Delphine Lecompte – De zeehonden die ik weigerde op te geven
Eind jaren tachtig werden er constant pasgeboren zeehondjes doodgeknuppeld. Het stond in alle kranten. De eerste dagen van hun leven was hun vacht het meest weelderig, het meest donzig, het meest oogverblindend wit. Hun schedel werd ingeslagen met een ‘hakapik’, een zware houten knuppel van Noorse makelij: het uiteinde van de hakapik bestond uit een hamerkop om de zeehondenschedel te verbrijzelen, en een scherpe punt die zicht vasthaakte in de ogen of mond van de zeehond zodat het kadaver kon versleept worden zonder dat de gegeerde vacht werd beschadigd. Het kon niet door de beugel. Ik was elf en een fervente dierenliefhebber. Meer nog: een dierrenrechtenactivist. Ik had het jaar voordien samen met één van mijn klasgenootjes (Hans) een dierenrechtenorganisatie opgericht: Dierenamnestie (DA). Het logo, dat ik had ontworpen, was een zeehond. Zeehonden waren destijds mijn favoriete dieren. Ik knipte alle krantenartikelen over het doodknuppelen van zeehonden uit en bewaarde ze in een map vol bezwarend bewijsmateriaal. Canada, Rusland, Groenland en Alaska waren de grootste boosdoeners. De moordenaars van de zeehondjes waren allemaal mannen, overwegend analfabeet en winderig. Ze hadden allemaal een baard.
Ik had geen hoge pet op van mannen, maar met mijn moeder boterde het ook almaar minder. Ze sloeg mij regelmatig, ik was bang van haar. Ze sloeg mij omdat ze dacht dat ik in de goot zou terechtkomen. Ik spijbelde en ik lette niet op in de klas van de vulgaire sletterige ravissante holle schrille juffrouw Sonja. Op mijn rapport stond: ‘Fientje is een storend element, ze zaagt vaak over de zeehondenjacht maar ik draag graag bont. Ik ga dat echt niet laten hoor, en al zeker niet voor een pedant zwartgallig antipathiek leugenachtig eczeemgedrocht!’ Mijn moeder droeg geen bont, maar het lot van pasgeboren zeehondjes liet haar koud. Ze zei tegen mij: ‘Zeehonden zijn lelijk, vormloos. Hoe kan je een beest aanbidden dat op een mislukte toilettas lijkt?’
Hans was geen lid meer van Dierenamnestie. Gelukkig had ik een nieuwe bondgenoot gevonden: Axelle. Axelle was de piepjonge sproeterige argeloze genereuze zorgzame mollige antilopeachtige vriendin van mijn korzelige norse bittere alcoholistische vader. Axelle was net als ik verzot op dieren. Ze werkte in een kantoorbenodigdhedenwinkel waar ook stickers van Guust Flater en wenskaarten werden verkocht. Op de wenskaarten stonden vooral gedomesticeerde dieren: goudvissen, buldoggen en spaniëls met koddige feesthoedjes, of gewoon sober en sereen zonder hoofddeksel. Maar ook wilde beesten mochten de mensen een gelukkige verjaardag toeschreeuwen, of ernstig en bedachtzaam ‘succes met je nieuwe woning’ lijken uit te drukken met hun primitieve oogopslag: chimpansees, pinguïns, varkens, olifanten, lama’s, giraffen, dolfijnen en zeehonden. Axelle kocht soms kaartjes voor mij, ze kreeg als medewerkster een kleine korting op de aankoop. De enige wenskaarten waarop geen dieren stonden waren de deelnemingskaarten. Daar stonden meestal bloemen op, soms absurde gave stenen.
Ik vroeg aan Axelle of ze lid wilde worden van Dierenamnestie, ze had helaas geen tijd. Ze werkte voltijds in de kantoorbenodigdhedenwinkel, en daarna moest ze ook nog eens mijn nukkige klagerige vader zien te behagen. Dat deed ze met luxueuze lingerie, maar ook met macaronischotels en daguitstappen naar Oostende en Doornik, nooit verder. Dus ja: Axelle was wel een bondgenoot, maar ze kon zich niet volledig engageren. Eigenlijk stond ik er alleen voor. Zielig, maar niet zo zielig als een pasgeboren zeehondje dat wordt doodgeknuppeld door een Groenlandse ploert met wrede genadeloze afschuwwekkende rubberlaarzen.
Ik zat dus in het vijfde studiejaar en ik spijbelde vaak. Ik kon de autoriteit van juffrouw Sonja niet ernstig nemen, ze kon me niets bijleren. Wie me wel iets kon bijleren was mijn 61-jarige minnaar: de bedlegerige Cobraschilder die in de Penitentenstraat woonde. ‘Minnaar’ is een groot woord, af en toe stak hij zijn hand in mijn broekje en streelde hij mij. Meer gebeurde er niet. Toch wel: hij kuste eens mijn geslacht. Dat was zalig. Maar toen ik vroeg: ‘Mag ik nu eindelijk jouw geslacht kussen?’ zei de bedlegerige Cobraschilder gelaten: ‘Mijn geslacht is niets meer waard, kind. Een kwartel oogt fierder en robuuster.’
Hij zei altijd ‘kind’ tegen mij, nooit ‘Delphine’ of ‘Fientje’. Wist hij eigenlijk wel hoe ik heette? De bedlegerige Cobraschilder had ooit in Groenland gewoond, hij was er bevriend geraakt met een Eskimofamilie. Van Eskimo’s kon ik het verdragen dat ze jaagden op zeehonden. Zij deden het om te overleven, niet uit sadisme en geldbejag. Eskimo’s respecteerden de dieren die ze doodden, het waren goden in hun ogen.
In het huis van de bedlegerige Cobraschilder was veel teken- en schildermateriaal, ik kon er ongestoord mijn dierenrechtenaffiches maken. Ik tekende doodgeknuppelde zeehondjes en daarboven schreef ik: ‘Nee tegen bont!’ Een slogan moest niet literair interessant zijn, een slogan moest duidelijk en beknopt zijn. Het was moeilijk voor mij om beknopt te zijn. Soms bezondigde ik me toch aan tekstuele overdaad: ‘Nee tegen bont, domme barbaarse mensen! Stel je voor dat er een troep boemannen met intimiderende pletsende laarzen en een soortement pikhouweel als wapen de schedel van uw broze aanbeden pasgeboren baby’s komt verpulveren!! Dan blijven jullie verdoofd en ontroostbaar achter! Verplaats jullie nu in zeehondenmoeders en zeehondenvaders!’ De bedlegerige Cobraschilder tikte me op de vingers: ‘Dat is sentimenteel, zeehondenvaders geven geen zier om hun kroost.’ Ik zei: ‘Hou je mond!’ en gooide een courgette en een bronzen lepelaar naar het hoofd van mijn ‘minnaar.’ Overal in Gent hing ik mijn affiches op: aan lantaarnpalen, aan de ruiten van new wave kroegen, aan de flappen van circustenten, en aan de gevels van fabriekspanden. Ik bereikte niets. Met de hakken over de sloot mocht ik naar het zesde studiejaar.
In het zesde studiejaar werden we onderworpen aan meester Luc: een besnorde man die leek op de Poolse stukadoor in een knullige harteloze pornofilm, maar hij leek ook een beetje op een aan lager wal geraakte cruiseschipgoochelaar. Sowieso was hij bekrompen, haatdragend, seksistisch, conservatief, kleinzielig en oliedom. Zijn lessen gingen vooral over Clovis en Göring. In november kondigde meester Luc aan dat hij een sneeuwklas organiseerde. Hij zei: ‘Pech voor de moslimkinderen wier ouders zich inbeelden dat lawines en dennenbomen demonisch zijn, en ook pech voor de kansarme kinderen wier ouders neurotische poetsvrouwen en schizofrene kiwisorteerders zijn die hun schamele loon liever verkwisten aan benzodiazepines en krasbiljetten dan hun mottige slonzige kinderen sneeuwpret te gunnen. Ik organiseer sneeuwklas voor de kinderen wier ouders het zich kunnen permitteren.’
Mijn moeder en mijn stiefvader konden het zich permitteren om mij op sneeuwklas te sturen. Ze hadden een hekel aan Oostenrijk, maar ze waren blij om een tiental dagen van mij verlost te zijn. De eigenaars van de new wave kroegen, circustenten en fabriekspanden waren eveneens blij. Vader: blij. Zelfs de bedlegerige Cobraschilder scheen er niet om te geven dat hij gedurende tien dagen van mijn sprankelende betweterige seksueel agressieve hunkerende aanwezigheid verstoken zou blijven. Axelle was de enige die mij zou missen. Ze leende me een walkman en een cassette van The Cure, om de lange busreis draaglijk te maken. Ze wuifde mij uit.
Het was een luxueuze poezelige comfortabele bus. Hans zat naast garagistenzoon Jerry. Guitige Lori zat naast Katrien. Debby en Wendy lazen samen Koning van Katoren. Sandra vlocht de haren van Saskia. Dimitri en Steve staken om ter meest marshmallows in hun openingen. Saskia en Steve waren kansarm, maar blijkbaar hadden hun alleenstaande moeders hemel en aarde bewogen om het geld toch bijeen te scharrelen. Het ontroerde mij kortstondig. Ik had geen vriendjes in de bus. Mijn favoriete klasgenoten waren de thuisgebleven verschoppelingen: Ahmed de baldadige kleptomaan, de ernstige intelligente zorgzame Sevil, de ontwapenende argeloze ingoede Rachid die me vaak prentjes van otters en amfibieën gaf (gescheurd uit de glanzende reistijdschriften die in de wachtzaal van zijn vader lagen, een oogarts), het flirterige schelmachtige onterecht verguisde wiskundewonder Aytekin, anemische Bart met zijn moeder die MS had en voor wie hij moest zorgen omdat de vader een waardeloze speedverslaafde onvoorspelbare opvliegende bruut was, enzovoort…
Ik luisterde met mijn walkman naar The Cure. Ik dacht aan Axelle, mijn vader had onlangs een nare opmerking gemaakt over haar gewicht. De botterik. Het had Axelle pijn gedaan, ze had geen verweer tegen mijn vader. Bovendien was ze heilig, ze zou nooit venijnig naar hem uithalen. Zelfs niet wanneer hij het dubbel en dik verdiende. Ze zou nooit zeggen: ‘Wie denk je wel dat je bent, verwaande klaploper? Ik werk tenminste voltijds! Ik ben tenminste lief voor dieren en voor jouw bloedeigen kind!’
‘You flicker and you’re beautiful/ You glow inside my head/ You hold me hypnotized, I’m mesmerized…’ Ik wilde Axelle niet verliezen, maar tegelijkertijd hoopte ik dat een verrukkelijke schalkse genereuze glasblazer van haar leeftijd haar het hof zou maken. Een glasblazer met genoeg geld om pluchen tijgers, lila nachtgoed en artisanale moussaka’s te kopen voor Axelle.
Oostenrijk was magnifiek, maar ik vergat de zeehonden niet. Ik moest een kamer delen met guitige Lori en Katrien, ze fezelden en lachten met mijn eczeemplekken. Maar ook met mijn zogeheten overdreven dierenliefde en met mijn slaapzak waarop wasknijpers stonden. Ze maakten de walkman van Axelle kapot. Ik zocht troost bij de jongere broer van meester Luc: Dirk. Dirk was mee op sneeuwklas om ons in het gareel te houden. Dirk zei: ‘Ik hou van je froufrou.’ Ik bloosde en zei: ‘O Dirk, je bent de eerste die mij een compliment geeft over mijn zelf geknipte froufrou!’ Ik werd verliefd op Dirk, hij toonde me ’s ochtends vroeg een stel herten in de sneeuw en ik vertelde over mijn kruistocht tegen de zeehondenjacht. Dirk liet me op zijn schoot zitten in de eetzaal van de chalet en op de zesde dag kocht hij een walrusbeeldje voor mij. Hij had er niets van begrepen! Niemand jaagde op de afgrijselijke wanstaltige plompe prozaïsche gedrochtelijke walrus. Ik zei tegen Dirk: ‘Het is af tussen ons.’
Op de tiende dag keerden we terug naar Gent. Dirk keerde terug naar zijn geestdodende staalfabriek waar hij slechts een vervangbaar radertje was, zoals Charlie Chaplin in Modern Times. Ik keerde terug naar mijn gewelddadige manipulatieve moeder, maar ook naar de aanbiddelijke bedlegerige Cobraschilder. Axelle was van de radar verdwenen. Mijn vader zei: ‘Axelle heeft mij vernederd in een goedkope broodjeszaak in de Koestraat.’ Hij wilde niet zeggen op welke manier Axelle hem had vernederd. Ik huilde minder lang dan verwacht. Ik was enigszins opgelucht: nu moest ik het niet uitleggen van de kapotte walkman. Met mijn liefde voor zeehonden ging het na de sneeuwklas helaas bergaf.

