Gepubliceerd op: zondag 7 december 2025

Delphine Lecompte – Winkeldiefstallen met Cartouche

 

Na de dood van Fredo adopteerden mijn grootouders van De Panne opnieuw een kolossaal aandoenlijk lomp ingoed mormel: een airedale terriër. Ze noemden hem Cartouche. Uit loyaliteit tegenover Fredo weigerde ik aanvankelijk om Cartouche in mijn armen te sluiten, maar na nog geen volledige dag ging ik overstag. Cartouche was slim, alert en betrouwbaar. Ik daarentegen was een morsige slonzige immorele winkeldief.

Ik was vijftien, ik pleegde reeds vele jaren winkeldiefstallen. Ik had zelden wroeging achteraf. Van mijn eerste winkeldiefstal herinnerde ik me haarscherp elk detail, ik was zes en het pakje kauwgom heette Stimorol. De kruidenierswinkel heette Josephine, maar Josephine was te oud geworden om in de winkel te staan. Haar tweede oudste dochter Amélie bestierde de winkel. Ik hield niet eens van Stimorol. Amélie rook naar de stronkjes geitenkaas, de gedroogde abrikozen, de nougatrepen, de preskop en de vieze ijle venkel die ze verkocht. Dat was logisch. Maar ze rook ook: naar vleesetende planten, naar plakkerige pitteleers, naar sinistere knaagdierkooien, naar muskusrijke stropdassen, naar obscene badkuipklauwen, naar mysterieuze rugbyparafernalia en naar bedwelmende zeeflepels die nooit een keuken hadden gezien. Dat waren de geuren die ze meenam uit haar privéleven. Het woeste promiscue privéleven van Amélie werd druk, vilein en fezelend besproken door de kleinburgerlijke pezewevers van De Panne. Ze keken neer op haar. Zelfs mijn hitsige weke barmhartige flamboyante grootvader keek neer op Amélie. Ik niet.

Ondertussen was Amélie verhuisd naar Malta, ze woonde er samen met een vrouw. Josephine was dood en de kruidenierswinkel was een platenzaak geworden. Ik stal er op een dag Rain Dogs van Tom Waits. Ik werd betrapt. Het stelen lukte me niet meer zo goed de laatste tijd. Ik zag er zondig, loensend, grimmig en schuldig uit: een doorwinterde crimineel. Cartouche was een pup, Cartouche vertederde iedereen met zijn donzige schrandere lompe argeloze grenzeloze nieuwsgierigheid. Een plan begon te kiemen: ik zou Cartouche inschakelen tijdens mijn winkeldiefstallen. Ik zou Cartouche meenemen als bliksemafleider wanneer ik op strooptocht ging!

Mijn grootouders waren trots op mij toen ik behulpzaam aanbood om Cartouche netjes te leren lopen aan de leiband. Naïeve sukkels… Ik verliet het grote witte huis van mijn grootouders, Cartouche ging gretig mee. Hij beet in zijn eigen leiband en in zijn eigen staart, ik glimlachte welwillend. De graatmagere visboer van het Sloepenplein zag ons en riep: ‘Fientje… ik bedoel: Delphine, zo creëer je een monster! Je mag het bijten niet toelaten, pups hebben een leider nodig. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.’
‘Ja, ja…,’ zei ik verveeld. Cartouche zou nooit een monster worden, het zat niet in hem.

We betraden Blokker, ik had mijn zinnen gezet op een pluchen Ernie. Niet voor mezelf, maar voor Saartje die binnenkort zestien jaar werd. Saartje was het mooiste meisje van de klas, sommige jongens noemden haar ‘de zon.’
‘Le soleil entre.’
De vader van Saartje had een kunstgalerie en de stiefmoeder was een befaamde cardiologe. De vader leek op Andy Garcia en de stiefmoeder was mooier dan Anita Pallenberg. Maar de grootste attractie van het gezin, althans voor mij, was de broer: Lawrence. Hij was ouder, wreder en bleker dan Saartje. Hij had wel iets van Michael Hutchence die verjaarde op dezelfde dag als ik: 22 januari. Lawrence verjaarde op de schrikkeldag 29 februari. Maar Lawrence gaf niet om verjaardagen, niet om de zijne en niet om die van zijn zus. Hij gaf zeker niet om de mijne.

De speelgoedafdeling bevond zich in de kelderverdieping. Ook de zeemvellen, misdaadromans, pepermolens, schuimspanen en koffiezetapparaten waren daar te vinden. Ik zag de laatste pluchen Ernie liggen. Pluchen Berten waren er nog in overvloed. Cartouche nam Ernie in zijn muil en verscheurde de pluchen pop. Daarna verscheurde hij nog enkele pluchen Berten. Dan moest Saartje zich maar tevredenstellen met een misdaadroman en een pepermolen. Ik propte de misdaadroman en de pepermolen in de binnenzak van mijn lange donkergrijze zogeheten new wave mantel. Ik rende samen met Cartouche de winkel uit. Pas op de dijk hielden we op met rennen. Cartouche was verzot op mij, hij dacht dat ik een mens was die graag rende en die niet streng was. Dat laatste klopte. Ik bestudeerde de natte zwarte neus van Cartouche, er hing nog een flard Ernie aan zijn snoet: een deel van zijn oranje tronie. Ik kocht een ijshoorntje met twee bollen banaan voor mezelf, en een luchtige Brusselse wafel voor Cartouche. Het hoorntje was ook voor Cartouche.

Op de dijk zag ik een nieuwe winkel: goedkope sieraden, vooral ringen. Al was ik een lelijk ding, toch hield ik van ringen. Ik droeg een ring om elke vinger. Zelfs om mijn duimen. Mijn grootvader beweerde dat enkel manwijven een ring om de duim droegen. Ik kon er alleen maar van dromen om een manwijf te zijn. Ik droeg ook ringen om mijn pinken. Mijn nichtje Alexandra beweerde dat het typisch iets voor lesbiennes was. Ik maakte haar wijs dat ik op vrouwen viel, ze spuugde in mijn gezicht.
Ik droeg elke dag andere ringen, ik had er exact zeventig. Maar ik wilde er nog veel meer bezitten. De eigenaar van de sieradenwinkel was een sombere allochtone man, hij leek een beetje op Phil Lynott. Maar hij was jammer genoeg kaal. Cartouche gromde naar de sombere allochtone man, ik schaamde me. Het was een duidelijk geval van racisme. Ik had ooit in een boek gelezen dat racisme voorkwam bij honden. Als Cartouche racistisch bleek dan zou hij geen moeite doen om de sombere allochtone man te behagen en dan zou ik het veel moeilijker krijgen om ringen in mijn zakken weg te moffelen. Gelukkig was de sombere allochtone man zodanig glazig, verdoofd, droefgeestig en apathisch dat hij niet scheen te zien dat hij op klaarlichte dag beroofd werd door een gemeen gewetenloos geniepig wit eczeemgedrocht. Of het kon hem niets schelen.

De ringen zaten gepraamd in fluwelen kussentjes met een spleet in het midden, ze zaten vaster dan je zou denken. Ik rukte aan de ringen, ik moest denken aan de kleine schriele nobele gecompliceerde Arthur en het magische zwaard Excalibur. Ik propte enkele ringen in mijn beha. Eigenlijk had ik nog geen beha nodig, ik was plat vooraan als een uitgemergeld lijmverslaafd Siciliaans zakkenrollertje van om en bij de negen jaar. Saartje, Mieke en Noémi hadden kolossale borsten. Vooral Mieke. Mieke had net als ik een haviksneus maar dankzij haar prachtige voluptueuze boezem kreeg ze constant aandacht van de jongens van de klas, maar ook van vieze oude mannen die haar overlaadden met papegaaien en polshorloges in de hoop een blik te mogen slaan op haar tieten.
‘Tieten!’
‘Wat?’ vroeg de sombere kale allochtone man.
‘Tieten.’
‘Tetten?’
‘Ja.’
‘Een lelijk woord.’
‘Ik heb er geen, het kwelt me.’
De sombere kale allochtone prins zei: ‘Ik heb een crème die je kan helpen, als je je borststreek elke dag twee keer insmeert dan zal je…’
‘Fenomenale gigantische memmen krijgen?’
‘Ja’
De melancholische Guyaanse prins ging naar het privégedeelte van zijn winkel om de crème te halen. Ik zag mijn kans schoon en propte bijna twee dozijn ringen en een rist armbanden in mijn zakken. Enkele ringen en een kluwen armbanden vielen op de grond, Cartouche schrokte ze op. Ik panikeerde, ik wilde de dood van Cartouche niet op mijn geweten. Ik wachtte niet op de miraculeuze borstvergrotingscrème van de droefgeestige enigmatische sultan.

Ik nam Cartouche in mijn armen en liep zo snel ik kon naar het huis van de vereenzaamde Russische gravin. Wat woog hij zwaar, aan het Jeanne d’Arcplein moest ik even naar adem happen. Cartouche wriemelde en spartelde in mijn armen, ik zette hem neer op de begane grond. Speels beet hij in mijn rechterschoen. De racistische fietsenmaker stond moederziel alleen op de petanquebaan, hij zwaaide naar mij. Ik zwaaide niet terug. Hij stapte op me af, hij zei: ‘Ik had eens een airedale terriër. Hij was gestoord, hij kwam uit het asiel.’ De racistische fietsenmaker streelde Cartouche. Cartouche liet het zich welgevallen. Ik zei tegen de racistische fietsenmaker: ‘Cartouche is net als jij een ranzige racistische smeerlap.’ De racistische fietsenmaker zei: ‘Ha, ha, ha! Honden kunnen helemaal niet racistisch zijn. Ze houden van mensen die consequent zijn en hen kippenlevertjes aanbieden.’
Ik zei: ‘Cartouche heeft sieraden ingezwolgen.’
‘Dan moet je hem peperkoek doen eten.’
‘Heb jij peperkoek bij je?’
‘Natuurlijk niet, onnozel wicht!’
De racistische fietsenmaker keerde kwaad terug naar de petanquebaan. Ik had geen idee waarom hij plots zo geërgerd was.

Ik zette mijn weg verder, de toestand van Cartouche ging zienderogen achteruit: zo apathisch, loom en ongeïnteresseerd had ik hem nog nooit gezien. De Russische vereenzaamde gravin had vroeger in een grote villa in de duinen gewoond. Als kind was ik er vaker te vinden dan bij mijn grootouders. De gravin stopte mijn sokken en soms rookten we opium. Ze las me Jevgeni Onegin voor en we luisterden samen naar de vreemde opera Lady Macbeth uit het district Mtsensk van Sjostakovitsj. Het was een feministische opera over een mishandelde vrouw die wraak neemt op haar man. Stalin haatte de opera. Nu woonde de vereenzaamde Russische gravin in een kleine flat boven een stoffige zieltogende kopieerwinkel. Er was geen lift en de trap was erg steil. Cartouche was bang, ik droeg hem. Hij beefde, hijgde en likte mijn gezicht op neurotische wijze. Met affectie had het niets te maken. Ik zei tegen de vereenzaamde Russische gravin: ‘Peperkoek voor de hond!! Vlug!’
‘Waarom?’
Ik legde de situatie uit. De Russische gravin grinnikte en zei: ‘Dat is een fabeltje.’ Ze gaf Cartouche een grote kom water. Ik vroeg: ‘En nu?’
‘Gewoon een achttal uren wachten en dan met een stok in zijn ontlasting roeren, als je de sieraden vindt is er geen vuiltje aan de lucht.’
Ik zei: ‘Oef!’
Cartouche kroop op mijn schoot en viel in slaap.

De vereenzaamde Russische gravin schonk me een glaasje perziklikeur aan. Ze rookte de ene sigaret na de andere. Als kind was het gemakkelijk geweest om met haar te palaveren, maar nu was ik onwennig en verlegen geworden. Ik vroeg: ‘Ga je soms naar de kopieerwinkel hier beneden?’ Ze schaterlachte en zei: ‘Een oude Russische vrouw heeft toch geen fotokopies nodig?!’ Cartouche werd wakker en sprong van mijn schoot. Onrustig trippelde hij doorheen de flat van de Russische gravin. Zijn staart zwiepte een porseleinen hyenabeeldje, een absurd melkkannetje en een antieke wekker die stilstond van een salontafeltje. ‘Tijd om te gaan,’ zei ik atypisch krachtdadig.
In de Bortierlaan produceerde Cartouche een enorme drol, ik zocht tevergeefs een stok. Geen stok om een hond te slaan, maar een stok om diamanten te vinden in een hondendrol. Cartouche maakte vrolijke bokkensprongen en hapte naar wespen en vlinders. Ik werd overmand door vertedering, ik nam zijn ruwharige klitterige slijmerige snoet in mijn handen en plantte kusjes op zijn voorhoofd en neusbrug. Hij stribbelde tegen. Ik vond een gesluikstorte kapotte paraplu van een verzekeringsbedrijf. Ik pookte in de feces, maar de paraplu klapte open en de stront vloog in het rond. Het merendeel kwam terecht op een toerist: een cholerieke vadsige Beierse matrassenverkoper. Cartouche jankte plots hartverscheurend en zette het op een lopen, ik liep hem achterna. De Beierse matrassenverkoper tierde en zette de achtervolging in, maar hij was te zwaarlijvig en te kortademig om mij te pakken te krijgen.

Cartouche liep naar het huis van mijn grootouders. Het was net tijd voor het avondmaal: stokbrood, rozijnenbrood, pistolets, mastellen, schimmelkaas uit Duitsland, geitenkaas uit de Provence, everzwijnpaté, gevulde olijven, tzatziki, dadels, mosterd, meloen, zilveruitjes, koude rosbief, radijzen, looksalami, witte pensen en parmaham. Ik at een witte pens, vijf dadels en drie mastellen. Na het avondmaal paste ik mijn nieuwe ringen aan. Ik logeerde in de jugendstil kamer, ik trok mijn kleren uit en bestudeerde mijn lichaam. Prachtig, wat de rest ook zei. Te mollig, beweerde mijn moeder. Die trut zou beter naar zichzelf kijken! Ik deed mijn pyjama van Elmo aan en ging naar beneden. Ik tilde Cartouche op en nam hem mee naar de jugendstil kamer. Hij was erg onrustig, hij wilde niet naast me blijven liggen in het bed. Uiteindelijk viel hij in slaap onder het bed.

De volgende dag pleegde ik mijn winkeldiefstallen zonder Cartouche, maar toen ik klaar was maakte ik een grote strandwandeling met Cartouche. Ik plantte geen kusjes meer op zijn voorhoofd en neusbrug, daar hielden pups niet van. Later wanneer Cartouche volwassen was zou hij het misschien wel toelaten. Nu moest ik hem zijn primitieve roekeloosheid, zijn psychotische ontdekkingsdrift en zijn instinctieve woestheid gunnen. Hij kakte naast een bunker, ik zag een ring blinken. Ik geeuwde en Cartouche imiteerde mij. Ik liet de ring voor wat hij was, het was nochtans een hele mooie ring met een turkooizen steen. De zon ging onder, Cartouche leek er niet om te geven.

Over de auteur

Delphine Lecompte