Of toch een krokodil
(vervolg van vorige week)
Ja, met een krokodil werkt het denk ik beter. Het was al met al toch iets te lieflijk en van lieflijkheid is er in kindergedichtenland al meer dan zat. Niet verder vertellen maar eigenlijk haat ik kinderliteratuur, in wezen en verschijning. Dat wil zeggen kinderliteratuur die louter voor kinderen gemaakt is en die voor volwassenen niet te pruimen is, dus zeg maar het grote gros.

Ik heb het dus al verklapt ende verraden, wie de nieuwe nieuwe huisgenoot is, en de eerste zesentwintig regels zijn ook hetzelfde, maar doe even of je dat allemaal niet weet, lieve lezeren, en lees als de onbehangenheid en onbevangenheid en onbelangenheid zelve, helemaal vers en opnieuw.
De nieuwe huisgenoot
We hebben thuis sinds kort
iets wafferigs en blafferigs,
iets harigs en iets poterigs,
iets duwerigs en stoterigs,
iets staarterigs en snuitigs,
iets klonterigs en kluitigs,
iets fluffeligs en knuffeligs,
iets in de rondte snuffeligs,
iets springerigs en kwispeligs,
iets altijd in de weggerigs,
iets blobberigs en slobberigs,
iets reuzerigs, iets kneuzerigs,
iets koude natte neuzerigs,
iets happerigs en bijterigs,
iets likkerige en pikkerigs,
iets gooierigs en smijterigs,
iets snoezerigs en snuisterigs,
iets nooit een keertje luisterigs,
iets wonder-boven-wonderigs,
bijzonderig bijzonderigs.
Als je ‘poot’ zegt, gaat ze liggen,
als je ‘lig’ zegt, gaat ze springen,
als je ‘breng’ zegt gaat ze rennen,
als je ‘blijf’ zegt, brengt ze dingen.
Ze kan gapen, ze kan rollen,
ze kan slapen, ze kan dollen,
en het is geen hond, het is geen musje,
en het is niet mijn pasgeboren kleine zusje,
het is – als je het echt weten wil –
een grote groene KROKODIL.
—
De illustratie is van E. Mesjkov uit Mojdadyr (Wassemhard) van Kornej Tsjoekovski, een editie uit 1969.

