KP54: Remco Campert
Boerin in Iviers
Elke dag nog praat ze
met zijn grafsteen
op het kleine kerkhof aan de overkant
uitzicht over het dal
met het dunne riviertje
glinsterend als een spinnendraad in het Noord-Franse licht
sinds hij dood is
doet ze minder aan de tuin
eens haar trots
ze kreeg er nog een prijs voor
de senator kwam er voor over
helemaal uit Parijs
waar hij een appartement had
en een vriendin
het was vlak voor de verkiezingen
die hij won
de koeien zijn verkocht
de tractor staat te roesten in het hoge gras
het erf is netjes aan kant
en er is nog hout voor één winter
(Uit: ‘Nieuwe herinneringen’ 2007)
Achtergrond van de dichter
Remco Campert is de zoon van bankmedewerker en de latere journalist, dichter en verzetsstrijder Jan Campert (1902 – 1943), vooral bekend vanwege zijn gedicht ‘De achttien dooden’, allen verzetsstrijders die in 1941 door de Duitsers werden geëxecuteerd. Jan Campert is een Zeeuw die opgroeit in Westkapelle waar zijn vader huisarts is. Nadat Remco’s ouders zijn gescheiden, trouwt vader Jan met de dichteres Clara Eggink. Zij is dan in jaren betrekkelijk kort de stiefmoeder van Remco. Later keert Eggink weer terug naar haar ex-man, de dichter J.C. Bloem.
Niet iedereen weet dat Jan Campert ook inlevende in memoriams schreef voor collega’s en niet voor de minste! Hij wijdde onder meer een ter nagedachtenis aan Couperus en Van de Woestijne. Een mooie strofe daaruit, gewijd aan Couperus, is de 2e terzine:
En van het rijk bezit, dat gij gewonnen hadt,
Dat steeds zich meerderde tot niet-te-peilen schat,
Gaaft gij een arm hart den droom, dien ’t nooit vergat.
Voor de symbolist Van de Woestijne schrijft hij in de derde strofe van zijn In memoriam een mooie, van mensenkennis getuigende typering van de getormenteerde dichter, waarvan de inhoud herkenbaar is in het gedicht ‘Wijding aan mijn vader’, dat eerder in onze rubriek werd besproken.
Een weergaloze stem, nachtdonker en vervuld,
Van de geheimen die ons lot regeeren,
en telkenmale na ’t zinderend begeeren
het dooven van dit vuur: bekentenis der schuld …
Nu meer over Remco’s dichterlijke herkomst
Zijn leven lang wordt Remco nadrukkelijk geassocieerd met de experimentele Beweging van Vijftig uit de vorige eeuw, waartoe onder anderen Kouwenaar, Elburg, Vinkenoog, Claus en Schierbeek worden gerekend; dichters die hij allen ruim heeft overleefd. In die tijd is de Beweging een groep jonge, non-conformistische dichters en schilders die afrekent met de toenmalige, in haar ogen brave mores en met de vastgeroeste, literaire conventies zoals interpunctie, rijm, metrum, esthetica, vormvastheid en semantiek, denk bij dat laatste aspect in het bijzonder aan het associatieve, neologistische en non-syntactische taalgebruik van de Keizer van Vijftig Lucebert.
Een digressio: Lucebert
De naam Lucebert kan geduid worden als dubbel wit, helderwit of wit in het kwadraat. Luce is namelijk een declinatienaamval, de ablativus van het Latijnse lux = licht. Het 2e deel van de naam Lucebert is een vormvariant van bright wat helder betekent en waarin de r van Anlaut naar Auslaut of vice versa is versprongen, een veel voorkomend klankverschijnsel dat bekend staat onder de naam metathesis. We zouden die naam kunnen duiden als een tautologie of als een hendiadys, waarbij een onderschikkende betrekking – hier: helder wit – als nevenschikkende betrekking wordt uitgedrukt. Wat het ook zij, de naam Lucebert is in de duiding van helderheid of dubbel wit in tegenspraak met dichters duistere en moeilijk toegankelijke semantiek en syntax.
Met deze ooit door mij voorbereide uitleg redde ik mij uit een hachelijke positie tijdens een examen moderne letterkunde, tijdens welk examen de examencommissie mij wilde ondervragen inzake een niet door mij bestudeerde bundel van Lucebert, hetgeen ik met de uiteenzetting van dit vooropgezette plan voorkwam. De heren liepen in mijn val en na mijn uitleg stapten zij weltevreden over op een ander onderwerp.
Nu weer terug naar Campert en de Vijftigers
De vijftigers beogen in hun werk onder meer directheid, ongeremdheid en spontaniteit; zij willen niet langer geketend zijn aan traditie en cognitie. Campert is vooral lid van deze als revolutionair, baanbrekend en anti–moralistisch bekendstaande beweging omdat hij zich opperbest vermaakt in dat vrije, ongeregelde en kwajongensachtige milieu, waarin rokerige feestpartijen met vrouwen en overvloedige drank welkome maar noodzakelijke onderbrekingen zijn van hun veelal bohemienachtige bestaan.
Toch is Campert veel meer dan alleen maar Vijftiger. Hij is de medeoprichter van het tijdschrift Braak, schrijft reclameteksten, romans, novellen, – waaronder zijn door scholieren graag en gemakkelijk te lezen, lichtvoetige novelle ‘Het leven is vurrukkulluk’. Daarnaast schrijft hij veel korte verhalen, talloze gedichten en is hij gedurende lange tijd columnist voor de Volkskrant, samen met zijn literair over het paard getilde vriend, Jan Mulder, de alom bekende salonsocialist uit Groningen.
Als dichter is Remco vooral de vertellende dichter van de anekdote, van kleine gebeurtenissen in het leven van gewone mensen. Grote gebeurtenissen weet hij terug te brengen tot persoonlijke, voor ieder herkenbare voorvallen. Daarbij is hij niet provocerend of belerend. Schetst in eenvoudige taal, met korte versregels en in herkenbare, als nieuw gewassen beeldspraak het gewone leven in micro-formaat zonder te beoordelen of te veroordelen. Campert zet zijn lezers daarbij aan tot denken zonder zich te bekommeren om de vrucht van die gedachten. Dat is aan de lezer. Hieronder een voorbeeld daarvan.
In het gedicht ‘Licht’ – net als het te bespreken gedicht te vinden in de bundel ‘Nieuwe herinneringen’ – gaat het om een echtpaar dat graag wat meer licht in huis zou willen. Daarvoor moet een volle boom in de tuin gekapt worden, waarover man en vrouw het snel eens zijn. Kort daarna gaat de bijl erin en onder razend geweld stort kermend en kreunend de boom neer. Zelfs ‘de wind . . . week geschrokken uit’. En o, wat waren die echtelieden blij met zoveel nieuw licht in de woonkamer. En in dat nieuw hervonden licht zagen zij elkander aan en toen pas zagen ze pas goed hun ‘onherstelbare gezicht’. Een wrang, confronterend moment, maar die connotatie laat Campert niet blijken. Dat is aan de lezer.
Tsjechov en Campert
In zekere zin zou Campert beschouwd kunnen worden als een adept (geen epigoon) van de grote, Russische meesterverteller Anton Tsjechov (1860 – 1904). De Rus wordt in de internationale literatuurgeschiedenis getypeerd als innovator van het moderne korte verhaal. Een literator bovendien die past in de traditie van baanbrekende Russische schrijvers & dichters, die vanaf begin 19e eeuw ontwaken, daarna en vervolgens in de 20ste eeuw een groot uitstralingseffect hebben op met name de Westeuropese literatuur, met name Frankrijk. De Russische adel en elite spreekt dan nog vloeiend Frans. In Nederland werd rond die tijd in high classes ook degelijk Frans onderwezen en gesproken: Frans was toen hot! Inmiddels is op een middelbare school onlangs Frans uit het vakkenpakket gehaald, geen belangstelling meer en een of andere spellingcommissie heeft de laatste Franse relicten in onze taal – het simpele verschil tussen het accent aigu en grave – opgeheven; veel te lastig.
Nog even in herinnering ophalend een chronologische opsomming van enkele, grote namen uit de bloeitijd van de Russische literatuur: Poesjkin (1799 – 1837), Gogol (1809 – 1852), Toergenjev (1818 – 1883), Dostojewski (1821 – 1891), Tolstoj (1828 – 1910), Solovjof (1853 – 1900), Tsjechov (1860 – 1904), Bely (1880 – 1934) en Blok (1880 – 1921). Veel van hun romans, gedichten en verhalen zijn al in de vorige eeuw in het Nederlands vertaald.
De innoverende invloed van Tsjechov op de stijl van het korte verhaal is in zekere zin herkenbaar in Camperts gedichten – vaak zijn dat immers in versregels samengepakte korte vertellingen – die we met de navolgende karakteristieken kunnen zouden inkleuren. Allereerst is er sprake van een licht-melancholische sluier of ondertoon die in de diepte van het verhaal/gedicht is gelegen en die zelden ostentatief de oppervlakte bereikt, verscholen als zij is achter de luchtige, bij tijden licht komische verhaallijn. Bij Tsjechov is de stijl echter uitbundig en bij Campert sober.
Dan onderscheiden deze korte narratio’s zich veelal door een open eind, waaraan de ene lezer de pest heeft, maar de andere juist zin ontleent, zoals reflectie en fantasie. Daarnaast is er expliciet bij Campert sprake van korte, fragmentarische, hink-stap-zinnetjes die veel meer diepgang verhullen dan de boventoon op het eerste gezicht suggereert. Tot slot is kenmerkend voor het nieuwe korte verhaal de zogeheten innerlijke monoloog wat min of meer inhoudt dat de verteller of dichter de innerlijke wereld van een of meer personages met zijn besognes, motieven, stemmingen of gemoedstoestanden communiceert met de lezer. Die verhaaltechnische aspecten herkennen we ook in Camperts onderhavige gedicht.
Boerin in Iviers
In het voorliggende gedicht verplaatst Campert de lezer naar een klein gehucht in Noord-Frankrijk; Iviers geheten en liggend tegen de zuidelijke grens van Wallonië. Campert komt tijdens zijn lange leven graag en veel in Frankrijk, in het bijzonder in het genoemde boerendorp waar hij een voormalige notariswoning als tweede huis bezit. 35 Jaar lang brengt hij er met zijn vrouw voor kortere en langere perioden aangename en in literair opzicht vruchtbare tijden door. Ze ontvangen veel vrienden die op doorreis graag even binnen wippen. Campert is heel gastvrij en een grage prater. Desalniettemin blijft er genoeg tijd over voor zijn meest geliefde pennenvruchten: brieven en gedichten, waaronder het gedicht ‘Boerin in Iviers’.
De inhoud van dit gedicht is anekdotisch van opzet en vederlicht van toon, fragmentarisch en met een verhalende, enigszins tenderend naar weemoed. Dichter en boerin kennen elkaar al lang en zijn inmiddels elkaars vertrouwde dorpsgenoten geworden. Op inlevende wijze beschrijft Campert haar laatste, troosteloze jaren op de boerderij. Hoe zij na de dood van haar man alleen op de boerderij achterblijft en hoe zij zich elke dag opnieuw begeeft naar de kleine dodenakker die nabij, op een hoger talud, gelegen is aan gene zijde van een smal riviertje ‘glinsterend als een spinnendraad in het Noord-Franse licht’ en aan welke bezoeken zij nog enige levensvreugde beleeft.
Van daaruit kijkt zij uit op het uitgestrekte dal. Méér zal zij vermoedelijk van de wereld niet gezien hebben; ze zal er ook niet naar getaald hebben. Het liefst vertoeft de weduwe op de kleine, knusse begraafplaats, waar ze elke dag keuvelt met haar gestorven man die begraven is onder een eenvoudige zerk. Ze vertelt hem van de kleine, dagelijkse dingen in en rondom de inmiddels stille boerderij. Die dagelijkse bezoekjes aan haar man zijn voor haar als de laatste zonnestralen van een laat najaar die haar nog op de been lijken te houden. Onopvallend maar veelzeggend is dat Campert in V1 en V2 zegt dat de boerin niet met haar man maar ‘met zijn grafsteen’ praat.
Dan volgt in strofe 2 en 3 de passage over haar tuin; ooit een lust voor het oog. Zij won er zelfs, lang geleden, een prijs mee en werd gefêteerd door een senator, een belangrijk politicus, die helemaal uit Parijs naar haar gehucht was afgereisd om haar in de bloemetjes te zetten. Ja, dàt was een hele eer! Die senator had daar, in dat verre Parijs, zelfs een appartement en een vriendin. Ook weer zo’n achteloos maar betekenisvol terzijde van Campert.
Ongetwijfeld zal het Franse volk daarover gelezen hebben, van die senator en diens euvele geste een oude weduwe op het platteland te verblijden. En dat net allemaal in de verkiezingstijd, waarin de senator het toch al zo druk heeft. Fijn dat hij dan toch nog de verkiezingen won. In deze passage die zo lieflijk over de boerin verhaalt, is Campert tussen de regels door cynisch over het raffinement van de politicus. Maar hij zegt er zelf geen kwaad woord over. Toch voelt de lezer het als onaangenaam, de vuige sluwheid, waarmee de politicus de kluit belazert.
In strofe 4 volgt een opsomming. De beesten zijn verkocht; gras en onkruid tieren welig en op erf en deel verroest in regen het eens zo degelijk onderhouden werktuig van de boer. Zelfs boerins rijk bebloemde hof, ‘eens haar trots’, ziet er verwilderd uit. En intussen slepen de dagen zich traag voort en verkwijnt in de oude vrouw het aardse leven.
Opvallend in het gedicht is dat Campert 3x het bijwoord ‘nog’ gebruikt. In V1 ‘elke dag nog praat ze …’ (1); dan in V10: ‘ze kreeg er nog een prijs voor’, (2). Tot slot in de allerlaatste versregel: ‘er is nog hout voor één winter’ (3). Het bijwoord dat Campert gebruikt heeft vooral een temporele functie. Het benadrukt onopvallend de tijdelijkheid van het leven. Concreet is er in geval 1 nog tijd, maar niet lang meer, dat de boerin haar man dagelijks bezoekt; in geval 2 is er sprake van een temporeel aspect in die zin dat het alweer zo’n tijd geleden is dat haar tuin haar lust en leven was.
In geval 3 volstaat Campert met de zakelijke mededeling dat er al veel wintertijden voorbij zijn en dat er nog ‘voor een winter hout’ is. De tijd heeft inmiddels al het hout opgevreten. De kachel zal in de winter nog even branden en daarna voorgoed gedoofd zijn. In deze slotzin herkennen we een filosofische gedachtegang die al veel eerder door onder meer Ovidius (1ste eeuw voor Chr. ) genoemd werd, namelijk de bekende sententie: ‘Tempus, edax rerum’ in de betekenis dat de tijd de grootste vijand van de mens is en zijn tanden alsmaar knagen aan de duur van alles wat leeft en niet leeft. In feite is de mens de veelvraat die zelf zijn tijd opvreet.
En uiteindelijk zijn wij dus zelf degenen die knagen aan de ons toegemeten tijd. Hoe drukker, hoe sneller het knagen.
Hoe het ook zij, Campert (1929 -2022) is in 2007 inmiddels 78 jaar; zal hij zelf beseffen dat hij al een groot deel van zijn tijd heeft verorberd. In ieder geval speelt de tijd in het gedicht een belangrijke rol, namelijk dat aan alles een eind komt: de dagelijkse bezoekjes aan de laatste rustplaats van de overleden boer, het verzorgen van het vee, het onderhouden van de bloementuin, de properheid rondom de deel, het bezoek van de politicus, de voorraad winterhout en niet te vergeten de dichter zelf en zijn lezers zijn daarvan de simpele bewijzen.
Kortom, een licht en lieflijk gedicht met een diep verholen, onpeilbaar thema: de tijd.
Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com
Nieuwsgierig naar de volgende KP? Noteer zaterdag 20 december KP55, een week eerder dan gebruikelijk is, met daarin: Een gedicht van Ed. Hoornik die de lezer op een kerstmaaltijd vergast.
