Delphine Lecompte – De pauw pauw pauw van het Paul Delvaux Museum
Aanvankelijk was de pauw de grootste attractie van het Paul Delvaux Museum. Een mannetjespauw uiteraard. Op de doeken van Paul Delvaux stonden hoofdzakelijk treinen, zuilen en blote jonge vrouwen. Treinen tot daar aan toe, maar zuilen en blote jonge vrouwen lieten me koud als kind. Ik bezocht het Paul Delvaux Museum voor het eerst toen ik vijf of zes was, samen met zotte tante Katrien die er gids was wanneer haar zotternij het toeliet/ wanneer ze gedwee haar antipsychotica innam.
Ik hield van zotte tante Katrien, ze liet me nippen van haar trappistenbier en ze kocht smakeloos speelgoed voor mij. Voorbeelden van zogenaamd smakeloos speelgoed: een pluchen Gargamel, een poppenkastwolf, een rups die licht kon geven indien er een batterij in zijn rug werd geplaatst maar die batterij kwam er maar niet van, een Playmobil orka in een Playmobil bassin met zijn Playmobil verzorgster die op een dag zou aangevallen worden door de orka en haar been zou verliezen (ha ha ha), een spaarpot in de vorm van een narwal, een spaarpot in de vorm van een pover versmachtend huis in Birmingham, een spaarpot in de vorm van een stugge Russische lijfwacht, een spaarpot in de vorm van een regenboog, een spaarpot in de vorm van een cactus, een spaarpot in de vorm van een blozende cumuluswolk, een spaarpot in de vorm van een kankerverwekkend hoorntje met aardbei- en pistache-ijs, een spaarpot in de vorm van een schuldbewuste octopus, een spaarpot in de vorm van een bescheiden toekan, een spaarpot in de vorm van een vogelverschrikker, een spaarpot in de vorm van een bijenkorf, een spaarpot in de vorm van een gulzige beer met een honingpot tussen zijn klauwen geklemd, een spaarpot in de vorm van een bedeesde zeepzieder, een spaarpot in de vorm van een wrattige pompoen, een spaarpot in de vorm van een zwarte hotelbediende, een spaarpot in de vorm van een horrorachtige wijsheidstand, een spaarpot in de vorm van een troosteloze paardenmolen, enzovoort… Veel spaarpotten, ja. Omdat ik elke spaarpot die ik kreeg verbrijzelde vanaf er meer dan vijf geldstukken in zaten.
Maar terug naar het Paul Delvaux Museum: het lag weggestopt in de kronkelende laantjes van Sint Idesbald. Er lag een grote tuin rond het museum, aan de achterkant kon men aan gammele tafeltjes zitten en wafels eten. Of soep drinken. Er stonden grote volières in de tuin, in sommige volières zaten vogels uit Guyana: zebravinken en fruitkraaien. Maar er waren ook kaketoes, kolibries, oehoes en condors te zien.
Toch was het de pauw die de show stal. Niet vanwege zijn staart, maar omdat hij de enige vogel was die niet gekooid was. Hij liep bazig en chronisch geërgerd rond. Ik begreep zijn ergernis: wij, het menselijke uitschot, gooiden pindanoten naar hem en sommige menselijke schepselen probeerden oogcontact met hem te maken. Ik liet de pauw met rust, het kostte me enige moeite. Zotte tante Katrien zei over de pauw: ‘Hij heeft ooit de boreling van een beroemde Moldavische weervrouw gedood met zijn snavel.’
Toen bezochten we het museum, het viel beter mee dan verwacht. Het was nacht op bijna alle schilderijen, en ik zag ook een aantal skeletten dat ontzettend veel plezier beleefde. Delvaux kon wel iets, besloot ik. Zotte tante Katrien zei: ‘Ik ben Paul Delvaux eens tegengekomen op de Appelmarkt, hij nam zijn zakdoek en veegde mijn tranen weg.’
Ik vroeg: ‘Waarom huilde je, tante Katrien?’
‘Omdat ik zopas verkracht was door een gluiperige fazantenstroper aan de achterkant van het spookhuis, het was kermis in Veurne.’
‘Hoe oud was je?’
‘Veel te jong om verkracht te worden.’
Ik zei pedant: ‘Er bestaat toch geen geschikte leeftijd om verkracht te worden?!’
Zotte tante Katrien zuchtte somber en snoot lawaaierig haar mooie fijne kaarsrechte neus. Mijn moeder had een dikke lelijke boerse neus, de oudste zus Anne had dan weer een te klein te guitig wipneusje. De neus van zotte tante Katrien was perfect, maar nog perfecter waren haar vingers: lang, sierlijk, gaaf, niet knokig. En tante Katrien deed tenminste lak op haar vingernagels. Zowel mijn moeder als tante Anne beweerde dat vingerlak vulgair was, iets voor verlepte Hondurese bordeelhoudsters en bittere alcoholistische zadelmakervrouwen. Zever! Vandaag was de vingerlak van tante Katrien bruinrood, een lugubere ambigue kleur. Oud bloed. De chique fauteuil van een woeste bebaarde narcistische zelfdestructieve suïcidale schrijver. Roest. De lel van een exotische haan. De jeep van een avontuurlijke roekeloze fabelachtige paleontoloog. Het haar van de Litouwse minnares van mijn aanbeden grootvader: een schriele vileine opiumverslaafde messenwerpster én koorddanseres. Het houten beeld van Sint Barbara in de woonkamer van mijn grootouders, ze had geen benen. Ze was de patroonheilige van mijnwerkers, tunnelbouwers, brandweerlieden en doodgravers. Stoer!
Zotte tante Katrien vroeg: ‘Wil je soep drinken in de tuin na het museumbezoek?’
‘Ja.’
Plots werd tante Katrien aangesproken door een brutale jonge vlerk: ‘Hé mooie mysterieuze dame, mag ik je trakteren op een sangria op de dijk van Koksijde?’ Tante Katrien giechelde en zei: ‘Jij durft wel! Ik zorg voor mijn nichtje: Fientje. Ik kan haar toch moeilijk in de steek laten?!’ Maar ze liet me toch in de steek, ze liet me wel in de steek. Ze vertrok met de brutale jonge vlerk, ze keek niet achterom. De schilderijen van Delvaux schenen me opeens monsterlijk, megalomaan, smakeloos, macaber en obsceen. Ik liep de tuin in en zocht de pauw. Ik maakte oogcontact, de pauw zei: ‘Vandaag ben ik in een milde bui, je hebt oogcontact gemaakt maar ik vergeef je. Wat kan ik voor je betekenen?’ Hij klonk erg gewichtig, maar niet antipathiek. Er zaten ook mededogen, verdraagzaamheid en zelfspot in zijn stem. Ik legde de situatie uit, de pauw keurde het gedrag van zotte tante Katrien niet af. Hij kende haar warrigheid en nymfomanie op zijn duimpje, hij bedekte het met de mantel der liefde. Later zou ik in hetzelfde bedje ziek zijn, beweerde de pauw.
Het werd stilaan donker, de pauw zei: ‘Je mag slapen in het struikgewas, ik zal wel een oogje in het zeil houden.’ Maar ik wilde niet slapen, ik wilde bij mijn grootouders zijn. Nee. Eerst wilde ik soep drinken, het was me beloofd dat ik soep zou krijgen. Ik klopte op de deur van de cafetaria, maar de cafetaria was gesloten. Ik nam een spade en brak de ruit. Ik klauterde naar binnen, de pauw vloog me achterna. Er was nergens soep te vinden, maar ik vond wel crackers en een pot chocopasta. De crackers waren voor de pauw, hij at traag en behoedzaam. Ik gebruikte mijn vingers om het viscose stroperige fecaal ogende kluwen naar mijn muil te brengen. De pauw vroeg: ‘Hou je van het werk van Paul Delvaux?’
‘Ja, ik geloof het wel. En jij?’
‘Ze laten mij nooit binnen in het museum. Kan je me zijn werk beschrijven?’
Ik beschreef de locomotieven, de trams, de jolige skeletten, de jonge deernen in doorschijnende nachtjaponnen die stijf en spookachtig rondwaarden tussen protserige staande spiegels en hol ogende pseudo-antieke zuilen, de blote bleke nimfen die verkrampt op therapeutenzetels lagen, de fasen van de maan, de sinistere fezelende astronomen, enzovoort… De pauw zei: ‘Raar.’
Ik vroeg aan de pauw: ‘Verveel jij je soms?’
‘Nee. Waarom zou ik me daarmee bezighouden?!’
Hij begreep de vraag niet. Ik stelde een andere vraag: ‘Ken je de angst voor verstikking?’
‘Jazeker! Ooit gooide een peuter uit Dresden een plastic wombat op de grond. Ik snelde ernaar toe, dacht dat het een stuk meloen was en toen ben ik bijna gestikt.’
Ik smeerde chocopasta aan mijn wangen om op een schoorsteenveger te lijken.
De pauw zei: ‘Je bent walgelijk.’
Zotte tante Katrien keerde terug, haar ouderwetse bloemenkleed was gescheurd. Ik vroeg aan tante Katrien: ‘Ben je weer eens verkracht?’ Tante Katrien werd om de haverklap verkracht. Mijn moeder en tante Anne werden nooit verkracht, omdat ze een universitaire opleiding hadden en niet zomaar meegingen met de eerste de beste scheepshersteller die hen sangria beloofde. Of iets anders.
Tante Katrien zei sidderend: ‘Eerst was hij lief, hij gaf me een glas sangria.’
‘Op de dijk van Koksijde?’
‘Nee, in zijn appartement. Hij had een appartement boven een speelgoedwinkel, grappig hé?’
‘Nee, niet echt.’
Katrien zuchtte en ging verder: ‘In de speelgoedwinkel werden ook zwaarden verkocht. Zwaarden om in vitrinekasten te plaatsen en om bewonderende blikken op te werpen, geen zwaarden om Moren mee af te slachten…’
‘Wat zijn Moren?’
‘Donkere tapijtenverkopers uit de Sahara. Jij lijkt op een Moor. Wat heb je aan je gezicht gesmeerd, Fientje?’
Ik zei ongeduldig: ‘De verkrachting! De verkrachting! Doe nu eindelijk eens de verkrachting uit de doeken!’
Zotte tante Katrien zei: ‘Nadat ik mijn glas sangria had leeggedronken deelden we een kom gezouten popcorn…’
‘Daar hou jij helemaal niet van!’
‘Nee, maar ik wilde beleefd zijn en at met lange tijd enkele verraderlijke kernels. Dat is Engels.’
‘Ik weet het.’
Toen hield de pauw het niet meer uit, hij had lang genoeg zijn mond gehouden.
Hij zei: ‘Katrien, ik heb sympathie voor je nymfomanie. Maar ik vind het beneden alle peil dat je Fientje in de steek hebt gelaten. Ze heeft de ruit van de cafetaria gebroken met een spade en ze is bijna gestikt in een taaie klodder chocopasta.’
Tante Katrien keek naar haar schoot en zei schor: ‘Het spijt me.’
Om het goed te maken gaf ze ons een rondleiding in het Paul Delvaux Museum. Het was al middernacht ondertussen. De pauw zei: ‘Ik vind de schilderijen van Paul Delvaux maar minnetjes. De spiegels vind ik wel oké.’
Ik vroeg aan de pauw: ‘Kijk jij soms in de spiegel?’
‘Nee, dat is toch nergens voor nodig?!’
De pauw scheet op de vloer, tante Katrien giechelde maar ik was vreemd genoeg gegeneerd in zijn plaats.
Plots werd tante Katrien opnieuw somber. Ze zei tegen de pauw en tegen mij: ‘Mijn tanden kwellen mij.’
‘De kleur?’ vroeg ik, want de tanden van tante Katrien waren aan de gele kant en tanden hoorden wit te zijn.
‘Nee, nee, nee. Niet de kleur maar de lengte.’
Tante Katrien sperde haar mond open, haar gebit was inderdaad afgrijselijk. De pauw en ik, we zwegen wijselijk. Ik trok mijn T-shirt van het Koekjesmonster uit, graaide in de pauwenstront en smeerde mijn borst in. Tante Katrien zei zonder overtuiging: ‘Dat mag je niet doen, Fientje.’ De pauw sloot zijn ogen en sliep. De zon kwam op, tante Katrien nam mijn hand en zei: ‘Ik neem je mee naar het strand.’
‘En de pauw dan?’
‘De pauw zal worden geëuthanaseerd.’
Ik wist niet wat het betekende, ik wilde het niet weten. Het was een warme dag, tante Katrien duwde me in de zee. Ik werd weer proper. Tante Katrien zei: ‘Na de sangria en de popcorn vertelde de jonge man me over zijn functie in een plintenfabriek. Het klonk saai en dat zei ik ook.’
Ik zei: ‘Plinten.’
‘Ja, Fientje, plinten. Hij nam me te grazen omdat ik zijn job niet verbluffend vond.’
Ik keek naar het gezicht van tante Katrien, het was holler en gegroefder dan anders. Ze was de pineut van de familie. Ze wierp de sleutel van het Paul Delvaux Museum in de zee. Het was niet de enige sleutel.

