverwijt of berouw over gebeurtenissen of acties waaraan hij zich schuldig voelt; over handelingen die hij verricht heeft maar beter achterwege had kunnen laten en over handelingen die hij heeft nagelaten maar juist wel had moeten doen. Naarmate Hoornik ouder wordt is hij in zijn oeuvre minder sociaal bewogen en minder cynisch. Hij raakt ingekeerder en hangt een diepere, ingetogener levenshouding aan.

Als dichter is hij bekend om de magistrale wijze waarop hij in een van zijn gedichten het verschil tussen de zelfstandige werkwoorden ‘hebben’ en ‘zijn’ uitlegt. Hierin uit hij de lof op het werkwoord zijn als antwoord op de bezitterigheid van hebben. In de laatste strofe van het desbetreffende gedicht geeft de dichter prijs waarvoor ‘zijn’ staat: namelijk voor eeuwigheid in tegenstelling tot ‘hebben’ dat hij als tijdelijk definieert. Hij schetst die eeuwigheid bloemrijk, zoals hieronder is weergegeven.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

Verbazen zal het niet dat Hoornik gezien wordt als een veelzijdig literator. Hij begint als journalist voor onder meer De Tijd, de Katholieke Illustratie en Het Algemeen Handelsblad. Er moet immers brood op de plank komen. Nagenoeg met alle literaire genres kan hij uit de voeten. Zijn betrokkenheid bij Uitgeverij Stols mag daarbij niet onvermeld blijven. Stols is een uitgever en vormgever die vanwege zijn luxueus uitgevoerde dichtbundels en andersoortige literatuur onder schrijvers en dichters veel aanzien geniet.

Stols is in als uitgever vrij uniek. Hij werkt met 3 dichters in zakelijk opzicht nauw samen, waardoor er als het ware een poëzie-hausse ontstaat in de 2e helft van het Interbellum. Het gaat om de dichters Jan Greshoff, Eddy du Perron en Ed. Hoornik. Stols vestigt veelbelovende allianties tussen hem als uitgever en de 3 genoemde dichters als literaire leveranciers en adviseurs, wat geleid heeft tot grotere kennis en uitbating van wat er zich op dat moment in poëzieland afspeelde.

Stols verzorgt mede door die contacten en adviezen o.a. debuutbundels van Aafjes, Van der Plas, Vasalis en Achterberg. Hij is niet alleen de uitgever van de Verzamelde Gedichten van prominente dichters als Van Nijlen, Bloem, Jan Campert, Slauerhoff, Greshoff, Hoornik en Roland Holst maar ook van de avant-gardisten in die tijd: de vijftigers Claus, Kouwenaar, Vinkenoog en Lucebert. Vooral die laatste groep is hem veel dank verschuldigd. Rijk zijn ze er niet van geworden, maar elke fooi was welkom.

Maar nu het kerstmaal van Hoornik
Als een pater familias zit ‘de vader’ – niet als vader of een vader – aan het hoofd van de feesttafel. Hij slaat ‘een kruis’ wat in christelijke zin betekent dat hij het bekende openingsritueel: ‘In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest’ symboliseert in het kruisteken, waarna hij ‘het spijs’, de broodmaaltijd, zegent wat neerkomt op enerzijds het uitspreken van een dankgebed vóór het nuttigen van de maaltijd en wat anderzijds attendeert op de morele plicht van christenen de overvloed van hun smakelijke beten broods te delen met de minderbedeelden. Kortom: Christelijke symbolen die in het geseculariseerde Nederland thans nauwelijks, maar in Hoorniks opgroeiende jaren nog volop in gebruik zijn. Niet eenduidig is of die handelingen gevoed worden door godsdienstigheid of gewoonte.

Door het nadrukkelijk gebruik van het bepaalde lidwoord in versregel 1 ‘De vader’ lijkt het erop dat het hier gaat om een strenge vader, wiens voorkomen en houding gedachten oproepen aan het zogeheten patriarchale vaderschap: de vader als de dominante en gezaghebbende figuur in het gezin. Interessant is dat juist op dat moment – het moment van zegening en dankgebed – het gezicht van de vader overgaat op een donkere aanblik.
Is er sprake van een oogopslag of mimiek in de betekenis van duister of onheilspellend? Is ‘de vader’ opeens boos of raakt hij door iets geïrriteerd? In ieder geval wordt de verandering van vaders óógblik waargenomen door iemand die aan dezelfde tafel zit en deelneemt aan het feestmaal. Een persoon die als zoon of dochter dat kerstmaal van toen weer in herinnering roept en die de opvallende verandering van de gezichtsexpressie van ‘de vader’ vanaf zijn zitplaats gadeslaat.

Maar ‘donker’ kan ook slaan op vermoeidheid of op geraakt worden. En die laatste interpretatie lijkt te worden bevestigd in V2 en V3. Het is alsof de vader opeens door iets beroerd wordt, alsof iets hem bevangt, ín de zin van overmeesterd worden door herinneringen die teruggrijpen op vervlogen tijden, op het oud verhaal en de vergeten engelenzang, wat de vader lijkt te emotioneren. Gevoelens die hij niet meer geheel onder controle heeft. Het lijkt een confrontatie tussen belevingen van toen versus die van nu.

Hiermee is de rol van de tafelgenoot niet alleen deelnemer aan de feestdis maar eveneens waarnemer, want die plotselinge, zichtbare emotie past niet bij het beeld van de vader als gezinspatriarch. Daarna ervaart de tafelgenoot hoe zij allen daarna: ‘aten [als] diep bevreemd het maal’. Alsof een ieder verwonderd, wellicht zelfs verbijsterd zwijgzaam zijn eerste beten zet in het kerstmaal.

En in dat interludium is er een zintuiglijke overgave aan smaak ‘van zware wijn’, geur van vers ‘dennengroen’ en is er zicht op het opflakkerende zweven van ‘licht van kaarsen’. En in die opsomming in V5 en V6 valt op hoe het licht der kaarsen ook de ‘witte handen’ beschijnt van die opeens zo kwetsbaar ogende vader. Hierbij is het alsof het wit van de handen iets zegt over het kaarsenschijnsel dat wit uitslaat op vaders handen, en mogelijk tegelijkertijd een toespeling is op het ouder worden van de vader.

Het paars in ‘de paarse avond’ in V7 en 8 zouden we ook tweeledig kunnen interpreteren. Enerzijds als verwijzing naar inkeer en boete en anderzijds naar het ontwaken van een nieuwe dageraad, naar een nieuw begin. Op ‘de paarse avond’ breekt symbolisch door het nachtelijk zwart het licht van de hoop waardoor de kleur paars ontstaat. Inhoud en sfeer van het gedicht tillen in die laatste passage het gedicht naar een mystiek level. Het trekt de lezer als het ware in het grote mysterie van het ‘kind’, in de paradox tussen zijn nederige geboorte in een stal en zijn rol als de Messias die wereldwijde vrede, liefde en welvarendheid brengt.

Naast de kleuren wit en paars is in V6 sprake van de kleur ‘groen’ in ‘dennengroen’. ‘Wit’ staat voor vreugde en geluk èn verwijst als liturgische kleur naar de feestelijke, kerkelijke hoogtijdagen, in dit geval naar Kerst. Voorafgaand aan het wit gaat het paars, dat liturgisch verwijst naar boete, inkeer en bezinning èn een voorbereiding op die naderende hoogtijdagen, in dit geval de advent. Na het wit op het Hoogfeest van Kerst volgt dan de liturgische kleur groen, die voor hoop, leven, groei en eeuwigheid staat. Liturgisch gezien de dominante kleur van het kerkelijk jaar.

Het is opvallend dat Hoornik deze specifiek liturgische kleuren indirect en verholen qua diepere betekenis in zijn vers hanteert. Hoe het ook zij: ze passen wel in de context van zijn kerstgedicht. Zij maken in de diepte van Kerst een mystiek feest waarin de mens zich steeds weer herhaalt, zich als het ware reinigt. De vreugdevolle mens die zich uit het zwart via het paars voor even in het gelukzalige wit waant om na verloop van tijd vanuit zijn zo hoopvolle groei opnieuw in zijn imperfecte en gemaskeerde leven terug te vallen.

Kortom: een donker gedicht dat even wordt verlicht door de voetstappen van een naderend ‘kind’ dat evenwel weer snel de benen lijkt te nemen. Meent de dichter dat mensheid nog niet klaar is voor verlossing? Wat rest is een onbestendig kerstgevoel.

 

Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com
Nieuwsgierig naar de volgende KP? Noteer zaterdag 24 januari KP56, met daarin: Een gedicht van Willem van Toorn.

Over de auteur

- belicht in de serie Kamerpoëzie maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.